ECLI:NL:RBZWB:2026:3156

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/434864 FA RK 25-2216
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 lid 1 Brussel IIter-Verordening nr. 2019/1111Art. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 16 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 16 lid 3 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod contact vader met kinderen en vaststelling kinderalimentatie na mishandeling en verstoorde omgang

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de moeder om de omgangsregeling met de vader te schorsen en kinderalimentatie vast te stellen. De vader is sinds 2022 niet meer in contact geweest met de kinderen nadat hij de moeder en haar partner mishandelde. De moeder verzocht de omgang te ontzeggen vanwege het belang en de veiligheid van de kinderen.

De rechtbank oordeelde dat het gezag van rechtswege volgens Belgisch recht bij de vader ligt, maar dat het contact op dit moment schadelijk is voor de kinderen. De rechtbank verbiedt daarom het contact voor de duur van één jaar. Tevens stelt de rechtbank vast dat de vader de eerder gemaakte financiële afspraken niet nakomt en bepaalt dat hij €150 per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen vanaf 1 januari 2024.

De vader heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen bij de zitting. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het verzoek toe te wijzen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij rust krijgen om hun ervaringen te verwerken en dat contact alleen kan worden hervat als de vader op een veilige en constructieve wijze kan communiceren.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de vader contact met de kinderen voor één jaar en stelt kinderalimentatie vast van €150 per kind per maand vanaf 1 januari 2024.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/434864 FA RK 25-2216
18 maart 2026
beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.J. Nijssen uit Goes,
en
[de man],
zonder bekende woon- en/of verblijfplaats,
hierna te noemen de man.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland–West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 1 mei 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de publicatie in de Staatscourant van 10 december 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 26 januari 2026. Hierbij was de vrouw aanwezig, bijgestaan door haar advocaat en een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3 De man is, hoewel op de juiste manier opgeroepen, niet verschenen.
1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft een brief gestuurd en [minderjarige 2] heeft een gesprek gevoerd met de kinderrechter.

2.De feiten

2.1
De man en de vrouw hebben een relatie gehad.
2.2.
Uit deze relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] , België, op [geboortedag 2] 2016.
2.3.
De man heeft de kinderen erkend.
2.4.
Na het beëindigen van hun relatie hebben partijen samen een ouderschapsplan opgesteld. Dit is door hen ondertekend op 23 augustus 2018. In dit ouderschapsplan hebben zij onder andere afgesproken dat de kinderen een weekend in de 14 dagen van vrijdagavond tot zondagmiddag bij de man verblijven en ook de helft van de schoolvakanties. Deze verdeling is vastgelegd in bijlage 1 bij het ouderschapsplan. Partijen hebben in het ouderschapsplan geen afspraken gemaakt over de kinderalimentatie.
2.5.
Aanvullend op het ouderschapsplan hebben partijen op 28 januari 2019 een afspraak gemaakt over de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen. Zij hebben toen afgesproken dat de man geen geldbedrag aan de vrouw zal betalen, maar dat hij, waar hij kan, zal bijdragen in de volgende kosten:
  • Schoolkosten;
  • Kleding-schoenen ect;
  • Medicatie;
  • Vervoerskosten van wisseling;
  • Verjaardagsfeestjes.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de tussen de man en de vrouw overeengekomen zorgregeling te schorsen voor de duur van 1 jaar nu de huidige zorgregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen wordt geacht en er eerst rust moet komen, dan wel een beslissing te nemen als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
2. te bepalen dat de man steeds maandelijks en bij vooruitbetaling aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 150,-- per kind per maand, zulks met ingang van 1 januari 2024, dan wel een beslissing te geven op zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
De man heeft geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter. Dat betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op de verzoeken en, wanneer dat zo is, welk recht daarop van toepassing is.
Zorgregeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel Pro IIter- Verordening , nr. 2019/1111 zijn in zaken die de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffen, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het onderhavige verzoek.
4.3.
