Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3155

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/441923 / JE RK 25-2018
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling vier keer per jaar met bijzondere curator en kindwens centraal

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (GI) tot vaststelling van een omgangsregeling tussen een minderjarige en haar vader. De minderjarige wenst geen contact met de vader vanwege trauma's, met name veroorzaakt door een uithuisplaatsing. Een bijzondere curator werd benoemd om de situatie te onderzoeken en te adviseren.

Tijdens een zitting met gesloten deuren werd de minderjarige gehoord en kwamen de standpunten van de ouders, de GI, de bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming aan bod. De bijzondere curator adviseerde rust voor de minderjarige en geen gedwongen omgang, gezien haar duidelijke en consistente wens geen contact te hebben. De vader stemde met pijn in het hart in met een beperkte omgangsregeling van vier keer per jaar.

De rechtbank oordeelde dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat haar stem gehoord moet worden. Daarom werd een omgangsregeling vastgesteld van vier keer per jaar, met het eerste contact onder begeleiding van de GI op een neutrale locatie. De GI monitort het contact en bepaalt de verdere invulling. De beslissing is direct uitvoerbaar en er wordt ingezet op rust, voortzetting van gesprekken met de schoolmaatschappelijk werker en mogelijke traumabehandeling. De vader wordt aangemoedigd om onbelaste kaartjes te sturen om het contact positief te ondersteunen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een omgangsregeling vast waarbij de minderjarige vier keer per jaar contact heeft met de vader onder begeleiding, met rustperiode en respect voor haar wensen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441923 / JE RK 25-2018
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over de wijziging van een omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. C.E. Koopmans uit Dordrecht,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A.J.C.W. Scholte-van de Ven uit Oss.
mr. E.M.G. VAN NUENEN
hierna te noemen de bijzondere curator,
gevestigd te Hilvarenbeek.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de kinderrechter over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van 30 januari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
  • de herstelbeschikking van de kinderrechter van 16 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van de bijzondere curator van 12 februari 2026 met bijlagen.
1.2.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • een tweetal vertegenwoordigers van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter zijn ook bij de zitting aanwezig geweest de heer [persoon 1] , de stiefvader van [minderjarige] en een begeleidster van de moeder van [hulpverlening] . Zij zijn niet gehoord.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij voormelde beschikking van 30 januari 2026 heeft de kinderrechter de beslissing op de verzoeken aangehouden tot de zitting van de kinderrechter van 24 februari 2026. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat er een bijzondere curator is benoemd om onderzoek te doen en om de kinderrechter daarover te rapporteren. De GI, de bijzondere curator, de ouders en hun advocaten en de Raad zijn opgeroepen om op de nadere zitting van 24 februari 2026 te verschijnen. [minderjarige] is opgeroepen voor een kindgesprek. De kinderrechter heeft zich iedere verdere beslissing voorbehouden.
2.2.
Bij (afzonderlijke) beschikking in de zaak met het kenmerk C/02/442309 / JE RK 25-2091, eveneens van 30 januari 2026, is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 23 januari 2026 tot 23 oktober 2026.

3.De aangehouden verzoeken

3.1.
Aan de orde zijn de volgende verzoeken.
3.2.
De GI verzoekt om een omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader, inhoudende dat [minderjarige] vier keer per jaar op de zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de vader verblijft, waarbij [minderjarige] om 10.00 uur zal worden opgehaald door de vader en zij om 16.00 uur zal worden opgehaald door de moeder of door de stiefvader. De GI verzoekt daarnaast om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De vader verzoekt:
I.
primair
om het verzoek van de GI af te wijzen;
II.
subsidiair
om een onderzoek te gelasten, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming adviseert over de frequentie en de vorm van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader, dat deze daarin tevens het mogelijke loyaliteitsconflict van [minderjarige] betrekt alsmede het verslag van de bijzondere curator, waarbij in de tussenliggende periode - om [minderjarige] rust te geven – de vader bereid is om de omgang tijdelijk te beperken tussen [minderjarige] en om hem primair conform het eerder gewezen vonnis d.d. 29 december 2023 van de kort geding rechter, zijnde éénmaal per twee weken op de zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij - in tegenstelling tot het kort geding vonnis – de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en de moeder [minderjarige] na afloop van de omgang weer ophaalt bij de vader, subsidiair tot éénmaal per maand op de zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en de moeder [minderjarige] na afloop van de omgang weer ophaalt bij de vader.
3.4.
De moeder verzoekt om de omgangsregeling te wijzigen conform het verzoek van de GI, althans om een omgangsregeling vast te stellen zoals door de kinderrechter in goede justitie te bepalen. Kosten rechtens.

