Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3160

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/443629 / JE RK 26-4
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met perspectiefbepaling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van een machtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige, die sinds eind januari 2026 in een gesloten accommodatie verblijft. De minderjarige heeft positieve stappen gezet, zoals werk, dagbesteding en gitaarles, maar ervaart de huidige gesloten setting als belastend en uitzichtloos vanwege incidenten en gebrek aan vaste begeleiders.

De GI benadrukt de noodzaak van voortzetting van de gesloten jeugdhulp tot 29 april 2026, mede vanwege het ontbreken van een passende vervolgplek en de complexiteit van de onderzoeksresultaten. De minderjarige en haar advocaat pleiten voor een plaatsing bij de vader als overbrugging, wat door de GI en vader wordt besproken maar voorlopig niet haalbaar wordt geacht vanwege zorgen over het gezin.

De kinderrechter overweegt dat gesloten jeugdhulp een ultimum remedium is en dat de gronden voor verlenging afnemen, maar wijst het verzoek toch toe om te voorkomen dat de minderjarige per 29 maart 2026 zonder verblijfplaats komt. Er wordt nadrukkelijk gesteld dat binnen de termijn tot 29 april 2026 duidelijkheid moet komen over een passende perspectiefbiedende plek, waarbij de begeleiding wordt opgeschaald en de positieve ontwikkelingen worden voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank wijst het resterende verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp toe tot 29 april 2026 met de verplichting tot het vinden van een passende perspectiefbiedende plek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443629 / JE RK 26-4
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet uit Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[minderjarige], voornoemd,
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Duitsland,
[minderjarige],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg uit Breda.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van 28 januari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
  • de (stand van zaken) brief van de GI van 6 maart 2026.
1.2.
Op 12 maart 2026 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting ook apart is gehoord, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De moeder is, hoewel correct opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.De nadere feiten

2.1.
Bij voormelde beschikking van 28 januari 2026 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van
29 januari 2026 tot 29 maart 2026. Het verzoek van de GI is voor het overige aangehouden tot aan de onderhavige zitting.
2.2.
[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging op de gesloten [behandelgroep 1] van [accommodatie] in [plaats 1] .
2.3.
[minderjarige] is onder toezicht van de GI gesteld. De geldigheidsduur van de huidige ondertoezichtstelling loopt tot 29 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
Ter beoordeling ligt voor het resterende deel van het verzoek van de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de periode van
29 maart 2026 tot 29 april 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft, onder verwijzing naar en in aanvulling op haar (stand van zaken) brief van 6 maart 2026, samengevat aangevoerd dat [minderjarige] de afgelopen weken heel hard heeft gewerkt. Daarbij is gebleken dat de één-op-één begeleiding die aan [minderjarige] is geboden, waarbij het aantal begeleidingsuren is verminderd, maar de begeleiding is geïntensiveerd, zijn vruchten heeft afgeworpen. Zo heeft [minderjarige] werk gevonden bij de [winkel] , is [minderjarige] aangenomen bij [dagbesteding] voor dagbesteding voor (vooralsnog) drie dagen per week en is [minderjarige] gestart met gitaarles één keer per week. Daarnaast is het PO naar [minderjarige] afgerond. Gebleken is van extreme discrepanties. Zo is er een aanzienlijk verschil tussen het totaal IQ van [minderjarige] en haar executieve