Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3167

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/445893 JE RK 26-409, C/02/445892 JE RK 26-408, C/02/445955 / JE RK 26-422 en C/02/445954 / JE RK 26-421
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen wegens zorgen over veiligheid en ontwikkeling

De zaak betreft een verzoek van het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming namens de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant tot machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en er bestaat een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing sinds 11 maart 2026. Er zijn grote zorgen over de veiligheid, ontwikkeling en hechting van de kinderen, mede door een strafrechtelijk onderzoek naar de (stief)vader wegens mishandeling.

De ouders betwisten de noodzaak van uithuisplaatsing en wijzen op de naleving van schorsingsvoorwaarden door de (stief)vader en hun bereidheid tot medewerking. De kinderrechter heeft de ouders en het LET JB gehoord en concludeert dat de voorwaarden voor uithuisplaatsing zijn vervuld. Er is sprake van een patroon van geweld en onveiligheid, onvoldoende bescherming door de moeder en onvoldoende effectieve hulpverlening.

De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden in een pleegzorgvoorziening, gezinshuis of accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 25 maart 2026. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het LET JB kan de kinderen eerder terugplaatsen indien verantwoord. Het verzoek tot spoedmachtiging wordt afgewezen omdat reeds een spoedmachtiging geldt. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen voor drie maanden wegens ernstige zorgen over hun veiligheid en ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers:
C/02/445892 / JE RK 26-408 (
[minderjarige 1] en [minderjarige 2])
C/02/445893 / JE RK 26-409 (
[minderjarige 3])
C/02/445954 / JE RK 26-421 (
[minderjarige 1] en [minderjarige 2])
C/02/445955 / JE RK 26-422 (
[minderjarige 3])
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LANDELIJK EXPERTISE TEAM JEUGDBESCHERMING,
hierna te noemen: het LET JB,
namens
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige kinderen:
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 3] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de (stief)vader],
biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
stiefvader van [minderjarige 3] ,
hierna te noemen: de (stief)vader,
wonende in [woonplaats] .
De ouders worden bijgestaan door: mr. P. Doorakkers, advocaat te [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
C/02/445892 / JE RK 26-408 en C/02/445893 / JE RK 26-409
  • de in deze zaken gegeven beschikking van 11 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht met bijlagen van mr. Doorakkers van 18 maart 2026.
C/02/445954 / JE RK 26-421 en C/02/445955 / JE RK 26-422
- de in deze zaken gegeven beschikking van 12 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken.
in alle zaken:
de verklaring van de bestuurder van de GI van 13 maart 2026, betreffende aan het LET JB gegeven volmacht en mandaat.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en (stief)vader met hun advocaat;
- twee vertegenwoordigers van het LET JB, namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 3] naar haar mening gevraagd. Zij heeft aan hem een brief geschreven op 18 maart 2026. De kinderrechter heeft hiervan kennis genomen. Tijdens de zitting heeft hij samengevat wat [minderjarige 3] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de zaken met de voormelde zaaknummers zijn alle verzoeken gelijktijdig behandeld. In al deze zaken wordt bij deze beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn door de (stief)vader erkend. De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] .
2.4.
De biologische vader van [minderjarige 3] is niet betrokken.
2.5.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 december 2025 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI tot 11 december 2026.
2.6.
De kinderen woonden tot 11 maart 2026 bij de ouders. Bij voormelde beschikking van 11 maart 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg dan wel een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) verleend, met ingang van 11 maart 2026 tot 25 maart 2026, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.7.
Omdat er in de regio geen plek was bij een pleeggezin dan wel een gezinsgerichte voorziening voor de kinderen heeft het LET JB op 12 maart 2026 namens de GI een nieuw (spoed)verzoek ingediend. De kinderrechter heeft bij beschikking van dezelfde dag een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg dan wel een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 12 maart 2026 tot 25 maart 2026, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Op grond van voormelde machtiging verblijven de kinderen op dit moment in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.Het (resterende) verzoek

Thans ligt het volgende verzoek nog ter beoordeling voor.
Zaaknummers: C/02/445892 / JE RK 26-408 en C/02/445893 / JE RK 26-409
3.1.
Het LET JB verzoekt namens de GI een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg, dan wel in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) te verlenen voor de duur vier weken.
3.2.
Aansluitend verzoekt het LET JB namens de GI een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van drie maanden in een pleeggezin dan wel een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis).
3.3.
Het LET JB verzoekt namens de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Zaaknummers: C/02/445954 / JE RK 26-421 en C/02/445955 / JE RK 26-422
3.4.
Het LET JB verzoekt namens de GI een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis), dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur vier weken.
3.5.
Aansluitend verzoekt het LET JB namens de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlenen voor de duur van drie maanden in een pleeggezin, een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3.6.
Het LET JB verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van het LET JB, namens de GI

