Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3165

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/444372 / JE RK 26-137
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om drie minderjarige kinderen onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van het oudste kind te verlenen. De kinderen vertonen ernstige ontwikkelingsproblemen en er bestaat onveiligheid en instabiliteit in de thuissituatie. Het oudste kind verblijft deels op een behandelgroep vanwege gedrags- en emotionele problemen.

De ouders zijn overbelast en hebben moeite met het bieden van adequate zorg. Hoewel zij openstaan voor hulpverlening, accepteren zij deze onvoldoende binnen het vrijwillig kader. De Raad acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk om de ontwikkeling van de kinderen te beschermen en de uithuisplaatsing van het oudste kind te waarborgen.

De ouders erkennen de problemen bij het oudste kind maar betwisten de zorgen over de jongere tweeling. De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is voldaan. De beschikking wordt voor de duur van een jaar respectievelijk negen maanden toegekend en direct uitvoerbaar verklaard.

De kinderrechter legt nadruk op het belang van een veilige, gestructureerde omgeving voor alle kinderen en het onderzoeken van de onderliggende oorzaken van het gedrag van het oudste kind via een onafhankelijk persoonlijkheidsonderzoek. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en schriftelijk vastgelegd.

Uitkomst: De rechtbank stelt drie kinderen onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van het oudste kind voor negen maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444372 / JE RK 26-137
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
De ouders worden bijgestaan door: mr. P. Doorakkers, advocaat te Oosterhout.
De kinderrechter merkt als informante aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI.
1.
Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;
  • het stelbericht van mr. Doorakkers van 4 maart 2026.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder met de advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3. De vader is, met bericht, niet in persoon verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
Zij wonen bij hun ouders. [minderjarige 1] verblijft van maandag tot en met donderdag en om het weekend op een behandelgroep van Sterk Huis.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van negen maanden te verlenen.
3.3.
De Raad verzoekt tevens de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. In de thuissituatie is sprake van onveiligheid en instabiliteit. Er is onvoldoende structuur en rust voor de kinderen. [minderjarige 1] vertoont ernstige gedrag- en emotionele problemen vanwege trauma's, [minderjarige 2] heeft een taalachterstand en [minderjarige 3] worstelt met het aanvaarden van grenzen. De Raad vindt het zorgelijk dat de tweeling niet reageert op schreeuwen. Er moet onderzocht worden waar dit vandaan komt en hoe het met hun hechting en emotieregulatie gaat. De ouders zijn overbelast en hebben moeite met het bieden van de juiste zorg. Ook zijn er meldingen gedaan bij de woningbouw van een wietlucht in de ochtend en van geluidsoverlast door schreeuwen en het blaffen van honden.
4.2.
De ouders staan open voor hulpverlening, maar zijn op dit moment onvoldoende in staat de ontwikkelingsbedreiging in het vrijwillig kader weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zij zijn overbelast door eigen trauma’s en hebben een beperkte draagkracht. Zij raken in de weerstand wanneer ze geconfronteerd worden met de zorgen. De Raad verwacht dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen een voor hen aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.
4.3.
