ECLI:NL:RBZWB:2026:317

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
02-219540-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging, poging tot afpersing, mishandeling, opzetaanranding en het bezit van een vuurwapen

Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere ernstige misdrijven. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en verkrachting, poging tot afpersing, mishandeling, opzetaanranding en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De feiten vonden plaats op 10 juli 2025, waarbij de verdachte de vrouw van een schuldenaar bedreigde met een vuurwapen en haar kinderen in gevaar bracht. De rechtbank oordeelde dat de verdachte de vrouw en haar kinderen doodsangst aanjoeg door hen te dwingen tot afgifte van geld en daarbij gebruik te maken van geweld en bedreiging. De verdachte heeft de handelingen gefilmd en dit als drukmiddel gebruikt. De rechtbank achtte de verklaringen van de slachtoffers geloofwaardig en de ontkenning van de verdachte niet onderbouwd. De rechtbank heeft de ernst van de feiten zwaar laten meewegen in de strafoplegging, vooral gezien de impact op de slachtoffers en de betrokkenheid van een minderjarig kind. De rechtbank heeft ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging genomen, maar oordeelde dat deze niet voldoende waren om een lichtere straf op te leggen. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf is toegewezen, omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-219540-25
Parketnummer tul: 02-341420-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 januari 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in [verblijfplaats] ,
raadsvrouw mr. I.M. d'Hont, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. drs. E. van Aalst en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is eerst gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en vervolgens overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1[slachtoffer 1] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht en met verkrachting;
feit 2heeft geprobeerd [slachtoffer 2] af te persen;
feit 3[slachtoffer 3] heeft mishandeld door in een zwembad haar gezicht/hoofd onder water te duwen;
feit 4[slachtoffer 1] heeft aangerand door met dwang en bedreiging zijn geslachtsdeel tussen/onder/tegen haar billen op en neer te bewegen;
feit 5een pistool voorhanden heeft gehad;
feit 6een geweer en munitie voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 tot en met 5 heeft begaan. De officier van justitie neemt daarbij de verklaringen van aangevers als uitgangspunt en acht delen van de verklaring van verdachte ongeloofwaardig.
Bij feit 2 gaat de officier van justitie uit van medeplegen op beide data. Anderen hebben op 9 juli 2025 [slachtoffer 2] gebeld en hem verteld dat hij geld moest betalen omdat hij anders opgezocht zou gaan worden. Volgens de officier van justitie kan het niet anders dan dat verdachte vervolgens degene is geweest die fysiek moest gaan zorgen dat dat geld er kwam, wat betekent dat er overleg moet zijn geweest tussen deze personen. Te meer nu verdachte precies op het tijdstip dat de dag daarvoor telefonisch aan [slachtoffer 2] is doorgegeven bij [slachtoffer 2] voor de deur stond.
Voor feit 6 is onvoldoende bewijs aanwezig en dient vrijspraak te volgen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bij feit 1, 2 en 4 aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en de vader van [slachtoffer 1] veel tegenstrijdigheden bevatten. Nu verdachte ontkent een wapen bij zich te hebben gedragen en de doodsbedreigingen te hebben geuit en er verder geen getuigen zijn die de verklaring [slachtoffer 1] op die punten ondersteunen, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van feit 1, het derde gedachtestreepje van feit 2 en feit 4.
Voor feit 2 is er ook onvoldoende bewijs aanwezig voor het bestanddeel ‘in vereniging’ en dus het eerste en tweede gedachtestreepje. Uit het onderzoek aan de telefoons is niet gebleken dat verdachte bedreigingen heeft geuit aan de telefoon en zijn signalement komt niet overeen met dat van de man die zou hebben gebeld en een vuurwapen zou hebben getoond.
Voor feit 4 dient vrijspraak te volgen nu verdachte niet kon weten dat bij [slachtoffer 1] de wil ontbrak om de in scène gezette aanranding te ondergaan. Uit het dossier blijkt niet dat zij op enig moment mondeling of op een andere manier kenbaar heeft gemaakt dat zij dit niet wilde. Subsidiair moet verdachte worden vrijgesproken voor de verzwarende component dat de aanranding voorafgegaan zou zijn door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor feit 3 en 5 en is met de officier van justitie van mening dat er onvoldoend bewijs aanwezig is voor feit 6.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststaande feiten
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
De man van aangeefster [slachtoffer 1] , de heer [slachtoffer 2] , wordt op 9 juli 2025 tweemaal gebeld waarbij tegen hem wordt gezegd ‘Je weet de tijd, 19.00 uur’. Als [slachtoffer 2] aangeeft dat hij het geld niet heeft, zegt de ander ‘Je weet wat er staat te gebeuren’. Vervolgens ontvangt [slachtoffer 2] een video-oproep waarin tegen hem wordt gezegd dat het geld klaar moet liggen en een vuurwapen wordt getoond.
