Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3150

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/441748 / FA RK 25-5792
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk ouderlijk gezag naar eenhoofdig gezag in belang minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de moeder om het gezamenlijk ouderlijk gezag over haar minderjarige kind te wijzigen in eenhoofdig gezag. De ouders zijn sinds 2019 uit elkaar en hebben een verstoorde relatie, waarbij de vader zich niet constructief opstelt in de communicatie en samenwerking rondom het kind.

De minderjarige is sinds 2022 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI) en er zijn meerdere hulpverleningstrajecten ingezet, waarbij de vader niet meewerkt. De moeder stelt dat het gezamenlijk gezag niet langer uitvoerbaar is omdat de vader weigert te communiceren en geen oog heeft voor het belang van het kind, wat een onaanvaardbaar risico oplevert dat het kind klem of verloren raakt.

De vader erkent de problemen maar wijst op recente positieve ontwikkelingen en wil het contact herstellen. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren echter het verzoek van de moeder toe te wijzen, omdat de vader zijn gezagsrol niet adequaat vervult.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van het kind is. De moeder krijgt het gezag alleen toegewezen, met behoud van het omgangsrecht van de vader. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt gewijzigd in eenhoofdig gezag voor de moeder vanwege verstoorde communicatie en het belang van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/441748 / FA RK 25-5792
datum uitspraak: 18 maart 2026
beschikking betreffende wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw], hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg te Roosendaal,
tegen
[de man] ,hierna te noemen: de man
,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.C.F.Y. Vleesschauwer te Breda.
Betreffende de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] (Spanje).
Als informant merkt de rechtbank aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
-
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 6 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de op 27 november 2025 ontvangen schriftelijke verklaring van [minderjarige] ;
- de op 26 en 29 januari 2026 ontvangen brief van mr. M.T.E. Kranenburg met producties;
- het op 9 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de op zitting overgelegde pleitnota van mr. M.T.E. Kranenburg.
1.2
De zaak is behandeld op de zitting met gesloten deuren van 12 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens waren aanwezig twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie [minderjarige] is geboren.
2.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4
[minderjarige] woont bij de vrouw.
2.5
Bij beschikking van 11 april 2025 is bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar:
- In de oneven weken op vrijdag uit school van 14.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de
vader [minderjarige] ophaalt van school en haar na het avondeten terugbrengt naar de
moeder, met daarbij de kanttekening dat indien [minderjarige] eerder of later dan 14.00
uur uit is van school (bijvoorbeeld door studiemiddagen of dat [minderjarige] op school
ziek wordt) de vader haar dus ook aansluitend aan het einde van de schooltijd
ophaalt van school.
- In de even weken op donderdag van 14.00 uur tot 18.00 uur, waarbij vader [minderjarige]
ophaalt van school en hij haar bij moeder terugbrengt, met daarbij de kanttekening
dat indien [minderjarige] eerder of later dan 14.00 uur uit is van school (bijvoorbeeld
door studiemiddagen of dat [minderjarige] op school ziek wordt) vader haar dus ook
aansluitend aan het einde van de schooltijd ophaalt van school.
Waarbij de GI is belast met de regie over het contact tussen de vader en [minderjarige] tijdens
schoolvakantieweken (een schoolvakantieweek begint op maandag en eindigt op zondag) en
feestdagen, alsook over een mogelijke uitbreiding van de regeling tijdens schoolweken,
waarbij het tempo van [minderjarige] gevolgd zal worden, en waarbij de ouders [minderjarige] niet
betrekken bij familiecontacten van de andere ouder.
2.6
[minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI sinds 4 oktober 2022. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 4 oktober 2026.

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt beëindigd en de vrouw in het vervolg alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] is belast.
3.2
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek verzoeken primair af te wijzen en subsidiair het verzoek van de vrouw aan te houden tot begin september 2026, een en ander in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling.