Op grond van artikel 15 lid 1 van Pro het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, hierna: HKBV) is het Nederlandse recht op het verzoek van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De vrouw heeft verzocht de overeengekomen zorgregeling te schorsen voor de duur van 1 jaar. Tijdens de zitting heeft zij verduidelijkt dat ze daarmee bedoelt te verzoeken de man te verbieden om contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te hebben voor de duur van één jaar.
4.5.
De internationale kenmerken van deze zaak maken dat eerst beoordeeld moet worden wie van rechtswege het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft. Of partijen dit gezamenlijk hebben of de vrouw alleen, bepaalt namelijk de juridische grondslag voor het verzoek van de vrouw om de man het contact/de omgang te ontzeggen.
Heeft de man het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
4.6.
Uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting, stelt de rechtbank het volgende vast. De man heeft [minderjarige 1] voor haar geboorte, namelijk op 24 april 2014, erkend. Partijen zijn direct na de geboorte van [minderjarige 1] in mei 2014 samen met haar naar België verhuisd. Terwijl ze samen met [minderjarige 1] in België woonden is [minderjarige 2] geboren. Ook [minderjarige 2] is voor zijn geboorte, namelijk op 27 april 2016, door de man erkend. Partijen hebben tot het einde van hun relatie samen met de kinderen in België gewoond. De vrouw is vervolgens in juni 2018, na het verbreken van de relatie, samen met de kinderen in Nederland gaan wonen.
4.7.
De vraag welke recht van toepassing is op het van rechtswege verkrijging van gezag wordt, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren na 1 mei 2011, bepaald door het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Artikel 16 lid 1 HKBV Pro 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid (oftewel: gezag), zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind.
4.8.
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na hun geboorte in België was, moet de vraag of de man van rechtswege is belast met het ouderlijk gezag over hen, in eerste instantie beoordeeld worden naar Belgisch recht. Op grond van artikel 1:373 Belgisch Pro Burgerlijk Wetboek is de man door de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van rechtswege met het gezag over hen belast.
4.9.
Op grond van artikel 16 lid 3 HKV Pro 1996 blijft de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. De latere verplaatsing van de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar Nederland heeft dan ook geen gevolgen (gehad) voor het gezamenlijk gezag van partijen over hen.
Wijziging zorgregeling en verbod contact
Grondslag
4.10.
In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
4.11.
Uit artikel 1:253a lid 4 BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is wat de wijziging van de zorgregeling betreft. Op grond van dat artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing over de omgang of een door de ouders onderling getroffen regeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
4.12.
In artikel 1:253a lid 2 BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van lid 2 van dit artikel kan deze regeling een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten en ook, met overeenkomstige toepassing van artikel 377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben. De rechtbank ontzegt dit contact op grond van lid 3 alleen als:
- omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind (sub a);
- de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind (sub b);
- het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil (sub c);
- er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind (sub d).
Wijziging van omstandigheden
4.13.
Op basis van de stellingen van de vrouw stelt de rechtbank vast dat er sinds 2022 geen fysiek contact meer is geweest tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De man heeft in 2022, in aanwezigheid van [minderjarige 2] , de vrouw en haar toenmalige partner mishandeld. De vrouw heeft de contacten tussen de kinderen en de man zoals afgesproken in het kader van de zorgregeling daarop gestopt, omdat de kinderen niet meer naar de man toe wilden.
4.14.
Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vader al sinds 2022 niet meer hebben gezien, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Hierdoor is de vrouw ontvankelijk in haar verzoek.
Ontzegging contact
4.15.
De vrouw verzoekt de man te verbieden om contact te hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat contact tussen de man en de kinderen in niet in hun belang is (sub d). Als reden voor haar verzoek voert ze het volgende aan. De vrouw heeft lang getwijfeld of ze dit verzoek moest indienen want ze wil het goede in de man zien. Ze heeft dit uiteindelijk toch gedaan, ook op advies van hulpverlening, omdat ze de man vóór wil zijn in het geval hij zijn recht op contact met de kinderen weer wil uitoefenen. De man heeft, na enkele jaren uit het leven van de kinderen te zijn geweest, vier maanden geleden contact opgenomen met de vrouw met het verzoek om te praten omdat hij de kinderen wilde zien. De vrouw heeft zelf niet op dit verzoek gereageerd, maar haar advocaat heeft wel contact met hem opgenomen. Daar heeft de man echter niet op gereageerd.