De volgende dag staat verdachte omstreeks 19.00 uur voor de deur bij de woning van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] is op dat moment bij de politie om aangifte te doen van de bedreigingen de dag ervoor. [slachtoffer 1] en de kinderen zijn wel thuis. [slachtoffer 1] laat verdachte binnen.
Over wat er vervolgens precies in de woning is gebeurd, lopen de verklaringen deels uiteen.
Verdachte bekent dat hij een filmpje heeft gemaakt van de dochter van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , hierna te noemen: [slachtoffer 3] , waarbij hij haar gezicht in het zwembad duwt en een tijdje onder water houdt. Dat zwembad stond in de tuin van [slachtoffer 2] . Hiervan zitten ook videobeelden in het dossier. Daarnaast heeft verdachte bekend dat hij een filmpje heeft gemaakt van seksuele handelingen met [slachtoffer 1] , waarbij zij geknield op de bank zit en hij achter haar staat en met zijn geslachtsdeel op en neer gaat onder haar ontblote billen.
Uiteenlopende verklaringen
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte in de woning tegen haar heeft gezegd dat ze kon kiezen uit twee opties. De ene optie was dat zij en haar kinderen zichzelf overhoop lieten schieten. De andere optie was dat één van haar kinderen met haar hoofd onder water zou worden gehouden in het zwembad en dat zij zichzelf liet verkrachten.
In haar verklaring bij de politie zegt [slachtoffer 1] dat verdachte in de zak van zijn bodywarmer een pistool had en dat aan haar liet zien. Hij zei daarbij dat het wapen doorgeladen was. Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] nader verklaard over het wapen, in die zin dat verdachte zijn bodywarmer opendeed en liet zien dat er iets in zat in de vorm van een pistool. Dat kon zij zien aan het silhouet van het voorwerp.
Uit het onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer 2] volgt dat [slachtoffer 1] op en na het moment dat verdachte in de woning was meerdere berichten naar [slachtoffer 2] heeft gestuurd waarbij ze aangeeft dat ze hen van kant willen maken, dat ze zich door een ander heeft laten nemen en dat hun kind onder water is geduwd. Vervolgens stuurt [slachtoffer 1] ‘Wat ik had 2 opties of alle 4 over hoop schieten of 1 onder water en mn eigen een beurt laten geven dus he is nie zn gezellig dat ik dit heb moeten doen’.
De vader van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zijn kleindochter hem die avond belde. Ze zei dat er een vreemde man in huis was en dat ze erg bang waren. Hij is daarop naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan. Toen hij daar binnenkwam, begon de man direct met bedreigen. De oudste kleindochter moest met de man en zijn dochter mee naar de tuin. Na een paar minuten kwamen ze terug en is hij met zijn kleinkinderen weggegaan.
Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 1] heeft bedreigd. Verdachte heeft verklaard dat de filmpjes in overleg met [slachtoffer 1] zijn gemaakt. Dit was onderling besproken en zo afgesproken. Volgens verdachte wilde [slachtoffer 1] meewerken omdat zij vond dat [slachtoffer 2] moest stoppen met zijn criminele activiteiten. Ze was er klaar mee dat haar kinderen iedere keer traumatische dingen meemaakten, aldus verdachte.
Geloofwaardigheid verklaringen
De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] consistent heeft verklaard, eerst als getuige, daarna als aangeefster en vervolgens in haar aanvullende verklaring en bij de rechter-commissaris
Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteund door de berichtgeving aan [slachtoffer 2] en de verklaring van haar vader. Het feit dat verdachte een week later bij zijn aanhouding een pistool bij zich had (feit 5), draagt bij aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [slachtoffer 1] dat ze het silhouet van een wapen waarnam in de zak van verdachte.
Daar tegenover staat slechts de enkele ontkenning van verdachte dat het anders is gegaan, welke ontkenning niet is onderbouwd. De verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] zich uit vrije wil heeft laten filmen alsof ze wordt verkracht en vrijwillig heeft meegewerkt aan het onder water laten duwen van het gezicht van haar 10-jarige dochter, acht de rechtbank niet geloofwaardig. [slachtoffer 1] heeft onder bedreiging meegewerkt met verdachte.
feit 1
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 1] met zowel een misdrijf tegen leven gericht als met verkrachting.
feit 2
Onder feit 2 is aan verdachte poging tot afpersing in vereniging van [slachtoffer 2] op meerdere momenten, te weten op 9 en op 10 juli 2025, ten laste gelegd.
