Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3159

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/445857 / JE RK 26-402
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JeugdwetArt. 6.1.4 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor kwetsbare minderjarige met ernstige opvoedproblemen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 maart 2026 een beschikking gegeven over een verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige geboren in 2009 in Syrië. De minderjarige verblijft sinds december 2025 in een gesloten accommodatie en het college verzoekt verlenging van de machtiging voor zes maanden, met het oog op zijn kwetsbare situatie en de noodzaak om terugval te voorkomen.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werd de minderjarige gehoord, evenals zijn vader en vertegenwoordigers van het college. De minderjarige stemt in met de machtiging, maar had een andere verwachting over de duur. De vader ondersteunt het verzoek en uit zorgen over het langdurig ontbreken van schoolbezoek en wisselende verblijfplaatsen.

De kinderrechter weegt de ernst van de opvoed- en opgroeiproblematiek, de positieve stappen die de minderjarige heeft gezet, en het hulpverleningsplan waarin voorwaarden en begeleiding zijn vastgelegd. Gezien de kwetsbaarheid en de noodzaak van een stabiele omgeving wordt de machtiging voor zes maanden toegekend, met duidelijke voorwaarden en de mogelijkheid tot zelfstandigheidstraining. De beslissing is openbaar uitgesproken en schriftelijk vastgelegd, met mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor zes maanden aan de minderjarige onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445857 / JE RK 26-402
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE TILBRUG, hierna te noemen: het college,
zetelende te Tilburg ,
over de minderjarige:
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Syrië),
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. P.H. Hillen uit Tilburg .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 maart 2026;
  • het bericht van het college van 16 maart 2026 inhoudende het hulpverleningsplan en de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • [minderjarige] , die eerst apart is gehoord, met zijn advocaat;
  • de vader met een tolk in de Syrisch Arabische taal;
  • twee vertegenwoordiger van het college;
  • een vertegenwoordiger van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk .
1.3.
De advocaat van [minderjarige] is telefonisch aangesloten bij de zitting.
Hoewel de moeder correct is opgeroepen, is zij niet bij de zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 december 2025 een machtiging gesloten jeugdhulp verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen met ingang van 23 december 2025 tot 23 maart 2026. Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie 1] in [plaats 1] .

3.Het verzoek

3.1.
Het college verzoekt een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes maanden, dit met ingang van 23 maart 2026.
3.2.
De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 12 maart 2026 de voorwaarden opgenomen en de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [minderjarige] op te nemen. Ook is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname.

4.Het standpunt van het college

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert het college, samengevat, het volgende aan. Uit wat [minderjarige] op de zitting heeft gezegd blijkt dat er bij hem onduidelijkheid bestaat over de duur van het verzoek. Er is sprake van een miscommunicatie. Wellicht dat deze miscommunicatie is ontstaan, omdat er eerder is gesproken over de verlenging van de gesloten plaatsing met drie maanden. Omdat nu een voorwaardelijke machtiging wordt verzocht is er gekozen voor een periode van zes maanden. Het college en de betrokken hulpverlening zijn van mening dat de voorwaardelijke machtiging voor zes maanden noodzakelijk is. [minderjarige] is een kwetsbare jongen. Het college wil zoveel als mogelijk de risico’s op een terugval beperken. In eerste instantie wilde het college, voordat de huidige gesloten machtiging werd verleend, een voorwaardelijke machtiging verzoeken, maar [minderjarige] wilde toen niet meewerken. Daarom is toen een gesloten machtiging verzocht. Vanuit de open setting kan worden ingezet op een zelfstandigheidstraining. In het komende half jaar moet [minderjarige] zijn leerstraf afronden. Er is contact geweest met een school voor [minderjarige] . Met dit alles in het achterhoofd vindt het college een periode van drie maanden te kort. Er is voor [minderjarige] per 23 maart 2026 een open plek beschikbaar bij het [accommodatie 2] in [plaats 2] . Mocht de kinderrechter van oordeel zijn dat een duur van zes maanden te lang is, dan verzoekt het de machtiging voor drie maanden toe te wijzen en het overige deel aan te houden.

5.De standpunten van belanghebbende

5.1.
[minderjarige] vertelt de kinderrechter, samengevat, dat hij het eens is met de voorwaardelijke machtiging, maar niet met de duur. Hij dacht dat het voor drie maanden zou zijn en niet voor zes maanden. Hij verzoekt rekening te houden met het feit dat de schoolvakantie in de periode van zes maanden zou vallen. [minderjarige] vindt de voorwaarden prima en kan zich daar aan houden. Het gaat met hem prima bij [accommodatie 1] in [plaats 1] . Hij wil graag een zelfstandigheidstraining volgen, zodat hij zelfstandig kan gaan verblijven bij het [accommodatie 2] in [plaats 2] .
5.2.
Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat het verzoek eerst onduidelijk was, maar dat hij het nu begrijpt. Hij kan zich vinden in het verzoek, ook voor de duur. De vader maakt zich zorgen over het feit dat [minderjarige] twee jaar niet naar school is geweest en dat hij vaak van verblijfplaats is gewisseld.