4.De nadere beoordeling

Het rapport van de bijzondere curator
4.1.
Het rapport met bijlagen van de bijzondere curator is ontvangen op 12 februari 2026. Hierin komt samengevat naar voren dat het de uitdrukkelijke wens van [minderjarige] is dat zij geen omgang en helemaal geen contact meer wil met vader. De weerstand is alom aanwezig. [minderjarige] voelt zich niet prettig bij en niet begrepen door de vader en zij mist een echte vaderband met hem. De bijzondere curator stelt dat het erg belangrijk is dat er naar de wens van [minderjarige] wordt geluisterd. Op dit moment is [minderjarige] gebaat bij rust en daar hoort een verplichte omgangsregeling voor haar niet bij. Hoewel de bijzondere curator het verzoek van de GI begrijpt vanuit het oogpunt van het belang van [minderjarige] op de langere termijn, is dit niet de wens van [minderjarige] . De bijzondere curator refereert zich daarom aan het oordeel van de kinderrechter ten aanzien van het verzoek van de GI.
De nadere standpunten
4.2.
Tijdens de zitting heeft de bijzondere curator samengevat naar voren gebracht dat [minderjarige] duidelijk heeft aangegeven wat zij wel wil en wat niet. Ondanks uitleg aan [minderjarige] waarom contact met de vader belangrijk is, het benoemen van de leuke momenten bij de vader en hoe liefdevol hij over haar spreekt, is er op geen enkele manier een ingang bij [minderjarige] gevonden om toch het contact met de vader opnieuw te willen aangaan. De bijzondere curator heeft de indruk dat [minderjarige] behoorlijk is getraumatiseerd door ervaringen uit het verleden, met name door haar uithuisplaatsing. Zij had op dat moment bijna geen contact met de moeder en veel contact met de vader. Daar heeft [minderjarige] nog veel last van. [minderjarige] heeft nu de behoefte om haar grenzen aan te kunnen geven. De bijzondere curator meent dat [minderjarige] nu niet moet worden gedwongen om iets te doen wat zij niet wil. De verzochte regeling is eigenlijk te beperkt om een band tussen [minderjarige] en de vader op te kunnen bouwen, maar [minderjarige] kan niet opgroeien met te veel ballast. De grootste weerstand bij [minderjarige] nu is het gebrek aan aansluiting met de vader en het door de vader negatief spreken over de thuissituatie van de moeder. Het is de vraag of therapie nu effect heeft bij [minderjarige] . Er is al heel veel hulpverlening voor haar geweest. Een periode van rust lijkt nu passend voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft een goede band en kan goed praten met de schoolmaatschappelijk werker, [persoon 2] . Daarnaast kan er misschien nog een kinderbehartiger worden aangesteld, maar zolang [persoon 2] betrokken is, heeft [minderjarige] geen andere hulp nodig. [minderjarige] heeft uiteindelijk wel therapie nodig. De bijzondere curator steunt het advies van de Raad aan de vader om [minderjarige] af en toe een kaartje te sturen. Dat kan [minderjarige] het gevoel geven dat de vader er altijd voor haar is geweest en dat kan haar beeld van de vader positiever maken.
4.3.
Door en namens de vader is samengevat aangevoerd dat hij zich altijd heeft ingezet voor contact met [minderjarige] . Zij hebben voorheen altijd een goed contact gehad. [minderjarige] heeft ook altijd aangegeven dat zij graag naar de vader wilde. Sinds haar uithuisplaatsing is de mening van [minderjarige] echter veranderd. Hoewel de vader begrijpt dat de uithuisplaatsing traumatiserend is geweest voor [minderjarige] heeft zij zich in die periode kranig gedragen. De GI heeft destijds het contact tussen [minderjarige] en de moeder verminderd. De vader kan zich voorstellen dat [minderjarige] angst heeft voor een nieuwe uithuisplaatsing en dat die angst ingegeven wordt door contact met de vader. [minderjarige] zit volledig klem. Hij en de moeder kunnen het samen niet oplossen voor [minderjarige] . De vader ziet in dat de huidige situatie niet goed is voor [minderjarige] . Hij is best bereid om voorlopig even pas op de plaats te maken en wat minder contact te hebben met [minderjarige] , maar [minderjarige] lijkt een reden te zoeken om helemaal niet meer naar hem toe te willen. De vader weet niet meer wat hij kan doen om [minderjarige] een ander beeld van hem te geven. In zijn ogen kan alleen een ander beeld ontstaan als er fysiek contact is. Hoewel de vader zich de dupe voelt, is het [minderjarige] die de dupe is. Als dit