4.1.
Ter onderbouwing van de verzoeken voert het LET JB, samengevat, het volgende aan. Het LET JB heeft een plek gevonden waar de kinderen samen kunnen verblijven. Dit is een geheime locatie. Het gaat daar goed met de kinderen. Het LET JB merkt op dat er tot nu toe een goede communicatie is tussen de jeugdbeschermers en de ouders. De moeder heeft afgelopen week een belmoment met de kinderen gehad en voor de zitting was er een fysiek omgangsmoment. Dit is beide keren goed verlopen. Het LET JB heeft grote zorgen over de ontwikkeling, verzorging en hechting van de kinderen. Ook bestaan er grote zorgen over hun veiligheid. Er zijn meerdere meldingen bij Veilig Thuis gedaan en er loopt een strafrechtelijk onderzoek naar de (stief)vader over de verklaring van [minderjarige 3] , inhoudende dat zij door hem is mishandeld. De woningbouwcoöperatie Thuisvester heeft aangegeven dat er moet worden bekeken of de ouders in hun huurhuis kunnen blijven wonen als er een nieuwe melding over onder meer overlast wordt gedaan.
4.2.
De verwachting is dat de vader de in het kader van het strafrecht opgelegde schorsingsvoorwaarden niet zal naleven. De ouders willen graag samen doorgaan. Daar komt bij dat de moeder overbelast is. Het is belangrijk dat er met de uithuisplaatsing rust komt voor zowel de kinderen als de ouders. Van daaruit kan worden onderzocht wat er nodig is voor de kinderen en welke hulp de moeder nodig heeft om in haar kracht te komen. De ouders geven aan mee te willen werken, maar het LET JB hoort ook veel redenen waarom iets niet kan. Het is voor de kinderen heel belangrijk dat de hulpverlening niet meer stagneert. Er is de afgelopen jaren veel hulpverlening geweest, maar dat heeft er onvoldoende toe geleid dat er een veilige thuissituatie is ontstaan. Er moet worden onderzocht waardoor dat komt. Ongeacht wat er met [minderjarige 3] , gezien haar verklaring, is gebeurd, er dient van te worden uitgegaan dat zij het gevoel heeft in een onveilige omgeving te verblijven. Het is daarom belangrijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend. Des te meer omdat nog de bedoeling is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de politie zullen worden verhoord.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de ouders is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De ouders zijn van mening dat het resterende deel van de spoedverzoeken en de reguliere verzoeken moeten worden afgewezen. De ouders verbazen zich over de verzoeken. Mocht de kinderrechter van oordeel zijn dat een uithuisplaatsing wel nodig is, dan verzoeken zij de spoedmachtiging voor de testerende duur van twee weken toe te wijzen, zodat in die tijd kan worden onderzocht wat er nodig is om de kinderen weer thuis te plaatsen. De (stief)vader betwist uitdrukkelijk dat sprake is geweest van mishandeling van [minderjarige 3] . Hij is geschrokken van haar verklaring. Hij heeft zich ingeschreven voor een online opvoedcursus. In het rapport staan volgens de (stief)vader alleen de negatieve dingen en niet de positieve. De voorlopige hechtenis van de (stief)vader is verlengd met dertig dagen en is vervolgens geschorst met bijzondere voorwaarden. De (stief)vader mag volgens een van de voorwaarden niet thuis komen en heeft dat ook niet gedaan. Hij verblijft nu op een camping. Als de (stief)vader de reden voor de onveiligheid is en hij op grond van de schorsingsvoorwaarden niet thuis mag komen, zouden de kinderen juist naar huis kunnen komen. De (stief)vader zou het niet riskeren dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven. Er is door de ouders aan de strafrechter verzocht een van de schorsende voorwaarden te wijzigen, zodat de (stief)vader naar huis toe zou mogen wanneer de kinderen er niet zijn. In afwachting van de beslissing in onderhavige zaken, is daarop nog niet beslist. De ouders hebben een laatste-kanscontract bij Thuisvester. Thuisvester heeft inmiddels laten weten dat er wel wat zorgen zijn, maar dat de door haar gestelde voorwaarden over klachten niet zijn geschonden. De ouders hebben in augustus 2025 hulp aangevraagd bij de gemeente en in december 2205 is de ondertoezichtstelling uitgesproken. Er is nog steeds geen juiste hulpverlening. Inmiddels zijn er verschillende jeugdbeschermers betrokken geweest. De ouders zijn blij hoe het contact met de huidige jeugdbeschermers verloopt. Zij zijn de eersten die hun afspraken nakomen. De ouders zijn bereid overal aan mee te werken. De kinderen hebben in het contact met de moeder naar de (stief)vader gevraagd.

