4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststaande feiten
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
De man van aangeefster [slachtoffer 1] , de heer [slachtoffer 2] , wordt op 9 juli 2025 tweemaal gebeld waarbij tegen hem wordt gezegd ‘Je weet de tijd, 19.00 uur’. Als [slachtoffer 2] aangeeft dat hij het geld niet heeft, zegt de ander ‘Je weet wat er staat te gebeuren’. Vervolgens ontvangt [slachtoffer 2] een video-oproep waarin tegen hem wordt gezegd dat het geld klaar moet liggen en een vuurwapen wordt getoond.
De volgende dag staat verdachte omstreeks 19.00 uur voor de deur bij de woning van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] is op dat moment bij de politie om aangifte te doen van de bedreigingen de dag ervoor. [slachtoffer 1] en de kinderen zijn wel thuis. [slachtoffer 1] laat verdachte binnen.
Over wat er vervolgens precies in de woning is gebeurd, lopen de verklaringen deels uiteen.
Verdachte bekent dat hij een filmpje heeft gemaakt van de dochter van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , hierna te noemen: [slachtoffer 3] , waarbij hij haar gezicht in het zwembad duwt en een tijdje onder water houdt. Dat zwembad stond in de tuin van [slachtoffer 2] . Hiervan zitten ook videobeelden in het dossier. Daarnaast heeft verdachte bekend dat hij een filmpje heeft gemaakt van seksuele handelingen met [slachtoffer 1] , waarbij zij geknield op de bank zit en hij achter haar staat en met zijn geslachtsdeel op en neer gaat onder haar ontblote billen.
Uiteenlopende verklaringen
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte in de woning tegen haar heeft gezegd dat ze kon kiezen uit twee opties. De ene optie was dat zij en haar kinderen zichzelf overhoop lieten schieten. De andere optie was dat één van haar kinderen met haar hoofd onder water zou worden gehouden in het zwembad en dat zij zichzelf liet verkrachten.
In haar verklaring bij de politie zegt [slachtoffer 1] dat verdachte in de zak van zijn bodywarmer een pistool had en dat aan haar liet zien. Hij zei daarbij dat het wapen doorgeladen was. Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] nader verklaard over het wapen, in die zin dat verdachte zijn bodywarmer opendeed en liet zien dat er iets in zat in de vorm van een pistool. Dat kon zij zien aan het silhouet van het voorwerp.
Uit het onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer 2] volgt dat [slachtoffer 1] op en na het moment dat verdachte in de woning was meerdere berichten naar [slachtoffer 2] heeft gestuurd waarbij ze aangeeft dat ze hen van kant willen maken, dat ze zich door een ander heeft laten nemen en dat hun kind onder water is geduwd. Vervolgens stuurt [slachtoffer 1] ‘Wat ik had 2 opties of alle 4 over hoop schieten of 1 onder water en mn eigen een beurt laten geven dus he is nie zn gezellig dat ik dit heb moeten doen’.
De vader van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zijn kleindochter hem die avond belde. Ze zei dat er een vreemde man in huis was en dat ze erg bang waren. Hij is daarop naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan. Toen hij daar binnenkwam, begon de man direct met bedreigen. De oudste kleindochter moest met de man en zijn dochter mee naar de tuin. Na een paar minuten kwamen ze terug en is hij met zijn kleinkinderen weggegaan.
Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 1] heeft bedreigd. Verdachte heeft verklaard dat de filmpjes in overleg met [slachtoffer 1] zijn gemaakt. Dit was onderling besproken en zo afgesproken. Volgens verdachte wilde [slachtoffer 1] meewerken omdat zij vond dat [slachtoffer 2] moest stoppen met zijn criminele activiteiten. Ze was er klaar mee dat haar kinderen iedere keer traumatische dingen meemaakten, aldus verdachte.
Geloofwaardigheid verklaringen
De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] consistent heeft verklaard, eerst als getuige, daarna als aangeefster en vervolgens in haar aanvullende verklaring en bij de rechter-commissaris
Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteund door de berichtgeving aan [slachtoffer 2] en de verklaring van haar vader. Het feit dat verdachte een week later bij zijn aanhouding een pistool bij zich had (feit 5), draagt bij aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [slachtoffer 1] dat ze het silhouet van een wapen waarnam in de zak van verdachte.
Daar tegenover staat slechts de enkele ontkenning van verdachte dat het anders is gegaan, welke ontkenning niet is onderbouwd. De verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] zich uit vrije wil heeft laten filmen alsof ze wordt verkracht en vrijwillig heeft meegewerkt aan het onder water laten duwen van het gezicht van haar 10-jarige dochter, acht de rechtbank niet geloofwaardig. [slachtoffer 1] heeft onder bedreiging meegewerkt met verdachte.
feit 1
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 1] met zowel een misdrijf tegen leven gericht als met verkrachting.
feit 2
Onder feit 2 is aan verdachte poging tot afpersing in vereniging van [slachtoffer 2] op meerdere momenten, te weten op 9 en op 10 juli 2025, ten laste gelegd.
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat [naam] de opdracht heeft gekregen om verdachte op te halen en af te zetten en dat [naam] verdachte ook daadwerkelijk naar de woning van [slachtoffer 2] heeft gebracht. Daarmee is nog geen sprake van medeplegen voor de poging tot afpersing op 9 en/of 10 juli 2025.
De rechtbank is voorts van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van de telefonische bedreigingen zoals die hebben plaatsgevonden op 9 juli 2025. Verdachte verschijnt weliswaar wel om 19.00 uur bij het huis van [slachtoffer 2] , welk tijdstip genoemd is in de gesprekken van 9 juli 2025, maar niet is gebleken dat verdachte van die gesprekken kennis heeft gehad of daarbij betrokken was.
Ook blijkt uit het dossier niet dat anderen op de hoogte waren van de handelingen zoals die op 10 juli 2025 door verdachte zijn verricht.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en eventuele medeverdachten niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering. Van enige bijdrage van verdachte aan de bedreigingen op 9 juli 2025 dan wel betrokkenheid van anderen bij de handelingen van verdachte op 10 juli 2025 is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen en de eerste twee gedachtestreepjes van feit 2.
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht de rechtbank de handelingen zoals die zijn ten laste gelegd onder het derde, vierde en vijfde gedachtestreepje wel wettig en overtuigend bewezen. Naar eigen zeggen heeft verdachte die handelingen verricht met het oogmerk om [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag. Dit levert naar het naar het oordeel van de rechtbank een poging tot afpersing van [slachtoffer 2] op. De rechtbank gaat daarbij niet mee in de verklaring van verdachte ter zitting dat het geldbedrag waar de afpersing op ziet enkel een schuld van [slachtoffer 2] aan verdachte betrof, nu verdachte bij de politie heeft verklaard dat het ging om een schuld van [slachtoffer 2] aan hem en anderen.
feit 3 en 4
Op grond van hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, acht de rechtbank beide feiten wettig en overtuigend bewezen
feit 5
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de bevindingen van het onderzoek aan het op 17 juli 2025 bij verdachte aangetroffen pistool acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.
feit 6
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor feit 6. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.