functies. Omdat [accommodatie] onvoldoende in staat is om de onderzoeksresultaten te duiden, is de hulp en expertise van SDW vanuit de VG sector ingeschakeld om een goed en volledig advies op basis van de onderzoeksresultaten te kunnen geven. Daarnaast zal ook het CCE worden gevraagd om mee te denken wat de onderzoeksresultaten betekenen voor het perspectief van [minderjarige] . Er is kort onderzoek gedaan naar een plaatsing van [minderjarige] bij [organisatie] , zoals voorgesteld door de advocaat van [minderjarige] tijdens de vorige zitting. Nog los van de omstandigheid dat [organisatie] , voor zover de GI bekend, enkel locaties tot begeleid wonen heeft in (de omgeving van) [plaats 2] en niet in [plaats 3] , is gebleken dat voor een plaatsing bij [organisatie] een WLZ-indicatie nodig is, die op basis van de recente onderzoeksresultaten niet zal worden afgegeven. [minderjarige] raakt hierdoor bij veel instanties tussen wal en schip, hetgeen de GI zeer betreurt. Belangrijk is dat [minderjarige] perspectief wordt geboden dat tot op heden ontbreekt. De GI spreekt de hoop uit dat snel meer duidelijkheid gaat komen over de voorliggende onderzoeksresultaten zodat vervolgstappen gezet kunnen worden. Ondertussen is het belangrijk dat [minderjarige] de huidige positieve lijn weet vol te houden, waarbij zij haar werk bij de [winkel] , de dagbesteding bij [dagbesteding] en haar wekelijkse gitaarles behoudt. Dit vergroot namelijk haar kansen op een vervolgplek. Een voortzetting van [minderjarige] op de huidige [behandelgroep 1] van [accommodatie] wordt in haar belang geacht. Binnen deze groep wordt [minderjarige] de structuur en kaders geboden die zij nodig heeft om tot ontwikkeling te komen. Een overstap van [minderjarige] binnen [accommodatie] naar de (gemixte) behandelgroep [behandelgroep 2] is door twee gedragsdeskundigen van [accommodatie] serieus bekeken, maar besloten is om daartoe niet over te gaan omdat een wisseling van groepsmedewerkers [minderjarige] zal ontregelen. Daarnaast past [minderjarige] niet in de samenstelling van de huidige groep jongeren die op de behandelgroep [behandelgroep 2] verblijven. Een plaatsing van [minderjarige] bij de vader, al dan niet ter overbrugging, vindt de GI nog altijd niet in het belang van [minderjarige] omdat de (opvoed)situatie van de vader niet aansluit bij wat [minderjarige] nodig heeft en de huidige positieve ontwikkeling zeer waarschijnlijk teniet zal doen.
4.2.
[minderjarige] heeft, samengevat, aangegeven dat zij per direct weg wil bij [accommodatie] omdat zij zich daar niet langer fijn en prettig voelt. Zij wordt continu geconfronteerd met zeer extreem gedrag van jongeren die binnen [accommodatie] verblijven. Laatst is het pand waar zij verblijft bijna in brand gevlogen doordat een jongere een batterij in de magnetron had gedaan. Dit veroorzaakt niet alleen onrust, maar leidt er ook toe dat haar vrijheden worden ingeperkt omdat alle jongeren na een dergelijk incident voor langere tijd op hun kamer moeten verblijven. Daarnaast heeft [minderjarige] er last van dat er nagenoeg geen vaste begeleiders op haar groep werkzaam zijn. Hierdoor bestaat er regelmatig onduidelijkheid over afspraken die met haar zijn gemaakt, zoals bijvoorbeeld over het mogen meenemen van haar telefoon en sigaretten naar haar werk bij de [winkel] . Ook verdraagt [minderjarige] het niet langer dat er nog steeds geen duidelijkheid bestaat over een voor haar passende vervolgplek. De huidige situatie, waarbij deuren steeds gesloten blijven, voelt voor [minderjarige] uitzichtloos. Nu een overplaatsing naar de behandelgroep [behandelgroep 2] volgens [accommodatie] en de GI evenmin tot de mogelijkheden behoort, ziet [minderjarige] een plaatsing bij haar vader ter overbrugging naar een vervolgplek als enige uitweg. Dit is te realiseren binnen het kader van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, waaraan [minderjarige] haar volledige medewerking zal verlenen. Werk, dagbesteding en gitaarles zijn in (de buurt van) [woonplaats] te regelen.
4.3.