de wens van [minderjarige] is, stemt de vader met pijn in het hart in met contact gedurende vier keer per jaar, in de hoop dat [minderjarige] ervaart dat dit heel weinig is. De ondertoezichtstelling was bedoeld voor een herstel van de contacten tussen [minderjarige] en de vader en voor het verbeteren van de oudercommunicatie. Van dat laatste is nooit iets gekomen omdat het nakomen van de omgangsregeling de eerste prioriteit was. De angst van de vader is ook of [minderjarige] het bij de moeder kan aankaarten als zij meer contact met de vader wil en of de moeder daarvoor haar emotionele toestemming kan geven. De ondertoezichtstelling gaat immers stoppen. De uithuisplaatsing is funest geweest voor de relatie tussen de vader en [minderjarige] . De vader ziet het liever anders, hij is ervan overtuigd dat [minderjarige] het fijn heeft bij hem. [minderjarige] is getraumatiseerd maar niemand doet er iets aan. Gelet op dit alles trekt de vader zijn subsidiaire verzoek in. De vraag is of een extra onderzoek door de Raad iets oplevert, naast het feit dat dit weer een belasting is voor betrokkenen. De vader gaat evenwel niet akkoord met het advies van de Raad tot een vaststelling van een contactregeling gedurende slechts twee keer per jaar. Dat is volgens hem echt te weinig.
4.4.
Van de kant van de moeder is gesteld dat zij instemt met het verzoek van de GI. Er is te weinig naar [minderjarige] geluisterd. [minderjarige] vertoonde steeds meer weerstand voor contact met de vader. Dat heeft de moeder voorgelegd bij de gezinscoach. Het kostte de moeder heel veel moeite om [minderjarige] naar de vader te laten gaan. [minderjarige] kreeg ook lichamelijke klachten. Zij heeft veel last voorafgaand aan en na afloop van het contact met de vader. [minderjarige] geeft nu heel duidelijk haar grenzen aan. Het is goed dat daarnaar gekeken wordt. Het is niet alleen de uithuisplaatsing die traumatiserend voor [minderjarige] is geweest. Ook het feit dat de vader niet goed bij [minderjarige] aansluit, veroorzaakt veel strubbelingen. Er is al veel gebeurd in het leven van [minderjarige] . Zij heeft al met heel veel hulpverleners gesproken en daar is zij een beetje klaar mee. De moeder merkt dat [minderjarige] wel baat heeft bij de gesprekken met [persoon 2] . Deze gesprekken kunnen daarom worden voortgezet. Het inzetten van een kindbehartiger is nu te veel voor [minderjarige] . De moeder hoopt dat er rust en extra hulp voor [minderjarige] kan komen. Het contact met de vader doet [minderjarige] nu meer kwaad dan goed. Met het creëren van rust en met het zetten van positieve stappen hoopt de moeder dat [minderjarige] op enig moment weer naar de vader wil en dat zij dat contact leuk vindt. De moeder zal [minderjarige] op dat moment daarvoor motiveren. De GI bekijkt welke stappen er nog gezet moeten worden. De moeder staat open voor die hulp.
4.5.
Namens de GI is te kennen gegeven dat er sprake is van een langlopende ondertoezichtstelling, gedurende welke er veel is gebeurd. [minderjarige] is nu tien jaar en kan zich beter uitdrukken. Het is niet altijd te achterhalen wat daaronder zit maar belangrijk is wel dat [minderjarige] serieus genomen wordt. Merkbaar is dat er binnen de ondertoezichtstelling niet veel meer bereikt kan worden. Er moet nu gekeken worden naar de behoeften van [minderjarige] en naar wat goed voor haar is. Zij geeft aan dat zij nu geen contact met de vader wil. Zij heeft behoefte aan rust en duidelijkheid. Van belang is dat de gesprekken met de schoolmaatschappelijk werker worden voortgezet. De rol van een kindbehartiger is niet anders en daarom niet nodig. Therapie voor [minderjarige] is wel noodzakelijk maar als er daarvoor bij haar nu geen ingang is dan werkt dat averechts. [minderjarige] moet eerst rust ervaren en hoe het is om minder contact met de vader te hebben. Zij heeft de afgelopen tijd met veel mensen gesproken. Vanuit daar wordt er gekeken naar hoe aan het contact met de vader kan worden vormgegeven en hoe [minderjarige] zich gaat ontwikkelen. Op het verbeteren van de oudercommunicatie is al veel ingezet. Het doel van het verzoek is om een basis in de contactregeling te creëren en om toe te werken naar het afsluiten van de maatregel van ondertoezichtstelling. Er moet worden gekeken naar wat er nog nodig is aan hulpverlening maar een ondertoezichtstelling wordt daarin niet meer noodzakelijk geacht. De periode tot aan de afloopdatum van de ondertoezichtstelling wordt nog benut en er zal een warme overdracht naar de hulpverlening in het vrijwillige kader plaatsvinden. De komende drie maanden zullen in het teken van rust staan. Belangrijk is dat [minderjarige] een meer positief beeld over de vader kan krijgen. Hoe meer druk zij ervaart hoe slechter dit voor haar is.