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat [naam] de opdracht heeft gekregen om verdachte op te halen en af te zetten en dat [naam] verdachte ook daadwerkelijk naar de woning van [slachtoffer 2] heeft gebracht. Daarmee is nog geen sprake van medeplegen voor de poging tot afpersing op 9 en/of 10 juli 2025.
De rechtbank is voorts van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van de telefonische bedreigingen zoals die hebben plaatsgevonden op 9 juli 2025. Verdachte verschijnt weliswaar wel om 19.00 uur bij het huis van [slachtoffer 2] , welk tijdstip genoemd is in de gesprekken van 9 juli 2025, maar niet is gebleken dat verdachte van die gesprekken kennis heeft gehad of daarbij betrokken was.
Ook blijkt uit het dossier niet dat anderen op de hoogte waren van de handelingen zoals die op 10 juli 2025 door verdachte zijn verricht.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en eventuele medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering. Van enige bijdrage van verdachte aan de bedreigingen op 9 juli 2025 dan wel betrokkenheid van anderen bij de handelingen van verdachte op 10 juli 2025 is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen en de eerste twee gedachtestreepjes van feit 2.
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht de rechtbank de handelingen zoals die zijn ten laste gelegd onder het derde, vierde en vijfde gedachtestreepje wel wettig en overtuigend bewezen. Naar eigen zeggen heeft verdachte die handelingen verricht met het oogmerk om [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag. Dit levert naar het naar het oordeel van de rechtbank een poging tot afpersing van [slachtoffer 2] op. De rechtbank gaat daarbij niet mee in de verklaring van verdachte ter zitting dat het geldbedrag waar de afpersing op ziet enkel een schuld van [slachtoffer 2] aan verdachte betrof, nu verdachte bij de politie heeft verklaard dat het ging om een schuld van [slachtoffer 2] aan hem en anderen.
feit 3 en 4
Op grond van hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, acht de rechtbank beide feiten wettig en overtuigend bewezen
feit 5
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de bevindingen van het onderzoek aan het op 17 juli 2025 bij verdachte aangetroffen pistool acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.
feit 6
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor feit 6. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1op 10 juli 2025 te [plaats 1] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en verkrachting door
- door de stof van zijn (jas)zak heen de contouren van een vuurwapen te laten zien en daarbij aan te geven dat deze was doorgeladen en
- [slachtoffer 1] toe te voegen: “Je kunt kiezen uit twee opties. De ene optie is: jij en je kinderen laten jezelf overhoop schieten. De andere optie is: één van je kinderen wordt met haar hoofd onder water gehouden in het zwembad en jij laat jezelf verkrachten";
feit 2op 10 juli 2025 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] toebehoorde,
- [slachtoffer 1] (de partner van voornoemde [slachtoffer 2] ) toe te voegen: "Je kunt kiezen uit twee opties. De ene optie is: jij en je kinderen laten jezelf overhoop schieten. De andere optie is: één van je kinderen wordt met haar hoofd onder water gehouden in het zwembad en jij laat jezelf verkrachten" en
- achter [slachtoffer 1] te staan en met zijn, verdachtes, armen op haar schouders en met zijn geslachtsdeel op en neer te gaan onder de ontblote billen van [slachtoffer 1] en dit te filmen en
- [slachtoffer 3] in een zwembad met haar gezicht onder water te duwen en te houden en dit te filmen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3op 10 juli 2025 te [plaats 1] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door bij haar een hevig onlust veroorzakende gewaarwording teweeg te brengen, door [slachtoffer 3] in een zwembad met haar gezicht onder water te duwen en te houden;
feit 4op 10 juli 2025 te [plaats 1] met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op en neer bewegen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel onder de ontblote billen van voornoemde [slachtoffer 1] terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe wil ontbrak en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door bedreiging, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 1] toegevoegd: "Je kunt kiezen uit twee opties. De ene optie is: jij en je kinderen laten jezelf overhoop schieten. De andere optie is: één van je kinderen wordt met haar hoofd onder water gehouden in het zwembad en jij laat jezelf verkrachten" en (de contouren van) een vuurwapen laten zien;
