De moeder van de minderjarige is in oktober 2025 overleden, waarna de vader, die tot dan toe weinig betrokken was, verantwoordelijk werd voor de opvoeding. In december 2025 liet de vader de minderjarige en zijn zus bijna twee weken aan hun lot over door afwezigheid en onbereikbaarheid, wat leidde tot voorlopige voogdij en uithuisplaatsing van de minderjarige bij een woongroep.
De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een ondertoezichtstelling voor een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden, vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie, de emotionele steun van de vader en het ontbreken van contact met familie van moederszijde. De vader erkent fouten en staat achter de ondertoezichtstelling, maar verzet zich tegen langdurige uithuisplaatsing.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en benadrukt de noodzaak van begeleiding voor de vader. De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de regie over de hulpverlening te voeren. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor zes maanden verleend, met het oog op een spoedige terugkeer naar huis, mits de vader zijn opvoedcapaciteiten aantoont.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.