6.De beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.4, lid 1, van de Jeugdwet kan de kinderrechter op verzoek een voorwaardelijke machtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 6.1.2, lid 3, van de Jeugdwet in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
6.2.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.4, lid 2, van de Jeugdwet kan een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de accommodatie worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Daarnaast dient er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
De kinderrechter zal de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp in het belang van [minderjarige] verlenen voor de verzochte periode van zes maanden. Hij overweegt daartoe als volgt. Uit de onderbouwing van het verzoek en de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper, als bedoeld in artikel 6.1.4, lid 3, van de Jeugdwet, blijkt dat er nog steeds zorgen om [minderjarige] zijn, maar dat hem de kans wordt geboden zich verder te ontwikkelen op een open groep van het [accommodatie 2] in [plaats 2] . [minderjarige] ontwikkelt zich goed op de gesloten groep in [plaats 1] , staat in goed contact met groepsgenoten en begeleiders en toont motivatie. Per 23 maart 2026 kan hij bij het [accommodatie 2] worden geplaatst.
6.4.
Hoewel [minderjarige] positieve stappen zet, is zijn situatie nog steeds kwetsbaar. Er blijft sprake van ernstige opvoed- en opgroeiproblematiek. Hij is een kwetsbare jongen die beïnvloedbaar is, moeite heeft met het nemen van de regie en soms nog moeite heeft om zich aan afspraken te houden. Vooral dit laatste is zorgelijk, gelet op zijn drugsgebruik. Hij heeft geen goed zelfbeeld en wil graag alles goed doen. [minderjarige] heeft ondersteuning nodig bij zijn sociaal-emotioneel ontwikkeling. Er moet het komende half jaar nog een hoop gebeuren, waaronder het afronden van de leerstraf vanwege een strafrechtelijke veroordeling.
6.5.
Vanuit het [accommodatie 2] kan [minderjarige] starten met school, waardoor hij weer een dagstructuur heeft. Ook is er ingezet op het versterken van de contactmomenten met de ouders. Dit alles in combinatie met de begeleiding, de ondersteuning en behandeling is een minder ingrijpende maatregel dan een nieuwe gesloten opname. Het is nu aan [minderjarige] om te laten zien dat hij in staat is zich aan de voorwaarden te houden en om van de geboden hulp te profiteren. De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] de voorwaardelijke machtiging niet als een last ziet, maar als ondersteuning om zijn positieve ontwikkeling voort te [plaats 1] . De voorwaardelijke machtiging kan hem de stabiliteit bieden die daarvoor nodig is. Het is belangrijk dat vanuit de open groep ook wordt ingezet op een vorm van zelfstandigheidstraining. De kinderrechter merkt op dat het mede aan het [accommodatie 2] is om een adequate invulling te geven van de dagbesteding van [minderjarige] , ook tijdens de zomervakantie 2026.
6.6.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het plan van aanpak van 12 maart 2026 (hulpverleningsplan) waarin de volgende voorwaarden zijn opgesteld:
Wanneer ik bij [accommodatie 2] verblijf houd ik mij aan de gestelde groepsafspraken en persoonlijke afschrapen zoals beschreven in mijn behandelplan;
Wanneer ik bij mijn ouders op bezoek ben houd ik mij aan de afspraken zoals opgesteld in het verlofplan;
Ik verzorg een passende daginvulling en werk actief mee aan een goede toekomst voor mijzelf;
Behandeling volgen en afmaken. Onderdeel daarvan is toe werken aan volledige stop drugsgebruik en behandeling gericht op trauma’s en gemoedstoestand.
6.7.
Voormelde voorwaarden acht de kinderrechter duidelijk en realistisch. De bedoeling is dat [minderjarige] vanuit het [accommodatie 2] gaat werken aan het realiseren van de afspraken, zoals opgenomen in het hulpverleningsplan. In het plan van aanpak is de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [minderjarige] op te nemen en is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname. [minderjarige] heeft dit plan ondertekend, waaruit volgt dat hij hiermee instemt. Op zitting heeft [minderjarige] dit bevestigd. Ook de ouders hebben dit plan ondertekend.
6.8.
De kinderrechter heeft, zoals uit het voorgaande al blijkt, kennisgenomen van de instemmende verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper. Hij heeft ook de instemmingsverklaring van beide ouders gezien.
6.9.
De kinderrechter volgt het college in zijn standpunt dat een periode van zes maanden, gelet op de problematiek van [minderjarige] en zijn geschiedenis, passend is. Deze periode is immers nodig om [minderjarige] goed te kunnen volgen en ook om hem te behoeden voor een terugval.
6.10.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 23 maart 2026 tot 23 september 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.