4.De standpunten van partijen, de visie van de GI en het advies van de Raad

4.1
De vrouw en haar advocaat geven aan dat partijen vanaf 2019 verwikkeld zijn in juridische procedures. Sinds 2022 is er sprake van een ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Er zijn gedurende de ondertoezichtstelling meerdere verzoeken ingediend door de GI, waaronder het verzoek tot het bekrachtigen van een schriftelijke aanwijzing gericht aan de vader, het verzoek tot het verkrijgen van toestemming voor het opstarten van een hulpverleningstraject voor [minderjarige] ter vervanging van de toestemming die de man niet verleent, en een verzoek om de contactregeling tussen de man en [minderjarige] te wijzigen. Al geruime tijd zijn ouders niet in staat om met elkaar over [minderjarige] te communiceren en sinds de zomer van 2025 wenst de man ook geen contact meer te hebben met de GI. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders met elkaar overleggen over beslissingen met betrekking tot hun kind. Omdat de man zich onttrekt aan contacten en overleg met de vrouw, de GI en de bij [minderjarige] en partijen betrokken (jeugd)hulpverlening, staat voor de vrouw vast dat het onmogelijk is om met elkaar over [minderjarige] in overleg te gaan en tot gezamenlijke beslissingen te komen. Van de vrouw kan redelijkerwijs niet verlangd worden dat zij nog probeert om met de man in overleg te treden. De man weigert communicatie en hij weigert zich te houden aan de hem door de GI en de rechtbank opgelegde regels (bijvoorbeeld geen contact tussen [minderjarige] en de familie van de vrouw) en hij heeft geen enkel oog voor het effect van zijn uitingen en daden op [minderjarige] en de vrouw. Verder blijkt dat de man weigert mee te werken aan het persoonlijkheidsonderzoek (dat overigens al eerder ook door [hulpverlening 1] en [jeugdhulp] is geadviseerd). De man lijkt niet in staat om structureel het belang van [minderjarige] voorop te stellen.
Gelet op het voorgaande vindt de vrouw dat de uitoefening van gezamenlijk gezag in strijd is met de uitgangspunten van de wet en de uitspraken van de rechtbank en dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Partijen zijn niet in staat om afspraken te maken. Eenhoofdig ouderlijk gezag zal veel meer rust voor [minderjarige] en voor de vrouw creëren.
4.2
De man en zijn advocaat stellen dat partijen sinds hun uiteengaan een problematische relatie met elkaarhebben . De reden waarom de man de afgelopen periode geen contact meer heeft gehad met de GI, is omdat de GI had besloten dat de man geen contact met [minderjarige] mocht hebben gedurende de gehele zomervakantie. Na de zoveelste teleurstelling over het contact met [minderjarige] is de man het vertrouwen in de GI en in de hulpverlening kwijtgeraakt. Hij heeft met pijn in zijn hart besloten [minderjarige] niet meer op te halen en heeft op dat moment het contact met zowel de GI als de vrouw verbroken. Wel geeft de man aan dat de deuren voor [minderjarige] te allen tijde openstaan. De man heeft heel sterk het gevoel dat hij in Nederland zijn rol als vader niet mag uitoefenen. Hij wil heel graag weer contact met [minderjarige] en wil haar ook heel graag zijn cultuur bijbrengen, want dat is immers ook een deel van [minderjarige] .
In de contacten tussen de man en [minderjarige] hebben zich zeer recent positieve ontwikkelingen voorgedaan. Op 21 januari 2026 heeft de man namelijk een koffer met persoonlijke spulletjes en vers fruit afgegeven bij [minderjarige] . De overdracht van de koffer, waarbij de vrouw aanwezig was, is goed en rustig verlopen. De man weerspreekt dat hij stelselmatig weigert om in te gaan op toestemmingsverzoeken. De man heeft recent toestemming verleend voor het plaatsen van een beugel bij [minderjarige] en voor een vakantie van moeder met [minderjarige] naar Italië tijdens de zomervakantie. Er is ook een afspraak gemaakt met de GI over het hervatten van het contact tussen hem en [minderjarige] . De man zal zich vanaf nu inzetten om mee te werken aan de afspraken van de GI. Nu er weer een opening is voor samenwerking tussen de GI en de man, waarbij contact tussen de man en [minderjarige] zal worden hersteld, is de beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] . Dat zal ervoor zorgen dat de man en [minderjarige] juist weer verder van elkaar verwijderd raken.