feit 5op 17 juli 2025 te [plaats 2] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Bruni (BBM), type 315 auto, kaliber 6,35mm (Browning) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 60 maanden met aftrek van voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden zoals die naar voren komen in het reclasseringsadvies. Verdachte heeft tijdens zijn voorarrest ingezien dat afpersen niet de manier is om geld van iemand terug te krijgen en heeft spijt dat hij het op deze manier heeft aangepakt en onschuldige gezinsleden heeft lastiggevallen. Hij heeft het besef gekregen dat hij zijn geld kwijt is en zal daar niet meer achteraangaan.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van [slachtoffer 2] . Hij is naar de woning van [slachtoffer 2] gegaan, waar alleen diens vrouw en drie jonge kinderen aanwezig waren. [slachtoffer 2] was er niet en toch is verdachte de woning binnengegaan. Daar heeft hij de oudste dochter [slachtoffer 3] van tien jaar in het zwembad in de tuin met haar gezicht onder water geduwd en gehouden. Vervolgens heeft hij [slachtoffer 1] , zijnde de vrouw van [slachtoffer 2] , aangerand door met zijn geslachtsdeel op een neer te gaan onder haar blote billen. Beide feiten heeft verdachte gefilmd met het doel deze filmpjes naar [slachtoffer 2] te sturen om [slachtoffer 2] op die manier te dwingen geld terug te betalen. Voorafgaand aan het maken van de filmpjes heeft verdachte [slachtoffer 1] bedreigd. [slachtoffer 1] kreeg van verdachte de onmogelijke ‘keuze’: zij en haar kinderen zouden overhoop worden geschoten of zij zou meewerken met genoemde handelingen. [slachtoffer 1] zag daarbij dat verdachte een wapen in zijn zak had. Verdachte heeft met deze handelingen [slachtoffer 1] en haar kinderen doodsangst aangejaagd, dit terwijl zij zich bevonden in hun eigen woning, juist een plaats waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen. De rechtbank acht het verwerpelijk dat verdachte het hele gezin bij het geschil met [slachtoffer 2] heeft betrokken. Met name de mishandeling van de nog maar tienjarige [slachtoffer 3] rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Verdachte heeft doelbewust een weerloos meisje, dat op geen enkele wijze verantwoordelijk kan worden gehouden voor de schulden van haar vader, misbruikt als mogelijk pressiemiddel om haar vader te dwingen tot terugbetaling van een schuld. Zij is het slachtoffer geworden van criminele parktijken waar zij volledig buiten staat. Verdachte heeft hiermee niet alleen de lichamelijke integriteit van het meisje geschonden maar ook haar gevoel van veiligheid en vertrouwen in volwassenen ernstig aangetast. Het gebruik van geweld tegen een kind is volstrekt onaanvaardbaar en raakt aan de kernwaarden van onze rechtsorde.
Bij zijn aanhouding, een week na deze feiten, is daarnaast bij verdachte een pistool aangetroffen. Het voorhanden hebben van een vuurwapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de samenleving met zich mee en is daarom verboden.
Persoonlijke omstandigheden
Het gedrag van verdachte sluit aan bij het beeld dat volgt uit zijn strafblad. Hij is eerder veroordeeld voor geweldsdelicten en liep daarvoor ten tijde van onderhavige feiten zelfs in een proeftijd. Verdachte geeft daarnaast blijk van een zorgwekkend gebrek aan normbesef. Uit zijn verklaring ter zitting volgt dat hij is gestopt met werken zodat hij geen alimentatie hoeft te betalen. Hij heeft enerzijds schulden en krijgt daarvoor hulp van de gemeente, terwijl hij tegelijk zwart werkt. Uit het rapport van de Reclassering volgt dat hij zijn ex-partner heeft lastiggevallen en bedreigd.
De reclassering signaleert in haar rapport van 17 november 2025 risicofactoren op het gebied van financiën, sociaal netwerk en mogelijk middelengebruik, psychosociaal functioneren en houding. Daarnaast ziet de reclassering een patroon van het ontbreken van een adequate emotieregulatie. Verdachte is veroordeeld wegens geweld richting zijn ex-partner waar hij in detentie ook een telefonische bedreiging naar heeft geuit, heeft conflicten binnen detentie waarvoor hij is gestraft en is weggestuurd bij een kliniek wegens het niet houden aan afspraken. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld-hoog.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van de feiten is naar het oordeel van de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel niet meer aan de orde. De rechtbank weegt daarbij mee dat de feiten hebben plaatsgevonden in de context van criminele activiteiten en dat verdachte daarmee heeft laten zien bereid te zijn buitensporig geweld toe te passen om zijn eigen belangen veilig te stellen.