[minderjarige 1] gaat sinds juni 2025 naar [behandelgroep] , een behandelgroep van Sterk Huis. Sinds oktober 2025 verblijft hij daar van maandag tot en met donderdag en om het weekend. Inmiddels is het verblijf bij Sterk Huis langer; [minderjarige 1] komt nu alleen een weekend in de twee weken thuis als zijn oudere [broer] er niet is. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk zodat de plaatsing van [minderjarige 1] bij [behandelgroep] is gewaarborgd en hij kan starten met een behandeling. Om te onderzoeken of [behandelgroep] nog wel de juiste plek is voor [minderjarige 1] moet een persoonlijkheidsonderzoek worden afgenomen. De machtiging wordt verzocht voor negen maanden zodat er voor [minderjarige 1] niet onnodig lang onzekerheid moet bestaan over zijn toekomstperspectief. De GI dient ook de mogelijkheden van een thuisplaatsing te onderzoeken. Dit kost tijd.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door de moeder en namens de ouders is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vader is vanwege het door de ouders niet kunnen vinden van oppas voor de tweeling niet in de gelegenheid om zelf bij de zitting aanwezig te zijn. De ouders kunnen zich vinden in de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . Hij laat zelfbepalend, dwingend en manipulerend gedrag zien. De ouders hebben moeite hem aan te sturen, met name wanneer hij en [broer] beiden thuis zijn. [minderjarige 1] en [broer] verblijven samen bij [behandelgroep] . Om het weekend komt [minderjarige 1] of [broer] naar huis. De bedoeling is om te voorkomen dat zij samen in huis zijn. Het gedrag van [minderjarige 1] is in de afgelopen periode verslechterd. Hij laat agressief gedrag zien op de behandelgroep en heeft tics ontwikkeld. De ouders zijn van mening dat [behandelgroep] geen passende plek is voor [minderjarige 1] en hebben geen vertrouwen meer in Sterk Huis. Dat [minderjarige 1] zijn gedrag is verslechterd op de behandelgroep bevestigt voor de ouders de gedachte dat [minderjarige 1] zijn gedrag voortkomt uit kindeigenproblematiek en dus niet alleen uit trauma's, zoals de hulpverlening aangeeft. De ouders verzoeken dat er als doel wordt opgenomen dat moet worden onderzocht wat de onderliggende oorzaak is van het extreme gedrag van [minderjarige 1] . Zij vinden het daarom belangrijk dat er een persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen door een externe partij, niet zijnde Sterk Huis. De ouders kunnen zich daarentegen niet vinden in de ondertoezichtstelling van de tweeling [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De ouders herkennen ten aanzien van hen niet de gestelde zorgen. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden thuis goed verzorgd en krijgen oude, maar schone, kleren aan naar de peuterspeelzaal omdat deze juist vies mogen worden. Zij gaan sinds kort naar een andere peuterspeelzaal en zijn sindsdien veel vrolijker. De door de Raad gestelde zorgen worden op de nieuwe peuterspeelzaal niet herkend. [minderjarige 3] is iets vaker ziek dan gemiddeld. De ouders betwisten nadrukkelijk dat dit te wijten is aan de verzorging of hygiëne. Er zijn aanwijzingen dat [minderjarige 3] ADHD heeft. Dat verklaart dat hij druk is en een korte spanningsboog heeft. [minderjarige 2] heeft een taalachterstand waarvoor een logopedist is ingeschakeld. [minderjarige 2] gedijt bij duidelijkheid, structuur en rust. De ouders proberen dit zo goed als mogelijk te bieden.
De moeder is voor haar trauma’s behandeld en krijgt sinds kort medicatie voor haar ADHD. Sindsdien heeft zij meer overzicht en rust en een langere spanningsboog. Er was sprake van overspannenheid van de moeder, maar dat is niet meer het geval. Doordat het rustiger is rondom [broer] en de vader bij het gezin is komen wonen is de draaglast toegenomen. De vader blowt soms in de ochtend, maar hij doet dat nooit waar de kinderen bij zijn. De ouders hebben een hond die niet luistert en veel blaft. De moeder schreeuwt daarom naar de hond. De moeder is half doof. Zij verheft weleens haar stem. De tweeling reageert niet op geschreeuw omdat [broer] en [minderjarige 1] constant schreeuwden toen zij nog thuis woonden. Het is om deze redenen dat de buurt weleens over het gezin klaagt met het verhaal dat er geluidsoverlast is.
Het standpunt van de GI
5.2.
Door de GI is, samengevat, verklaard dat de ondertoezichtstelling direct kan worden uitgevoerd. De doelen ten aanzien van [minderjarige 1] zijn ook gericht op voortzetting van zijn verblijf bij [behandelgroep] . De GI zou graag eerst onderzoeken wat een passende vervolgplek is voor hem, zodat van daaruit kan worden onderzocht wat zijn toekomstperspectief is voor wat betreft het verblijf. Voor de tweeling is een ondertoezichtstelling ook wenselijk. Bij de halfzus van de kinderen en [broer] is al sprake van zo’n maatregel.