Het advies van de Raad
4.6.
Door de vertegenwoordiger van de Raad is aangegeven dat al jaren zichtbaar is dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] moeilijk verloopt. Daar hebben verschillende factoren aan bijgedragen. De omgang met de vader wordt door [minderjarige] niet als onbelast ervaren momenteel. Zij moet rekening houden met ieders emoties en kan dan niet ook met haar eigen emoties rekening houden. [minderjarige] heeft recht op contact met de vader maar zij moet daartoe niet worden gedwongen. Er kan pas contact plaatsvinden als [minderjarige] dat zelf wil, anders zal zij weerstand daarvoor voelen. De vertegenwoordiger van de Raad vraagt zich af een omgangsregeling gedurende viermaal per jaar niet te veel is. Een contactregeling gedurende tweemaal per jaar maakt dat [minderjarige] zelf een stukje regie heeft. Schoolmaatschappelijk werker [persoon 2] heeft een belangrijke rol als vertrouwenspersoon. Ook zij kan hulp bieden om het beeld van [minderjarige] van de vader bij te stellen. De raadsvertegenwoordiger stelt voor dat de vader kaartjes stuurt aan [minderjarige] . [minderjarige] hoeft deze niet direct te lezen maar deze kunnen bewaard worden voor een later moment zodat zij kan voelen dat de vader er altijd voor haar heeft willen zijn. De omgang kan onbegeleid plaatsvinden maar de regie daarvoor moet bij [minderjarige] liggen.
De overwegingen
4.7.
Op verzoek van de GI is bij beschikking van 19 december 2025 mr. Van Nuenen-Meulesteen benoemd tot bijzondere curator met het verzoek over de vragen, zoals geformuleerd in rechtsoverweging 3.7. van die beschikking, te rapporteren en te adviseren in onder meer de onderhavige zaak. Beide ouders hebben ingestemd met de benoeming van een bijzondere curator.
4.8.
In voormeld rapport en tijdens de zitting heeft de bijzondere curator haar bevindingen en advies toegelicht. Zij is hierin heel duidelijk; [minderjarige] voelt op dit moment echt geen ruimte om contact met de vader te hebben. [minderjarige] is daarin stellig en consistent. De kinderrechter constateert op grond van de stukken en de behandeling ter zitting dat meerdere betrokkenen rondom [minderjarige] hun zorgen uitspreken over dat, wanneer [minderjarige] gedwongen wordt tot contact met de vader, haar weerstand verder wordt vergroot, het haar dan niet meer lukt om onbelast contact met de man te hebben en dat de deur naar contact met de vader dan definitief door haar gesloten wordt. Dit is niet in het belang van [minderjarige] en moet worden voorkomen. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij geen band met de vader voelt en zij zich niet door hem begrepen wordt. Niet duidelijk is geworden wat de onderliggende redenen van haar sterke mening en beleving zijn. Wel zijn betrokkenen het erover eens dat [minderjarige] trauma’s heeft opgelopen, waarbij met name de laatste uithuisplaatsing een grote rol speelt. Gelet op deze complexe problematiek is de rechtbank van oordeel dat in deze casus zeer zorgvuldig met de ontstane situatie moet worden omgegaan. Hoewel over het algemeen de wil en de wens van minderjarigen belangrijk is, maar niet allesbepalend, brengt het belang van [minderjarige] hier mee dat haar stem wordt gehoord.
4.9.
Met inachtneming van het voorgaande is de kinderrechter met de GI van oordeel dat het creëren van rust voor [minderjarige] nu voorop staat. Een periode waarin zij geen contact heeft met de vader, de GI zich zoveel mogelijk op de achtergrond houdt en waarin [minderjarige] zich met het voortzetten van de gesprekken met [persoon 2] kan bezig houden met de dagelijkse dingen zoals school en ontspanning.