Door de advocaat van [minderjarige] is, samengevat, aangevoerd, dat zij de huidige situatie, waarbij [minderjarige] nog steeds geen perspectief heeft en zij het niet langer lijkt vol te kunnen houden binnen de [behandelgroep 1] behandelgroep van [accommodatie] , zeer schrijnend vindt. [minderjarige] heeft haar de afgelopen weken meerdere malen huilend opgebeld. De advocaat vreest voor het welzijn van [minderjarige] en acht de kans inmiddels reëel dat [minderjarige] zichzelf iets aan gaat doen als er op korte termijn geen verandering gaat komen in de situatie. Er wordt heel veel van [minderjarige] verwacht, maar er wordt haar geen enkel perspectief geboden. De advocaat begrijpt dat de onderzoeksresultaten van het PO complex en moeilijk te duiden zijn en dat hiermee de nodige tijd is gemoeid, maar voorkomen moet worden dat [minderjarige] , mede gezien de positieve ontwikkelingen die zij laat zien, volledig gaat blokkeren. Dit lijkt wel te gaan gebeuren. De plaatsing van [minderjarige] binnen de geslotenheid begint [minderjarige] tegen te werken en is onder de huidige omstandigheden niet meer in haar belang. Nu zelfs zicht op een vervolgplek ontbreekt, lijkt een plaatsing van [minderjarige] bij de vader, ter overbrugging naar een passende vervolgplek, voor nu het enige passende alternatief. Hieraan kunnen strikte voorwaarden worden gesteld, met een eventuele uitbreiding van de één-op-één begeleiding waar [minderjarige] veel baat bij heeft. Belangrijk is dat er in de huidige impasse op zeer korte termijn een doorbraak gaat komen. Verder heeft de advocaat erop gewezen dat [organisatie] in eerste instantie enkel gevestigd was in [plaats 2] , maar onlangs is uitgebreid en een locatie in [plaats 4] heeft geopend voor begeleid wonen met intensieve begeleiding. De GI wordt nogmaals verzocht hiernaar serieus onderzoek te verrichten.
4.4.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat [minderjarige] al maanden binnen de geslotenheid van [accommodatie] verblijft, zonder enig perspectief. Het is zeer onrustig binnen [accommodatie] , dat niet helpend is voor [minderjarige] . [minderjarige] mag geen contact hebben met haar vader, en op dit moment evenmin met haar brusjes. Een machtiging gesloten jeugdhulp is een ultimum remedium. Het is niet de bedoeling dat [minderjarige] jaren binnen de geslotenheid verblijft omdat er voor haar geen passende vervolgplek is dan wel gevonden kan worden. [minderjarige] houdt het binnen [accommodatie] niet langer meer vol. Een langer verblijf van [minderjarige] binnen [accommodatie] kan van haar niet meer worden verlangd. Belangrijk is dat een plaatsing van [minderjarige] bij de vader, ter overbrugging naar een passende vervolgplek, serieus onderzocht gaat worden. Hierover dient in de komende maand duidelijkheid te komen. Daarbij staat de vader ervoor open dat er strikte voorwaarden aan het verblijf van [minderjarige] bij hem worden gesteld. Voorkomen dient echter wel te worden dat [minderjarige] overvraagd wordt. Hierdoor is een eerdere plaatsing van [minderjarige] bij de vader namelijk niet goed gegaan.

5.De beoordeling

5.1.
In artikel 6.1.2 van de Jeugdwet staat dat de kinderrechter op verzoek een machtiging kan verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
5.2.
Bij beschikking van 28 januari 2026 is een (opvolgende) machtiging gesloten jeugdhulp met betrekking tot [minderjarige] verleend tot 29 maart 2026 en is het resterende deel van het verzoek van de GI aangehouden. Overwogen is dat [minderjarige] kampt met ernstige opvoed- en opgroeiproblematiek en dat zij zich in het verleden heeft onttrokken aan zorg die nodig is om deze problematiek weg te nemen dan wel (verergering daarvan) te voorkomen. Eind augustus 2025 is [minderjarige] overgeplaatst naar een (meer) open setting, namelijk de hybride groep van [accommodatie] , maar het verblijf van [minderjarige] op die groep is niet goed gegaan omdat zij in toenemende mate zelfbepalend en ander negatief gedrag liet zien. [minderjarige] is daarom in november 2025 teruggeplaatst naar een gesloten behandelgroep van [accommodatie] , te weten de groep [behandelgroep 1] . Binnen de geslotenheid wordt aan [minderjarige] de voor haar noodzakelijk geachte duidelijkheid, structuur en regels geboden.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] in de afgelopen periode haar best heeft gedaan en positieve stappen heeft gezet. Zij heeft gesolliciteerd naar een baan bij de [winkel] waar zij is aangenomen, is recent gestart met dagbesteding bij [dagbesteding] voor drie dagen in de week en volgt inmiddels wekelijks gitaarles. De kinderrechter vindt dit erg knap van [minderjarige] en zij verdient hiervoor een groot compliment.
5.4.