6.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
6.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling voor de kinderen. Het verzoek zal dan ook voor de verzochte periode in het belang van de kinderen worden toegewezen. [minderjarige 1] laat zelfbepalend gedrag zien, is verbaal en fysiek agressief en heeft moeite met zijn emotieregulatie. Ook heeft hij moeite met ontwikkelen op school. Ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] bestaan er zorgen over de emotionele veiligheid. Dat is zeker gelet op hun jonge leeftijd zorgelijk. [minderjarige 2] heeft een taalachterstand en er worden signalen van autisme gezien. [minderjarige 3] heeft een korte spanningsboog en is moeilijk stil te krijgen. Het is zorgelijk dat de tweeling niet reageert op geschreeuw. De kinderen hebben duidelijkheid, structuur en rust nodig. Zij ervaren dit op het moment onvoldoende. Ook bestaan er zorgen over de persoonlijke problematiek van de ouders, hun overbelasting en het hasjgebruik van de vader. Dit hasjgebruik wordt door de ouders gebagatelliseerd. Hoewel er wellicht niet in het bijzijn van de kinderen wordt geblowd, mag het niet zo zijn dat er bij contact met (een van) de kinderen een hasjlucht rondom het huis en in de kleren van de vader hangt. Dit zou kunnen leiden tot de indruk bij de kinderen dat hasjlucht normaal is, wat niet wenselijk is. Gelet op het voornoemde is er bij hen sprake van een ontwikkelingsbedreiging.
6.3.
De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat de hulpverlening in het vrijwillig kader te accepteren en het lijkt erop dat zij vanwege de overbelasting in de weerstand raken. De kinderrechter ziet ook dat er door de ouders ook positieve stappen zijn gezet. Omdat deze wending nog pril is, is het belangrijk dat de GI het overzicht houdt en ook onderzoekt wat er nodig is om de positieve lijn voort te zetten, zoals de gestelde positieve uitwerking van hun verblijf op de peuterspeelzaal. De ouders hebben nog twee kinderen ( [dochter] en [broer] ), die ook onder toezicht zijn gesteld. Het is goed dat de GI in het vervolg de regie voert rondom de hulpverlening van alle kinderen, waarbij ook de ouders worden betrokken. De kinderrechter vindt het positief dat de jeugdbeschermer per direct aan de slag kan gaan met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.
6.4.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt, zijn:
  • [minderjarige 1] groeit op binnen een veilige, stabiele en gestructureerde omgeving, waarbij er voldoende aangesloten wordt bij zijn behoeftes;
  • [minderjarige 2] en [minderjarige 3] groeien op binnen een veilige en stabiele omgeving waarbij er aangesloten wordt bij hun behoeftes. Dit betekent dat er in hun opvoedomgeving sprake is van aandacht, duidelijkheid en structuur;
  • De ouders reageren sensitief en responsief op de kinderen;
  • De ouders gaan aan de slag met hun eigen trauma’s en gevoel van overbelasting;
  • Er wordt een persoonlijkheidsonderzoek bij [minderjarige 1] afgenomen door een onafhankelijke organisatie, op basis waarvan kan worden onderzocht welke behandeling voor hem passend is en wat zijn perspectief is.
Machtiging tot uithuisplaatsing
6.5.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.6.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat ook aan de voorwaarden voor de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] wordt voldaan. De uithuisplaatsing is immers noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Er bestaan veel zorgen over zijn gedrag en de thuissituatie. Op basis van de uitkomst van het persoonlijkheidsonderzoek van [minderjarige 1] kan de GI onderzoeken wat de beste plek voor behandeling, begeleiding en verblijf van [minderjarige 1] is en wat zijn (toekomst)perspectief is. Beide ouders lijken eens te zijn met het verzoek. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt de kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, met ingang van 19 maart 2026 tot 19 maart 2027;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 maart 2026 tot 19 december 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.