De man moet zich realiseren dat de manier waarop hij zich gedraagt, effect heeft op de kinderen. Als er normaal contact mogelijk was, zou de vrouw de laatste zijn om dit tegen te houden, maar sinds de (inmiddels ook ex-)partner van de man buiten beeld is, is het bergafwaarts gegaan. Daarvoor verliep het contact tussen de man en de kinderen al niet prettig, omdat de man weinig aandacht besteedde aan de kinderen als ze bij hem waren en de zorg voor de kinderen vooral aan zijn toenmalige partner overliet. Hij ging dan zelf werken. Ook zijn de kinderen getuige geweest van ruzies tussen de man en zijn toenmalig partner. De politie is daarbij betrokken geweest en de kinderen waren daardoor erg van slag. Het dieptepunt was echter dat een van de kinderen getuige was van de mishandeling van de vrouw en haar toenmalige partner door de man. De vrouw heeft het contact tussen de man en de kinderen hierop stopgezet, omdat de kinderen dat niet meer wilden. De man is haar in verband daarmee gaan bedreigen. Dit heeft de vrouw doen besluiten om ook het contact met hem te verbreken en ze heeft de man gezegd dat ze alleen nog via haar advocaat met hem zou communiceren. Ze heeft daarnaast aangifte gedaan van de mishandeling en meldingen gemaakt van de bedreigingen. De politie heeft daarop een veiligheidsmelding op haar adres geplaatst en die is er nog steeds. De vrouw wil rust en zodra de man op een fatsoenlijke manier met de vrouw kan communiceren, wil ze weer contact tussen de man en de kinderen toestaan/mogelijk maken. Dit moet dan wel onbelast zijn voor de kinderen, want de kinderen hebben nog altijd last van wat er in het verleden is voorgevallen. [minderjarige 1] heeft een hulpverleningstraject doorlopen om wat er gebeurd is een plek te geven. [minderjarige 2] heeft nog steeds begeleiding omdat hij hulp nodig heeft bij zijn emotieregulatie. Dit heeft ook te maken met zijn kindeigen problematiek. Daarnaast heeft de vrouw zelf ook gesprekken, bij dezelfde hulpverlener als [minderjarige 2] .
4.16.
De Raad adviseert het verzoek van de vrouw toe te wijzen, omdat dit het beste is voor de kinderen. Het verhaal van de vrouw is helder en daaruit blijkt ook dat zij er alles aan doet en heeft gedaan om het contact tussen vader en de kinderen zo vrij mogelijk te maken. De Raad maakt zich wel zorgen over wat de man gaat doen als de rechtbank beslist dat hij geen recht meer heeft op contact. Dit zou een trigger voor de man kunnen zijn en daarop moet geanticipeerd worden omwille van de veiligheid van de vrouw en de kinderen.
4.17.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en overweegt hierbij als volgt. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid contact (omgang) tussen een ouder en de kinderen geacht wordt in het belang van de kinderen te zijn. Het ontzeggen van het recht van een ouder op het hebben van contact met zijn kinderen is zeer ingrijpend en kan bovendien schadelijk zijn voor de kinderen. Hier mag dus niet lichtzinnig toe overgegaan worden.
4.18.
