De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige die onder toezicht staat. De minderjarige verblijft sinds 2024 in een gesloten accommodatie vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling belemmeren.
De kinderrechter heeft de spoedmachtiging van 6 maart 2026 beoordeeld en vastgesteld dat er geen nieuwe feiten zijn die aanleiding geven tot herroeping. Het reguliere verzoek tot verlenging van de machtiging is vervolgens inhoudelijk beoordeeld. Ondanks de onrust en wisselingen in de groepsleiding, waardoor de minderjarige onvoldoende rust en structuur ervaart, is vastgesteld dat de problematiek nog niet voldoende is aangepakt om terugkeer naar huis mogelijk te maken.
De GI heeft toegelicht dat verdere hulpverlening en begeleiding noodzakelijk zijn, evenals een stapsgewijze uitbreiding van het contact met de moeder. De kinderrechter acht het verblijf in de gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt aan de hulp. De machtiging wordt daarom verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 4 juli 2026, met het oog op een zorgvuldige terugkeer naar de thuissituatie.
De minderjarige en haar moeder uitten zorgen over de duur en de gang van zaken, maar de rechter benadrukt het belang van stabiliteit en continuïteit in de hulpverlening. Het resterende deel van het verzoek wordt afgewezen omdat de machtiging niet langer dan de ondertoezichtstelling kan worden verleend.