Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3177

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/443218 en C/02/445486
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 maart 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, alsmede over een verzoek tot een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders. De minderjarige verblijft momenteel bij de vader, die sinds oktober 2025 gezamenlijk met de moeder het ouderlijk gezag uitoefent. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing waren eerder verleend en moesten worden verlengd.

De gecertificeerde instelling (GI) heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader, alsmede om een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders. De GI onderbouwde dit met het belang van stabiliteit, veiligheid en structuur voor de minderjarige, die ondanks positieve ontwikkelingen nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De moeder erkent de noodzaak van verlenging maar vraagt om een kortere termijn en meer zicht op de maatregel. De vader steunt de verzoeken en benadrukt de positieve ontwikkeling van de minderjarige.

De kinderrechter heeft de belangen van de minderjarige centraal gesteld en erkent de positieve stappen, maar ook de blijvende kwetsbaarheid en problematiek. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader worden verlengd voor 11 maanden, terwijl de deeltijdmachtiging bij de grootouders wordt verleend voor een jaar. De omgang met de moeder blijft begeleid en ongewijzigd. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en in het openbaar uitgesproken. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader en verleent een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443218 / JE RK 25-2273 (
deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing)
C/02/445486 / JE RK 26-339 (
verlenging ondertoezichtstelling en verlenging
machtiging tot uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N.A.H. Limbourg uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
C/02/443218 / JE RK 25-2273
  • het verzoek met bijlagen, ontvangen op 24 september 2025;
  • het bericht van de GI van 24 september 2025;
  • het stelbericht van mr. N.A.H. Limbourg van 8 januari 2026;
  • het bericht van de GI van 17 februari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de GI van 4 maart 2026.
C/02/445486 / JE RK 26-339
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
  • het stelbericht van mr. N.A.H. Limbourg van 3 maart 2026;
  • het bericht met bijlagen van de GI van 4 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van de partner van de vader en de opa (mz).
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
Gelet op de nauwe samenhang tussen de verzoeken zijn deze gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij deze beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , de vader sinds 3 oktober 2025.
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 april 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 7 oktober 2025, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 9 oktober 2025 tot 19 april 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 ook een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader met ingang van 9 oktober 2025 tot 19 april 2026.