Ondanks deze positieve stappen blijkt [minderjarige] zich te verzetten tegen haar verblijf bij [accommodatie] . Zij stelt het niet langer vol te houden binnen [accommodatie] , hetgeen zij zowel in het gesprek met de kinderrechter als tijdens de zitting meermaals te kennen heeft gegeven. [minderjarige] heeft last van de incidenten die binnen [accommodatie] plaatsvinden en het ontbreken van vaste begeleiders op de groep. Daarnaast lijdt zij aan het gebrek aan perspectief. Het PO is inmiddels afgerond, echter de onderzoeksresultaten blijken vanwege extreme discrepanties lastig te duiden waarvoor [accommodatie] de hulp en expertise van SDW heeft ingeschakeld. Dit maakt dat tot op heden nog geen duidelijkheid bestaat over het perspectief van [minderjarige] , en daarmee een vervolgplek voor [minderjarige] na [accommodatie] .
5.5.
De kinderrechter acht dit zeer betreurenswaardig, en zeker niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is een jonge meid van zestien jaar, die al op veel verschillende plekken heeft verbleven en al lange tijd binnen de gesloten jeugdhulp verblijft. Het is van cruciaal belang dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk kan doorstromen naar een passende perspectiefbiedende plek waar zij aan haar verdere ontwikkeling kan werken. Niet mag uit het oog worden verloren dat gesloten jeugdhulp als een ultimum remedium (uiterste redmiddel) heeft te gelden en daarom uitsluitend voor zover strikt noodzakelijk dient te worden ingezet. Het kan en mag niet zo zijn dat [minderjarige] door het uitblijven van een passende perspectiefbiedende plek langer in een gesloten setting verblijft dan goed voor haar is.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp steeds minder aanwezig zijn. Afgevraagd kan worden in hoeverre gesloten jeugdhulp, onder de huidige omstandigheden, nog in het belang van [minderjarige] blijft. Weliswaar heeft [minderjarige] in de afgelopen weken, zoals hierboven al overwogen, positieve stappen gezet, maar dit is naar het oordeel van de kinderrechter met name verwezenlijkt door de één-op-één begeleiding die aan [minderjarige] geboden wordt en waarvan zij zeer profiteert. Een afwijzing van het resterende deel van het verzoek van de GI zou echter betekenen dat [minderjarige] per 29 maart 2026 geen verblijfsplek meer zou hebben. Een plaatsing van [minderjarige] bij de vader als tussenoplossing in afwachting van een vervolgplek, zoals naar voren gebracht door [minderjarige] en haar advocaat alsook de vader en zijn advocaat, behoort naar het oordeel van de kinderrechter vooralsnog niet tot de mogelijkheden. Dit gezien de eerdere perspectiefbepaling die heeft plaatsgevonden en nu er nog steeds zorgen bestaan over het gezin en de familie van [minderjarige] .
5.6.
Het vorenstaande betekent dat de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de korte periode van 29 maart 2026 tot 29 april 2026, zal toewijzen.
Van alle betrokkenen verwacht de kinderrechter dat in de komende periode tot 29 april 2026 er alles aan gedaan wordt om duidelijkheid te verkrijgen over het perspectief van [minderjarige] . Daarbij vermag de kinderrechter niet in te zien dat SDW niet binnen deze termijn kan rapporteren over welke begeleiding, behandeling en expertise er rondom [minderjarige] ingezet moet worden, en in het verlengde daarvan, wat voor [minderjarige] een passende perspectiefbiedende plek zou zijn. Er moet ingestoken worden op een indicatie waarmee voor [minderjarige] deuren worden geopend naar een woonplek waar haar langdurige zorg en begeleiding kan worden geboden. Van [minderjarige] wordt verwacht dat zij zich blijft inzetten voor haar werk bij de [winkel] , de dagbesteding bij [dagbesteding] en haar gitaarles, en de afspraken die hierover met haar zijn gemaakt nakomt. Om zichzelf zoveel mogelijk buiten [accommodatie] te kunnen ontwikkelen, acht de kinderrechter het verder van belang dat de één-op- één begeleiding van [minderjarige] wordt opgeschaald. Gebleken is namelijk dat deze begeleidingsvorm bij [minderjarige] aansluit, mede gezien de stappen die zij heeft gemaakt op het gebied van werk, dagbesteding en vrijetijdsbesteding.
5.7
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 29 maart 2026 tot 29 april 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door
mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.