Bij de bepaling van de hoogte van straf, heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op het arrest ter zake van soortgelijke feiten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gepubliceerd als ECLI:NL:GHARL:2013:BY9416, en hetgeen de officier van justitie daarbij heeft aangevoerd.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de straf opleggen die door de officier van justitie is gevorderd, te weten een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.Het beslag

7.1.
De verbeurdverklaring
De in beslag genomen telefoon wordt verbeurdverklaard. De telefoon is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen omdat de telefoon aan verdachte toebehoort en het onder 2 bewezen feit met behulp van deze telefoon is begaan.
7.2.
De onttrekking aan het verkeer
Het in beslag genomen pistool wordt onttrokken aan het verkeer. Het pistool is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om dat pistool te onttrekken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet/het algemeen belang en het onder 5 bewezen feit met betrekking tot dit pistool is begaan.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met aftrek van voorarrest die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 15 maart 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 45, 57, 241, 285, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder 6 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en verkrachting;
feit 2:poging tot afpersing;
feit 3:mishandeling;
feit 4:opzetaanranding voorafgegaan door bedreiging;
feit 5:handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van vijf jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende voorwerp: telefoon van het merk iPhone;
- verklaart onttrokken aan het verkeer het volgende voorwerp: het pistool van het merk Bruni;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 15 maart 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-341420-23
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en S.P.W. van Dooren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 23 januari 2026.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1hij op of omstreeks 10 juli 2025 te [plaats 1] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of verkrachting door
- een vuurwapen uit zijn, verdachtes, zak te pakken en dat vuurwapen aan [slachtoffer 1] te tonen en/of door de stof van zijn (jas)zak heen de contouren van een vuurwapen te laten zien en/of daarbij aan te geven dat deze was doorgeladen althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- toe te voegen: “Je kunt kiezen uit twee opties. De ene optie is: jij en je kinderen laten jezelf overhoop schieten. De andere optie is: één van je kinderen wordt met haar hoofd onder water gehouden in het zwembad en jij laat jezelf verkrachten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
feit 2hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 9 juli 2025 tot en met 10 juli 2025 te [plaats 2] en/of [plaats 1] althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een of meerdere geldbedragen (€70.000,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n)
- voornoemde [slachtoffer 2] te bellen en toe te voegen "Je weet de tijd. 19:00 uur, je weet wat er staat te gebeuren" althans woorden van die aard en/of strekking en/of
- voornoemde [slachtoffer 2] te videobellen en toe te voegen “Je moet paraat staan. Het geld moet klaarliggen" althans woorden van die aard en/of strekking en/of daarbij een (op) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen en/of
- [slachtoffer 1] (de partner van voornoemde [slachtoffer 2] ) toe te voegen: "Je kunt kiezen uit twee opties. De ene optie is: jij en je kinderen laten jezelf overhoop schieten. De andere optie is: één van je kinderen wordt met haar hoofd onder water gehouden in het zwembad en jij laat jezelf verkrachten" en/of
- achter [slachtoffer 1] te staan en met zijn, verdachtes, armen op haar schouders en/of met zijn geslachtsdeel op en neer te gaan tussen/onder/tegen de ontblote billen van [slachtoffer 1] en dit te filmen en/of
- [slachtoffer 3] in een zwembad met haar gezicht/hoofd onder water te duwen en/of te houden en dit te filmen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3hij op of omstreeks 10 juli 2025 te [plaats 1] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door bij haar een hevig onlust veroorzakende gewaarwording teweeg te brengen, door [slachtoffer 3] in een zwembad met haar gezicht/hoofd onder water te duwen en/of te houden;
feit 4hij op of omstreeks 10 juli 2025 te [plaats 1] met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op en neer bewegen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel tussen/onder/tegen de ontblote billen van voornoemde [slachtoffer 1] terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe wil ontbrak en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 1] toegevoegd: "Je kunt kiezen uit twee opties. De ene optie is: jij en je kinderen laten jezelf overhoop schieten. De andere optie is: één van je kinderen wordt met haar hoofd onder water gehouden in het zwembad en jij laat jezelf verkrachten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (de contouren van) een vuurwapen laten zien;
feit 5hij op of omstreeks 17 juli 2025 te [plaats 2] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Bruni (BBM), type 315 auto, kaliber 6,35mm (Browning) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
feit 6hij op of omstreeks 10 juli 2025 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een wapen van categorie II, onder 3, te weten een gewijzigd (ingekorte loop) enkelloops hagelgeweer, van het merk Winchester, type Model 12 (shotgun), kaliber 12 zijnde een vuurwapen dat zodanig was vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was en/of dat de aanvalskracht werd verhoogd en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 5 hagelpatronen van het kaliber 12
voorhanden heeft gehad.