4.3
De vertegenwoordigers van de GI ondersteunen het verzoek van de vrouw om het gezag te wijzigen. Het is in het belang van [minderjarige] dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige] . Het klopt dat de GI met de man gaat praten over herstel in het contact met [minderjarige] , maar dat staat wat de GI betreft los van het ouderlijk gezag. De man heeft het over positieve ontwikkelingen, maar de GI ziet dat anders. [hulpverlening 2] gaat een intensief hechtingsonderzoek doen bij [minderjarige] en de man weigert daaraan mee te werken. Dat maakt dat het onderzoek niet goed kan worden uitgevoerd. Het hele systeem rondom [minderjarige] is daar namelijk bij nodig. Verder stelt de GI dat de man feitelijk zijn gezag niet uitoefent. Juridisch gezien heeft bij de mogelijkheid om informatie over [minderjarige] in te winnen bij school of de betrokken hulpverlenende instanties, maar dat doet hij niet. De man heeft meerdere keren de mogelijkheid gehad om mee “in te stappen” met de hulpverlening, maar dat weigert hij steeds. [minderjarige] is een jong meisje die heel veel verdriet heeft gehad, omdat haar vader haar vaak teleur heeft gesteld.
4.4
De vertegenwoordigster van de Raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag toe te wijzen. De man is kennelijk niet in staat om te reflecteren op zijn eigen gedrag. Hij geeft aan dat hij steeds teleurgesteld wordt door de betrokken hulpverlening, maar in de praktijk blijkt dat hij stelselmatig weigert om mee te werken aan hulp en ondersteuning voor zichzelf en voor [minderjarige] . Daarnaast belast hij [minderjarige] ook met volwassen zaken en zijn eigen emoties. De Raad benadrukt, net als de GI, dat het contact tussen de man en [minderjarige] los staat van de te maken afweging en te nemen beslissing over het ouderlijk gezag.
4.5
[minderjarige] geeft schriftelijk aan dat zij het goed vindt wanneer alleen haar moeder belangrijke beslissingen neemt voor haar.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid
5.1
De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Spaanse nationaliteit. De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op dezelfde grond is op de gezagsvoorziening Nederlands recht van toepassing.
Wijziging ouderlijk gezag
5.2
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
5.3
De rechtbank moet eerst te beoordelen of sprake is van gewijzigde omstandigheden. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, begrijpt de rechtbank dat de onderlinge verstandhouding tussen partijen verstoord is geraakt en er geen sprake (meer) is van structureel contact tussen [minderjarige] en de man. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van het uiteengaan van partijen dermate zijn gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
5.4
Voorts overweegt de rechtbank dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarigen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen. Uit de ingediende stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat hiervan geen sprake is. Nadat ouders in 2019 uit elkaar zijn gegaan is er nooit een situatie geweest waarin zij op ouderniveau met elkaar over [minderjarige] hebben gecommuniceerd. Hoewel dit een van de doelstellingen van de ondertoezichtstelling was, is er nimmer een ouderschapsplan tot stand gekomen. De man bleek namelijk niet bereid om duurzaam deel te nemen aan het daartoe ingezette hulpverleningstraject. De rechtbank ziet dat de man herhaaldelijk de kans heeft gekregen om deel te nemen aan of aan te sluiten bij hulpverleningstrajecten die zien op een verbetering in de situatie omtrent [minderjarige] . Maar de man weigert medewerking of hij haakt vroegtijdig af. Diverse hulpverleningstrajecten en een ondertoezichtstelling hebben, kortom, geen blijvende positieve resultaten in de communicatie en samenwerking op ouderniveau kunnen bewerkstelligen. De conclusie is dat er, zeven jaar na de verbreking van de relatie, nog geen begin gemaakt is met het maken van afspraken over hoe partijen het ouderschap na scheiding vormgeven.
Daarnaast heeft de man zonder gegronde reden meermaals geweigerd zijn toestemming te verlenen voor beslissingen betreffende [minderjarige] . Daardoor konden hulpverleningstrajecten niet ingezet worden of liepen deze vertraging op, en dat heeft [minderjarige] gedupeerd.
