Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
(BRE 25/929).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende stelde beroep in tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2020. De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de beroepstermijn.
De beroepstermijn van zes weken begon te lopen op 11 juni 2024, de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van 10 juni 2024. De termijn eindigde op 22 juli 2024. Het beroepschrift werd pas op 25 november 2024 ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn.
Belanghebbende voerde aan dat onduidelijkheid over de kosten van de beroepsprocedure en het ontbreken van een reactie op een klacht de late indiening verklaarden. De rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden geen verontschuldiging vormen. Belanghebbende had binnen de termijn kunnen handelen of een ander kunnen inschakelen.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt het bestreden besluit niet inhoudelijk. Het besluit blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldigbare reden.