Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3168

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoedmachtiging gesloten jeugdhulp)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp verlengd tot einde ondertoezichtstelling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige die onder toezicht staat. De minderjarige verblijft sinds 2024 in een gesloten accommodatie vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling belemmeren.

De kinderrechter heeft de spoedmachtiging van 6 maart 2026 beoordeeld en vastgesteld dat er geen nieuwe feiten zijn die aanleiding geven tot herroeping. Het reguliere verzoek tot verlenging van de machtiging is vervolgens inhoudelijk beoordeeld. Ondanks de onrust en wisselingen in de groepsleiding, waardoor de minderjarige onvoldoende rust en structuur ervaart, is vastgesteld dat de problematiek nog niet voldoende is aangepakt om terugkeer naar huis mogelijk te maken.

De GI heeft toegelicht dat verdere hulpverlening en begeleiding noodzakelijk zijn, evenals een stapsgewijze uitbreiding van het contact met de moeder. De kinderrechter acht het verblijf in de gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt aan de hulp. De machtiging wordt daarom verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 4 juli 2026, met het oog op een zorgvuldige terugkeer naar de thuissituatie.

De minderjarige en haar moeder uitten zorgen over de duur en de gang van zaken, maar de rechter benadrukt het belang van stabiliteit en continuïteit in de hulpverlening. Het resterende deel van het verzoek wordt afgewezen omdat de machtiging niet langer dan de ondertoezichtstelling kan worden verleend.

Uitkomst: De machtiging voor gesloten jeugdhulp wordt verlengd tot 4 juli 2026, het einde van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/445728 / JE RK 26-377
(spoedmachtiging gesloten jeugdhulp)
C/02/445730 / JE RK 26-379
(reguliere machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 6 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
Op 19 maart 2026 heeft de kinderrechter deze zaken, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/445668 / JE RK 26-364, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- [minderjarige] , bijgestaan door haar waarnemend advocaat, mr. R.S. Vriend, kantoorgenoot van mr. Wouters;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI
– via een digitale verbinding.
1.4.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van 4 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 juli 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 25 juni 2025 verlengd voor de periode van 4 juli 2025 tot 4 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 4 juli 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 januari 2025.
2.5.
Bij beschikking van 23 december 2024 is een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 23 december 2024 en tot 6 januari 2025.
2.6.
Bij beschikking van 3 januari 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 3 januari 2025 tot 3 maart 2025.
2.7.
Bij beschikking van 28 februari 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 3 maart 2025 en tot 3 april 2025.
2.8.
Bij beschikking van 2 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 april 2025 en tot 4 juli 2025.
2.9.
Bij beschikking van 5 juni 2025 is een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor met ingang van 5 juni 2025 tot 19 juni 2025.
2.10.
Bij beschikking van 11 juni 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juni 2025 en tot 4 juli 2025. Deze machtiging is hierna steeds opnieuw verleend, voor het laatst bij beschikking van 5 december 2025 voor de periode van 11 december 2025 tot 11 maart 2026.
2.11.
Bij beschikking van 6 maart 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 maart 2026 en tot 25 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging voor gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van vier maanden.
3.3.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het spoedverzoek en het reguliere verzoek.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Hoewel het beter gaat met [minderjarige] bij [accommodatie], zijn er ook momenten waarop het nog erg lastig is voor [minderjarige] . Dit is deels te wijten aan de wisselingen en onrust op de groep, maar er is ook nog steeds sprake van problematiek bij [minderjarige] waaraan zij nog verder moet werken. De bedoeling is dat [minderjarige] binnen de komende vier maanden volledig bij de moeder woont. Daaraan voorafgaand moet het contact tussen [minderjarige] en de moeder stapsgewijs worden uitgebreid. Ook moet de GI onderzoeken welke daginvulling kan worden geregeld, welke hulpverlening er nodig is en hoe de situatie op een passende manier kan worden geborgd. Daarnaast gaat [accommodatie] in de komende periode onderzoeken wat er nog nodig is aan hulpverlening zodat [minderjarige] zo stabiel mogelijk kan terugkeren naar de thuissituatie van de moeder en wat zij kunnen bieden. Ook wil de GI de frequentie van de begeleiding vanuit [hulpverlening] verhogen. Gelet op het voorgaande verwacht de GI de verzochte duur van vier maanden nodig te hebben om toe te werken naar een volledige thuisplaatsing van [minderjarige] .
4.2.
[minderjarige] begrijpt dat zij op dit moment nog niet kan terugkeren naar de thuissituatie. Zij snapt daarom dat de machtiging gesloten jeugdhulp ook in de komende periode nodig is, onder andere om de benodigde hulpverlening op te starten en school te organiseren. [minderjarige] vindt de verzochte duur van vier maanden echter te lang. Mede gelet op de onrust van de groep is het van belang dat op kortere termijn wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. Om die reden wordt verzocht de machtiging gesloten jeugdhulp in duur te beperken tot twee maanden en het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Daarnaast wordt verzocht het resterende deel van het spoedverzoek af te wijzen.
4.3.
De moeder verklaart dat het niet in het belang van [minderjarige] is om zonder de juiste hulpverlening en ondersteuning terug te keren naar de thuissituatie. In die zin begrijpt de moeder dat een langer verblijf in de gesloten jeugdhulp nodig is. Tegelijkertijd heeft de moeder veel moeite met de manier waarop de plaatsing van [minderjarige] in de gesloten jeugdhulp verloopt. Er is veel onrust op de groep, de groepsleiding houdt zich niet aan de afspraken en er wordt onvoldoende duidelijkheid en structuur aan [minderjarige] geboden, terwijl zij dit juist nodig heeft. Ook worden er tijdens zittingen en behandelplanbesprekingen afspraken gemaakt die uiteindelijk niet worden nagekomen. Dit terwijl het juist van groot belang is dat er stappen worden gezet zodat [minderjarige] op een goede manier kan terugkeren naar de thuissituatie.