De kinderrechter acht het echter in het belang van de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] dat zij zich een eigen vaderbeeld moet kunnen vormen. Een belangrijk element daarbij is het hebben van een vorm van contact met de vader. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI toewijzen als na te melden. De vader en [minderjarige] zullen contact met elkaar hebben gedurende vier keer per jaar. Het eerste contact vindt plaats in de zomervakantie, onder de begeleiding van de GI en op een neutrale plek, te beleggen door de GI. De GI monitort hoe het contact verloopt en hoe [minderjarige] daarop reageert. Het tweede contact vindt plaats vóór de afloopdatum van de ondertoezichtstelling en zal opnieuw door de GI worden begeleid, tenzij de GI de begeleiding echt niet nodig acht.
Aan de hand van haar bevindingen kan de GI bepalen wanneer de volgende contacten (na de afsluiting van de ondertoezichtstelling) plaatsvinden, waarna dit advies wordt overgedragen naar de hulpverlening in het vrijwillige kader. De kinderrechter gaat ervan uit dat de stem van [minderjarige] hierin gehoord wordt. Mede aan de hand van het verloop van de contacten met de vader dient de GI te onderzoeken wat er nog aan hulpverlening voor [minderjarige] nodig is. De gesprekken met [persoon 2] lijken voor nu voldoende en fijn voor [minderjarige] . Er moet echter aandacht blijven bestaan voor de nodige traumabehandeling van [minderjarige] , liefst voordat zij de overstap maakt naar de middelbare school zodat deze situatie een positieve ontwikkeling op dat gebied niet in de weg staat. De GI kan eveneens nog de mogelijkheden verkennen voor het inzetten van hulpverlening voor het verbeteren van de oudercommunicatie. De kinderrechter vindt het verder van groot belang dat de vader probeert om regelmatig een onbelast kaartje aan [minderjarige] te sturen zodat [minderjarige] kan blijven voelen dat hij aan haar blijft denken. Het is aan de moeder om [minderjarige] op een ongedwongen manier te wijzen op die kaartjes en om haar te stimuleren deze te lezen. Ook hierin is van belang dat er naar [minderjarige] geluisterd wordt en wanneer zij aangeeft dat zij nog niet toe is aan het lezen van de kaartjes, de moeder deze bewaart voor een later moment. Daarnaast kan de GI als aandachtspunt meenemen dat de vader handvatten geboden kunnen worden om beter bij (de leeftijd van) [minderjarige] aan te sluiten zodat dit voor [minderjarige] een ingang kan geven om een betere band met de vader te ervaren. Dit zal naar de kinderrechter hoopt, het contact tussen de vader en [minderjarige] ten goede komen.
4.10.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
4.11.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.12.
Tijdens de zitting heeft de moeder desgevraagd aangegeven dat het helpend voor [minderjarige] kan zijn wanneer zij een brief van de kinderrechter ontvangt waarin haar de beslissing wordt uitgelegd. Deze uitleg wordt hierna opgenomen maar zal ook in een aparte brief aan [minderjarige] worden toegezonden.
“Beste [minderjarige] ,
Op 23 februari 2026 ben jij op de rechtbank geweest. Wij hebben toen een gesprek gehad over het contact met [de vader] .
Tijdens de zitting op 24 februari 2026 heb ik met mama en [de vader] gesproken. Mama heeft toen verteld dat jij graag een eigen brief wil ontvangen waarin staat wat ik heb besloten.
Ik heb goed geluisterd naar wat jij hebt verteld en wat er tijdens de zitting is gezegd. Daarover heb ik daarna goed nagedacht. Ik heb besloten dat jij nu even rust krijgt. Je hoeft dan voorlopig niet naar [de vader] . Op school kun je met [persoon 2] blijven praten. [persoon 3] kijkt af en toe mee om te zien hoe het met je gaat.
Ik vind het wel belangrijk dat jij [de vader] een paar keer per jaar ziet. Hoewel jij daar nu anders over denkt, wil [de vader] het beste voor jou en wil hij graag contact met jou. Nu hoeft dat nog even niet maar over een paar maanden, in de zomer zal dat worden gepland. Jullie kunnen dan bijvoorbeeld samen een ijsje gaat eten. Er zal dan iemand bij jullie zijn die kijkt hoe het gaat en die misschien wat tips aan jullie kan geven. Daarna zal er worden gekeken wanneer je [de vader] weer zult zien. Dit wordt ook met jou besproken.
Ik wil jou bedanken voor het fijne gesprek en ik wens je alle goeds.
Met vriendelijke groeten,
de kinderrechter“

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
bepaalt dat de vader en [minderjarige] recht hebben op omgang met elkaar gedurende viermaal per jaar en op de wijze zoals hiervoor in 4.9. is opgenomen;
5.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026, in aanwezigheid van Dekkers als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.