3.De verzoeken

C/02/443218 / JE RK 25-2273
3.1.
De GI verzoekt, naar de kinderrechter begrijpt, voor de duur van de ondertoezichtstelling een deeltijdmachtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders, te weten:
  • iedere woensdag na school tot donderdagochtend;
  • eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot maandagochtend.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
C/02/445486 / JE RK 26-339
3.3.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.4.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.5.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er zijn positieve stappen gezet. [minderjarige] verblijft bij de vader waar hij duidelijkheid, structuur en veiligheid ervaart. Dit heeft [minderjarige] echt nodig. De vader werkt goed mee met de hulpverlening. [minderjarige] zet stappen in zijn ontwikkeling. Tegelijkertijd blijft hij een kwetsbare jongen die lange tijd onvoldoende veiligheid en voorspelbaarheid heeft gekend. Hij heeft moeite met zijn emotieregulatie, laat boos gedrag zien, past zich sterk aan aan de verwachtingen van volwassenen en er is sprake van een loyaliteitsconflict. Er zullen de komende perioden een hoop belangrijke veranderingen plaatsvinden voor [minderjarige] . Hij gaat wisselen van school en is recent gestart met een behandeling bij [hulpverlening] . Volgens [jeugdzorg] moet er meer zicht komen op de interactie tussen de moeder en [minderjarige] , zodat kan worden onderzocht wat voor hulp de moeder nodig heeft. Gesprekken met de moeder zijn mogelijk, maar zodra [jeugdzorg] diepgang probeert te krijgen, lukt het de moeder niet meer. Op den duur zal worden gekeken of de behandeling ook voor het systeem kan worden ingezet. [minderjarige] heeft trauma’s. Dit vraagt veel van zijn opvoedomgeving. De vader wordt daarin begeleid. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk voor het nemen van belangrijke beslissingen rondom de behandeling, de school en de omgang. De GI ziet geen meerwaarde in een tussentijds toetsmoment, omdat er nog veel doelen te behalen zijn.
4.2.
Het contact met de moeder vindt begeleid plaats. Er is sprake van fijn en warm contact tussen [minderjarige] en de moeder. De GI maakt zich zorgen over de persoonlijke problematiek en het mogelijke middelengebruik van de moeder. De moeder heeft stappen gemaakt in de behandeling, maar het ontbreekt nog aan stabiliteit. Er is sprake van spanningsopbouw bij [minderjarige] na contactmomenten met de moeder. Er wordt daarom nog niet opgebouwd naar uitbreiding en logeercontacten met de moeder. De GI is bereid de moeder te helpen met het vinden van een passende behandeling en aan te sluiten bij een intakegesprek, maar het is aan de moeder om actie te ondernemen. De GI maakt zich zorgen of dat de moeder op dit moment gaat lukken. Er is eerder gewisseld van jeugdbeschermer vanwege het wantrouwen van de moeder richting de GI. De GI hoopt dat de moeder de stap naar samenwerking met de GI kan zetten. De GI heeft geprobeerd contact op te nemen met de huisarts, maar de moeder heeft daar geen toestemming voor verleend.
4.3.
De GI merkt op dat het een mooie stap is dat de vader inmiddels ook gezag heeft. De GI is van mening dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats nog niet aan de orde is. De GI ziet het niet zitten om op dit moment een ouderschapsplan op te stellen. De moeder stelt eisen wanneer er afspraken moeten worden gemaakt en er bestaan nog teveel zorgen over de communicatie tussen de ouders. Daarom is ook de uithuisplaatsing nog noodzakelijk.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij inziet dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nog nodig is, maar zij verzoekt de rechtbank de ondertoezichtstelling voor zes of negen maanden te verlengen en voor het overige deel aan te houden, zodat er meer zicht op de maatregel is. De moeder heeft zich bij verschillende instanties aangemeld, maar werd afgewezen omdat zij niet de juiste hulpvraag had. Zij heeft de GI om hulp verzocht, maar kreeg geen duidelijke reactie. De moeder wil niet dat de GI aanwezig is bij een intakegesprek. Zij vraagt zich af wat zij verkeerd doet, wat haar hulpvraag zou moeten zijn en waarom zij niet voor [minderjarige] zou kunnen zorgen. Zij heeft sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] geen drugs gebruikt. De moeder heeft problematiek waar zij al sinds 2018 aan werkt. Zij krijgt daar depotmedicatie voor van de huisarts.
De ouders kunnen samen beslissingen nemen. Het is belangrijk dat er duidelijke afspraken komen in een ouderschapsplan. Het ouderschapsplan hoeft nog niet uitgebreid te zijn, maar er moet iets worden afgesproken. Wat er nu ligt is te onduidelijk.
De moeder begrijpt dat [minderjarige] bij de vader woont. Bij een uithuisplaatsing wordt in principe gewerkt aan terugplaatsing. Daar is geen sprake van. Het perspectief ligt niet bij de moeder, maar bij de vader. De moeder ziet daarom niet in waarom niet juridisch wordt vastgelegd wat de feitelijke situatie is en de hoofdverblijfplaats bij de vader wordt bepaald. De moeder verzoekt de uithuisplaatsing voor drie maanden toe te wijzen zodat dit kan worden gedaan. Ook daarvoor is het belangrijk dat er een ouderschapsplan ligt. Hetzelfde geldt voor de deeltijduithuisplaatsing bij de oma.
De moeder vindt het ongenuanceerd dat de GI zegt dat zij eisen stelt bij het maken van afspraken met de GI. Zij vindt het goed dat [minderjarige] naar de grootouders (vz) gaat, maar zij hoopt dat er dan ook wordt gewerkt aan contactopbouw met de grootouders (mz).
5.2.
Door de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het verzoek. Er zijn mooie stappen gezet. [minderjarige] gaat naar school bij de [accommodatie]. Hij heeft het daar naar zijn zin. De vader is van mening dat [minderjarige] voldoende ondersteuning krijgt om de stijgende lijn vast te houden. Er zijn ook nog moeilijke momenten maar de vader geeft aan daar goed bij te worden ondersteund.