5.De nadere beoordeling

De spoedbeslissing
5.1.
Bij beschikking van 6 maart 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, met ingang van 11 maart 2026 en tot 25 maart 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De kinderrechter moet allereerst bepalen of de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp al dan niet moet worden herroepen. Tijdens de zitting zijn [minderjarige] , haar advocaat, de moeder en de GI gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping van die beslissing.
5.2.
Omdat hierna op het reguliere verzoek machtiging gesloten jeugdhulp zal worden beslist, zal de kinderrechter het resterende deel van het spoedverzoek afwijzen.
Het reguliere verzoek
Het wettelijk kader
5.3.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Tevens dienen er geen minder ingrijpende mogelijkheden te zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
De inhoudelijke beoordeling
5.4.
De kinderrechter overweegt dat zij het betreurt dat het op dit moment onrustig is op de groep waar [minderjarige] verblijft. Doordat er veel wisselingen zijn, onder andere in de groepsleiding, kan [minderjarige] niet de benodigde rust, duidelijkheid en structuur worden geboden en wordt afgeweken van gemaakte afspraken. [minderjarige] heeft hier last van en dit acht de kinderrechter niet in haar belang. Tegelijkertijd is gebleken dat er nog verschillende punten zijn waaraan moet worden gewerkt alvorens [minderjarige] kan terugkeren naar de thuissituatie van de moeder. Zo dient [minderjarige] in de komende periode binnen [accommodatie] verder te werken aan haar problematiek en moet samen met [accommodatie] worden bezien welke hulpverlening nodig is in de thuissituatie van de moeder om de terugkeer van [minderjarige] in de thuissituatie te laten slagen. In ieder geval zal de ambulante begeleiding van [stichting] in frequentie worden verhoogd, nu deze begeleiding als positief wordt ervaren. Daarnaast is het van belang dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder zorgvuldig en stapsgewijs wordt uitgebreid. Ook dient door de GI en het samenwerkingsverband van de vorige school van [minderjarige] nader te worden onderzocht op welke school [minderjarige] zou kunnen starten.
5.5.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat, naast de formele vereisten van de Jeugdwet, aan de wettelijke vereisten van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet is voldaan. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden dan een voortzetting van het verblijf in de gesloten jeugdhulp zijn om deze problemen te behandelen.
5.6.
Omdat het van belang is dat de terugkeer van [minderjarige] in de thuissituatie zorgvuldig wordt vormgegeven, zal de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 juli 2026. De kinderrechter begrijpt dat [minderjarige] liever op kortere termijn wil terugkeren naar de moeder, maar vindt het vooral belangrijk dat zorgvuldig wordt gewerkt aan bovengenoemde punten om de kans zo groot mogelijk te maken dat de terugkeer van [minderjarige] in de thuissituatie goed verloopt. Bovendien acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] als zij op korte termijn opnieuw wordt belast met een zitting als blijkt dat machtiging gesloten jeugdhulp alsnog nodig blijkt te zijn voor een korte tijd. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de machtiging gesloten jeugdhulp niet langer ten uitvoer wordt gelegd dan nodig en eerder wordt overgegaan tot een terugkeer in de thuissituatie als dit mogelijk blijkt te zijn. Omdat de machtiging gesloten jeugdhulp niet voor een langere duur dan de ondertoezichtstelling kan worden verleend, wijst de kinderrechter het resterende deel van het verzoek af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 19 maart 2026 en tot 4 juli 2026;
6.1.
wijst het resterende deel van de verzoeken af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.