6.De (nadere) beoordeling

Spoedmachtiging uithuisplaatsing
6.1.
Bij de in deze zaken gegeven beschikkingen van 11 en 12 maart 2026 heeft de kinderrechter steeds een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor de periode tot 25 maart 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
6.2.
De GI en de belanghebbenden zijn heden gehoord. Uit de overgelegde stukken en hetgeen bij de zitting is besproken zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in de voornoemde beschikkingen.
6.3.
Nu de kinderrechter zal beslissen op het reguliere deel van de verzoeken, zal hij het resterende deel van de verzoeken om een spoedmachtiging te verlenen, afwijzen.
Resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing
6.4.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.5.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt aan de voorwaarden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voldaan. Er bestaan grote zorgen over hun veiligheid in de thuissituatie. Er loopt voorts een strafrechtelijk onderzoek naar de (stief)vader en er zijn vanaf 2020 negentien meldingen bij Veilig Thuis gedaan over zaken betreffende onveiligheid. Er lijkt sprake te zijn van een patroon van geweld, angst, overvraging, vermijding en gemis van emotionele beschikbaarheid. Niet uitgesloten is dat de (stief)vader zich niet aan de strafrechtelijke schorsingsvoorwaarden, onder meer inhoudende een locatie- en contactverbod, zal houden, omdat zijn gedrag wordt gekenmerkt door zelfbepalend handelen en hij geen grenzen accepteert. De moeder is op dit moment onvoldoende in staat om de kinderen te beschermen tegen de onveiligheid. Ook bestaan er zorgen over overbelasting van de ouders. Daarnaast zijn er zorgen ten aanzien van de ontwikkeling, verzorging en hechting van de kinderen. De hulpverlening is, ondanks de ondertoezichtstelling, nog niet adequaat van de grond gekomen of heeft in ieder geval nog niet geleid tot een duurzame gedragsverandering. Een verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor enige tijd is dan ook nodig om ook in de thuissituatie rust en veiligheid te creëren. Aldus is die noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Vanuit die situatie dient te worden onderzocht wat er nodig is voor de kinderen en de ouders. De kinderrechter merkt op dat het positief is dat het contact tussen de ouders en de jeugdbeschermers van het LET JB goed verloopt en dat de ouders aangeven bereid te zijn overal aan mee te werken. De kinderrechter merkt daarnaast op dat het feit dat de machtiging voor drie maanden wordt verleend niet betekent dat de kinderen drie maanden uit huis geplaatst moeten blijven. Het LET JB kan namens de GI al eerder bepalen dat de kinderen naar huis kunnen, indien wordt geoordeeld dat een thuisplaatsing eerder al verantwoord is.
6.6.
Gelet op het voorgaande voornoemde zal de kinderrechter, in de zaken met nummers C/02/445954 / JE RK 26-421 en C/02/445955 / JE RK 26-422, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] respectievelijk [minderjarige 3] verlenen in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis), dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden. De kinderrechter vindt het positief dat er een plek is gevonden waar de kinderen gezamenlijk kunnen verblijven. Wenselijk wordt geacht dat zij bij een eventuele doorplaatsing ook elders samen kunnen verblijven.
6.7.
De kinderrechter zal, in aanvulling op het onder 6.3 overwogene, de verzoeken in de zaken C/02/445893 / JE RK 26-409 en C/02/445892 / JE RK 26-408 afwijzen voor wat betreft het reguliere deel daarvan, aangezien een toewijzing hiervan, gezien rechtsoverweging 6.6., geen meerwaarde heeft.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.8.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door het LET JB, namens de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld.
6.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent in de zaken met nummers C/02/445954 / JE RK 26-421 en C/02/445955 / JE RK 26-422 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] respectievelijk [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis), dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden, met ingang van 25 maart 2026 tot 25 juni 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.