Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3154

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/444732 / JE RK 26-214
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij vader voor een jaar

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 18 maart 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn vader. De minderjarige kampt met agressieregulatieproblematiek, stemmingsproblemen en onverwerkte trauma’s. Hoewel er positieve gedragsveranderingen zijn, blijft de thuissituatie bij de vader gespannen en is er sprake van voortdurende strijd tussen de ouders.

De moeder en vader zijn beiden belast met het ouderlijk gezag, maar de hoofdverblijfplaats is formeel bij de moeder, terwijl de minderjarige op basis van de machtiging bij de vader woont. De moeder stemt niet in met de verlengingsverzoeken en uit zorgen over het welzijn van de minderjarige, terwijl de vader en GI de verlenging noodzakelijk achten om de stabiliteit en hulpverlening voort te zetten.

De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord en concludeert dat ondanks de positieve ontwikkelingen de ernstige bedreigingen voor zijn ontwikkeling blijven bestaan. De communicatieproblemen tussen de ouders en de gespannen thuissituatie maken vrijwillige hulpverlening onvoldoende. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader met ingang van 28 maart 2026 voor een jaar verlengd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444732 / JE RK 26-214
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. R.T.A.G. Keller uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan een begeleider van de vader vanuit [hulpverlening 1] naar zorg, de heer [persoon 1] , en een ambulante hulpverlener van de moeder vanuit [hulpverlening 2] , mevrouw [persoon 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 maart 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 maart 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader tot 28 maart 2026.
2.4.
De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij de moeder. Op basis van de voorgenoemde machtiging tot uithuisplaatsing woont [minderjarige] bij zijn vader.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van een jaar.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt het volgende ten grondslag aan de verzoeken. Bij [minderjarige] is sprake van agressie-regulatieproblematiek, stemmingsproblemen en onverwerkte trauma’s. Naar omstandigheden gaat het goed met [minderjarige] . Er is een omzwaai in [minderjarige] ’s inzet op school ( [school] ) en er is een positieve gedragsverandering zichtbaar. [minderjarige] heeft hulpverlening vanuit [jeugdzorg] en sport sinds januari 2026 onder begeleiding van een sportcoach. Er is echter nog geen rust in de thuissituatie bij de vader. Bij de vader is sprake van agressie-regulatieproblematiek. De vader slikt medicatie daarvoor en ontvangt hulpverlening in de thuissituatie vanuit [hulpverlening 1] naar zorg. Door het belaste verleden en de (veel) betrokken hulpverlening heeft de vader geen vertrouwen in de hulpverlening en is het overzicht en de duidelijkheid weg bij de vader. Verder is er op verschillende gebieden nog strijd tussen de ouders en lukt het de ouders niet om met elkaar te communiceren. De vader ervaart nog veel onduidelijkheid en spanning en heeft geen vertrouwen in de moeder. De moeder lijkt de vader tegen te werken en niet in het belang van [minderjarige] te denken. De moeder diskwalificeert de vader als opvoeder, praat negatief over de vader richting [minderjarige] en maakt het de vader onnodig moeilijk om goed voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Gebleken is daarnaast dat het voor de moeder lastig is om afspraken na te komen. [minderjarige] zit klem tussen zijn ouders vanwege de vechtscheiding en wordt, met name door de moeder, belast met volwassenzaken. Door de ouders worden minimale stappen gezet.
Het traject parallel solo ouderschap is recent gestart vanuit de Gezinsmanager en er is ouderschapsbemiddeling ingezet. De GI acht het van belang om zicht te houden op het verloop van dit traject. Daarbij is het van belang dat er een ouderschapsplan wordt opgesteld. Het is niet duidelijk of de ouders voldoende leerbaar zijn en of zij in staat zijn zich aan te passen in de opvoeding/in het contact met [minderjarige] . Gelet op de leeftijd van [minderjarige] acht de GI het niet in het belang om een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen. De GI acht een psychodiagnostisch onderzoek noodzakelijk voor [minderjarige] om beter bij zijn wensen, draaglast en draagkracht te kunnen aansluiten. De GI acht tevens een IQ bepaling noodzakelijk, zodat er gekeken kan worden naar een passende vervolgopleiding na [school] . Er moet namelijk voorkomen worden dat [minderjarige] opnieuw stagneert op school. Vervolgens kan de GI in overleg met de ouders en [minderjarige] mogelijk passende (vervolg)hulpverlening inzetten. De GI acht hiervoor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar noodzakelijk.
4.2.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat hij niet veel merkt van de ondertoezichtstelling. [minderjarige] gaat naar de moeder toe wanneer hij dat wil, waarbij hij de moeder ongeveer één keer per week ziet. Hij wil verder geen vaste regeling met de moeder. Als de moeder zelf een woning heeft, wil hij misschien wel bij de moeder slapen. [minderjarige] heeft verteld dat het goed gaat, ook tussen zijn ouders onderling. [minderjarige] is dankbaar voor de hulp die hij heeft gekregen, maar een ondertoezichtstelling en een persoonlijkheidsonderzoek zijn verder niet nodig. Hij gaat elke dag naar [school] en bij de vader thuis gaat het goed. Wel hebben de vader en [minderjarige] wel eens ruzie met elkaar, waarbij zij schreeuwen tegen elkaar, maar dat komt omdat [minderjarige] en de vader op elkaar lijken.
4.3.
De moeder stemt niet in met de verzoeken van de GI. Er heeft in het afgelopen jaar geen vooruitgang plaatsgevonden. De moeder wordt weinig geïnformeerd over [minderjarige] . Ook ziet de moeder [minderjarige] niet elke week en komt hij soms zelfs een paar weken lang niet. Afgelopen weekend was [minderjarige] nog vergeten dat hij naar de moeder zou komen. Ook belt [minderjarige] de moeder vaak voor geld en kostte het veel moeite om een bankrekening te openen voor [minderjarige] . De moeder vraagt zich af hoe zij de situatie moet oplossen, als zelfs de Gezinsmanager de touwtjes niet bij elkaar krijgt. De zorgen die de moeder uit, worden weggewuifd. De moeder vindt dat er meer naar [minderjarige] gekeken moet worden, aangezien hij bijna elke dag blowt en hij geregeld sterke drank drinkt. Verder geeft de moeder aan dat [minderjarige] op dit moment niet bij de moeder kan wonen, omdat zij geen eigen woning heeft. Wel zou de moeder vóór september 2026 een eigen woning moeten hebben.
4.4.
De vader stemt in met de verzoeken van de GI. De afgelopen periode gaat het een stuk beter met [minderjarige] , onder andere thuis en op school. Er is echter nog steeds sprake van een fragiele dynamiek tussen de ouders en een wisselende opstelling van de moeder richting de vader. Dit zorgt voor veel onrust en spanningen. Het is belangrijk dat de GI betrokken blijft als buffer tussen de ouders en als regievoerder over de hulpverlening. De komende periode dienen er verdere positieve stappen te worden gezet. Vanuit de Gezinsmanager worden er hopelijk stappen gezet in het kader van de ouderschapsbemiddeling en worden er duidelijke afspraken gemaakt over hoe de ouders het ouderschap vorm moeten geven. Het lukt de ouders namelijk niet om afspraken te maken over [minderjarige] . Zonder de GI zal [minderjarige] meer last krijgen van de strijd tussen de ouders. Verder gaat het momenteel goed met [minderjarige] bij de vader en dient het verblijf van [minderjarige] bij de vader de komende tijd bestendigd te worden met een machtiging tot uithuisplaatsing.