6.De beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.5.
Met alle betrokkenen vindt de kinderrechter het fijn dat het goed gaat met [minderjarige] in de thuissituatie van de vader. De kinderrechter vindt het heel knap van [minderjarige] dat hij positieve stappen zet en weer is begonnen met school waar hij zich verder kan ontwikkelen. De voor [minderjarige] noodzakelijke hulpverlening bevindt zich in een overgangsfase, die goed verloopt. Verder is van belang dat het begeleide contact tussen [minderjarige] en de moeder grotendeels warm en liefdevol is. Tot slot is gebleken dat [minderjarige] veel baat heeft bij de regeling met de grootouders (vz).
6.6.
Tegelijkertijd heeft de kinderrechter nog veel zorgen over [minderjarige] en is zij van mening dat hij nog ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft ontzettend veel meegemaakt in zijn nog jonge leven en veel (emotionele) onveiligheid gekend. Dit heeft veel met [minderjarige] gedaan en geleid tot onder andere trauma’s, problemen in zijn emotieregulatie en loyaliteitsproblematiek. Met de GI vindt de kinderrechter dat de focus de komende periode moet (blijven) liggen op [minderjarige] en de positieve stappen die hij zet op school en met zijn behandeling. Dit vraagt heel veel van [minderjarige] en hij moet hierin zoveel als mogelijk worden ondersteund. Het is dan ook van cruciaal belang dat de rust, regelmaat en stabiliteit die [minderjarige] krijgt in de thuissituatie van de vader niet verstoord raken. Dit maakt dat de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] vindt om geen wijzigingen aan te brengen in de omgangsregeling met de moeder en om het structurele verblijf van [minderjarige] bij de grootouders (vz) te continueren. De kinderrechter begrijpt de wens van de moeder om [minderjarige] meer te zien, maar het belang van [minderjarige] staat voorop. De kinderrechter zal daarom het verzoek om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader te verlengen toewijzen. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter ook het verzoek om een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders (vz) toewijzen.
6.7.
Volgens de wet kan de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing voor maximaal een jaar verlenen. Dit betekent dat de deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders (vz) zal worden verleend met ingang van 19 maart 2026 tot 19 maart 2027. Om ervoor te zorgen dat de termijnen van de ondertoezichtstelling en de machtigingen tot uithuisplaatsing gelijk lopen, zal de kinderrechter het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader toewijzen voor de duur van 11 maanden, te weten: van 19 april 2026 tot 19 maart 2027. Het resterende deel van het verzoek zal worden afgewezen. Mocht de GI te zijner tijd van mening zijn dat een verlenging van de maatregelen nog nodig is, dan kan er één verzoek worden ingediend.
6.8.
Tot slot spreekt de kinderrechter de hoop uit dat de samenwerking tussen de moeder en de GI de komende periode zal verbeteren, alsook dat de moeder de handreikingen die vanuit de GI zijn gedaan om haar te ondersteunen bij het vinden van passende hulpverlening zal aangrijpen.
6.9.
Zoals besproken, ontvangt [minderjarige] zelf een brief over de uitspraak van de kinderrechter:
Beste [minderjarige] ,
Op 9 maart 2026 ben je naar de rechtbank gekomen om met mij te praten. Je hebt heel goed verteld hoe het met je gaat en wat jij belangrijk vindt. De dag erna heb ik met papa, mama en [persoon] (jouw jeugdbeschermer) gepraat. Ik heb goed naar iedereen geluisterd en gekeken naar wat het beste is voor jou.
Er is heel veel gebeurd in jouw leven en je hebt moeilijke dingen meegemaakt. Je gaat gelukkig weer naar school en dat gaat goed. Ook doe je goed je best met jouw behandeling. Dat vind ik heel knap van jou [minderjarige] !!
Ik vind het belangrijk dat je positieve stappen kunt blijven zetten. Dat vraagt veel van jou, ook al voel je dat zelf misschien niet zo. Daarom heb ik besloten dat [persoon] het komende jaar nog betrokken blijft bij jou. Ook zal daarom de omgang met mama en met opa en oma nog hetzelfde blijven.
Ik wens je het allerbeste de komende tijd, [minderjarige] !
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter
Uitvoerbaar bij voorraad
6.10.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.11.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
C/02/445486 / JE RK 26-339
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 19 april 2026 tot
19 maart 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 19 april 2026 tot 19 maart 2027;
C/02/443218 / JE RK 25-2273
7.3.
verleent een (deeltijd)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders vaderszijde met ingang van 19 maart 2026 tot 19 maart 2027, te weten:
  • iedere woensdag na school tot donderdagochtend;
  • eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot maandagochtend;
7.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.