De rechtbank sluit zich aan bij de visie van de Raad, en is van oordeel dat contact tussen de man en de kinderen op dit moment niet in het belang van de kinderen is. De kinderen zijn kwetsbaar door wat ze hebben meegemaakt. De man zal daarom eerst moeten aantonen dat hij in staat is om op een constructieve manier (met de vrouw of haar advocaat of betrokken hulpverlener) te communiceren en dat hij op een voor de vrouw en kinderen veilige en verantwoorde wijze invulling kan geven aan contact, voordat het contact tussen hem en de kinderen kan worden hervat. Bij de huidige stand van zaken heeft de rechtbank ernstige zorgen over de veiligheid van de vrouw en de kinderen. Het had op de weg van de man gelegen om te laten zien dat hij zich daadwerkelijk wil inspannen om te komen tot contactherstel door, op verzoek van de vrouw, in overleg te gaan met haar advocaat. Dit heeft hij niet gedaan. Daarbij komt dat het, nu de man geen verweer heeft gevoerd en niet naar de zitting is gekomen, niet duidelijk is waar de man verblijft en hoe zijn (leef)omstandigheden eruit zien. Het is daardoor onduidelijk voor de rechtbank of de man op dit moment een verantwoorde, veilige en duurzame rol zal kunnen spelen in het leven van zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De man heeft dit in de afgelopen jaren niet kunnen bieden aan de kinderen en niet gebleken is dat de man daartoe nu wel in staat en bereid is. Voor de kinderen is het belangrijk dat zij gevrijwaard zijn van de dreiging dat de man opeens in hun leven opduikt en contact opeist. Zij hebben recht op rust en duidelijkheid, zodat zij met behulp van de hulpverlening hun ervaringen uit het verleden kunnen gaan verwerken. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat iedere vorm van contact tussen de man en de kinderen in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen. Dit maakt dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal toewijzen en de man het recht om contact te hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een jaar zal verbieden.
Kinderalimentatie
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.19.
Omdat de onderhoudsgerechtigden in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek (artikel 3 onder Pro b Alimentatie Verordening, nr. 4/2009).
4.20.
Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing, omdat de onderhoudsgerechtigden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 15 Alimentatie Pro Verordening jo. artikel 3 Haags Pro Alimentatie Protocol 2007).t
Inhoudelijk beoordeling
4.21.
Partijen hebben op 28 januari 2019, in aanvulling op het door hem opgestelde ouderschapsplan, een afspraak gemaakt over de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen. Partijen zijn hierbij geen bedrag aan kinderalimentatie overeengekomen, maar hebben afgesproken dat de man, waar hij kan, zou bijdragen in de hiervoor onder rechtsoverweging 2.5 genoemde kosten. De vrouw wenst deze afspraak te wijzigen omdat de man deze afspraak niet (meer) nakomt. Ze verzoekt in de plaats daarvan vast te stellen dat de man haar een kinderbijdrage moet betalen.
4.22.
De rechtbank past, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.6.2 van de uitspraak van de Hoge Raad van 22 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1718), artikel 1:253a BW toe bij de beoordeling van dit verzoek. Dit artikel houdt in dat geschillen tussen ouders over de uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de kosten van verzorging en opvoeding, kunnen worden voorgelegd aan de rechtbank. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.23.
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man de door hen gemaakte afspraak over de kosten van de kinderen niet meer nakomt en dat zij op dit moment alleen alle kosten voor de kinderen draagt. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de in aanvulling op het ouderschapsplan gemaakte afspraak niet langer in het belang van de kinderen is, zodat de rechtbank beslist dat deze afspraak niet langer geldt. Als gevolg hiervan zal de rechtbank in deze beschikking bepalen of de man een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen en zo ja, welk bedrag dat is.
4.24.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man haar € 150,- per kind per maand moet betalen met ingang van 1 januari 2024. Zowel zij als haar advocaat hebben de man verzocht financiële gegevens te overleggen zodat ze de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man kon berekenen, maar de man heeft niet op deze verzoeken gereageerd. De vrouw heeft daarop geschat dat de man in staat moet zijn om haar € 150,- per kind per maand te bepalen met ingang van 1 januari 2024. Ze acht dit bedrag redelijk en de man heeft dit niet betwist.
4.25.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de door de vrouw verzochte bijdrage van € 150,- per kind per maand in strijd is met de wettelijke maatstaven. Omdat de man geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de vrouw, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijzigt bijlage 1 van het door partijen overeengekomen ouderschapsplan van
23 augustus 2018 en verbiedt de man met onmiddellijke ingang contact te hebben met:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014 en
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] , België, op [geboortedag 2] 2016;
voor de duur van één jaar;
5.2.
bepaalt dat de door partijen op 28 januari 2019 gemaakte financiële afspraken over de kosten van voornoemde minderjarigen met ingang van 1 januari 2024 komen te vervallen, en dat de man met ingang van 1 januari 2024 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van € 150,- per kind per maand;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Krocké, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.