5.De beoordeling

Verlenging van de ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Hoewel het momenteel naar omstandigheden goed gaat met [minderjarige] en er een positieve gedragsverandering zichtbaar is bij hem, is en blijft de situatie rondom zijn ontwikkeling kwetsbaar. Bij [minderjarige] is sprake van agressie- regulatie problematiek, stemmingsproblemen en onverwerkte trauma’s. Er is nog geen rust in de thuissituatie van de vader, omdat de vader veel onduidelijkheid en spanning ervaart. Daarnaast zit [minderjarige] klem tussen zijn beide ouders en is er nog steeds sprake van strijd tussen de ouders. Daarbij wordt [minderjarige] , met name door de moeder, belast met volwassenzaken. Ook praat de moeder negatief over de vader richting [minderjarige] . Verder is er nog onduidelijkheid over de contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] . Zo geeft [minderjarige] zelf aan dat hij wekelijks naar de moeder gaat, terwijl de moeder aangeeft dat dit niet het geval is.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het lukt de ouders niet om met elkaar te communiceren en er is op verschillende gebieden nog strijd tussen de ouders. De vader ervaart nog veel onduidelijkheid en spanning en heeft geen vertrouwen in de moeder. De moeder lijkt de vader tegen te werken en niet in het belang van [minderjarige] te denken. Daarbij diskwalificeert de moeder de vader als opvoeder. Daarnaast is het voor de moeder lastig om afspraken na te komen. De kinderrechter acht het van belang dat de huidige betrokken hulpverlening wordt voortgezet en de GI het verloop van deze hulpverlening in de gaten houdt. Zo is het de komende periode van belang dat de GI zicht houdt op het verloop van het traject parallel solo ouderschap, dat recent is gestart. Ook is het van belang dat [minderjarige] naar [school] blijft gaan en dat er gekeken wordt welke vervolgopleiding [minderjarige] eventueel zou kunnen volgen. Daarbij is het van belang dat er een psychodiagnostisch onderzoek en een IQ bepaling plaatsvindt bij [minderjarige] , zodat duidelijker wordt hoe er kan worden aangesloten bij de behoeften van [minderjarige] . Daarnaast dient er gekeken te worden hoe het contact tussen de moeder en [minderjarige] verder vorm kan worden gegeven.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.6.
[minderjarige] woont momenteel bij de vader, maar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] ligt formeel nog bij de moeder. Gelet op de situatie van de moeder is het op dit moment niet mogelijk voor [minderjarige] om bij de moeder te wonen. De moeder heeft namelijk geen eigen woning en er is ook nog geen concreet zicht op een eigen woning voor de moeder. De moeder ziet in dat het op dit moment niet mogelijk is voor [minderjarige] om bij haar te wonen. Om het verblijf van [minderjarige] bij de vader te bestendigen, is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De kinderrechter zal daarom ook de machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag (de vader) verlengen voor de duur van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat de GI betrokken blijft.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 maart 2026 tot 28 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 28 maart 2026 tot 28 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.