Daar komt bij dat [minderjarige] ook de nadelige gevolgen ondervindt van de omstandigheid dat de man uit de samenwerking en het contact gaat met de betrokkenen rondom [minderjarige] , als hun visie afwijkt van wat hij voor ogen heeft. Zo heeft de man het contact met [minderjarige] eenzijdig per direct gestaakt omdat hij het niet eens was met de visie van de GI over de invulling van (contacten tijdens) de zomervakantie. Hoe groot het effect van dit handelen op [minderjarige] is, lijkt de man niet in te zien.
Het is niet alleen ingewikkeld om samen met de man gezagsbeslissingen over [minderjarige] te kunnen nemen, maar de rechtbank ziet ook het risico dat de te nemen gezagsbeslissing leidt tot conflicten waarvan [minderjarige] uiteindelijk de dupe is. De man lijkt niet bereid of in staat om op zijn eigen aandeel in de situatie te reflecteren en zijn gedrag aan te passen of hulpverlening daarvoor te aanvaarden.
De komende jaren zullen er nog diverse gezagsbeslissingen over [minderjarige] genomen moeten worden. De rechtbank denkt hierbij aan medische beslissingen en beslissingen over in te zetten hulpverlening, inschrijving bij een school voor voortgezet onderwijs en vakanties/reizen naar het buitenland. Gelet op hetgeen hiervoor is beschreven, ziet de rechtbank het risico dat dergelijke gezagsbeslissingen niet (voortvarend) genomen kunnen worden. Daardoor wordt de vrouw belemmerd in haar taak als hoofdverzorgende ouder, maar ook bestaat het risico dat [minderjarige] wordt geschaad in haar ontwikkeling.
5.5
Daar komt bij dat de man al geruime tijd geen invulling meer geeft aan zijn ouderlijk gezag. De man heeft in zijn rol als gezagdragende ouder in de achterliggende jaren nooit om informatie over [minderjarige] gevraagd bij de school of betrokken (hulpverlenende) instanties. Zoals hiervoor al is overwogen, sluit de man ook niet aan bij hulpverlening die voor [minderjarige] wordt ingezet, ook al wordt die betrokkenheid van de man noodzakelijk geacht voor de te bereiken doelen. De man is uitsluitend gericht op contact met zijn dochter, en zet geen stappen om ook op andere wijze bij [minderjarige] en haar leven betrokken te zijn. De man gaat samenwerking met de vrouw, de GI en de hulpverlening uit de weg. Sinds de zomer van 2025 is bovendien het contact tussen de man en [minderjarige] volledig verbroken. Daarmee is het kleine beetje zicht dat de man had op [minderjarige] weggevallen. De man weet onvoldoende wat zich in het leven van [minderjarige] afspeelt en wat haar behoeftes zijn. De rechtbank is van oordeel dat de man daardoor onvoldoende geïnformeerd is om de afweging te kunnen maken met welke gezagsbeslissingen [minderjarige] het meest gebaat is, en zij heeft niet de verwachting dat de man binnen afzienbare tijd zijn handelen als gezagdragende ouder positief zal veranderen.
5.6
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het verzoek van de man om de zaak aan te houden wordt afgewezen en het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag zal worden toegewezen. Het is in het belang van [minderjarige] én de vrouw dat de vrouw (in samenspraak met de GI) voortaan voortvarend beslissingen over haar kan nemen.
5.7
Tot slot benadrukt de rechtbank dat de wijziging van het gezag niet aan het recht van de man op omgang met [minderjarige] in de weg staat. Het is echter aan de man om daartoe initiatief te blijven nemen, contact te onderhouden met de GI en met de GI samen te werken, om zo het vertrouwen bij [minderjarige] weer op te bouwen. [minderjarige] moet erop kunnen rekenen dat haar vader de afspraken over omgang nakomt. De rechtbank hoopt dat de man zich hier op de juiste wijze voor in zal zetten. Ook spreekt de rechtbank het vertrouwen uit richting de vrouw dat zij het contact tussen de man en [minderjarige] zal blijven ondersteunen en faciliteren.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Proceskosten
5.9
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] (Spanje);
6.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4
wijst het meer of anders verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 in tegenwoordigheid van Weterings, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.