Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3179

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/442667 / JE RK 25-2158
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hopmans
  • De Beer
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 lid 2 Verordening Brussel II-terArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overdracht kinderbeschermingszaak aan Belgische familierechtbank en opheffing ondertoezichtstelling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot overdracht van de bevoegdheid inzake kinderbeschermingsmaatregelen voor een minderjarige geboren in 2010. De zaak betrof ook een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling.

De rechtbank verwees naar een eerdere beschikking van 22 januari 2026 en het verzoek aan de familierechtbank in Gent, België, om de bevoegdheid uit te oefenen conform artikel 12 lid 2 van Pro de Verordening Brussel II-ter. De Belgische rechtbank heeft bij beschikking van 4 maart 2026 haar bevoegdheid aanvaard.

De ouders en de GI gaven aan dat een zitting niet nodig was en dat de zaak schriftelijk kon worden afgedaan. De Nederlandse rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid en draagt de zaak over aan de Belgische rechtbank. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitkomst: De Nederlandse rechtbank draagt de bevoegdheid over aan de Belgische familierechtbank en ziet af van verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/442667 / JE RK 25-2158
Datum uitspraak: 19 maart 2026
(nadere) Beschikking van de meervoudige kamer over een overdracht naar België en een opheffing van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder, en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
tezamen te noemen: de ouders,
wonende in [woonplaats] (te België),
advocaat mr. L.T.C.M. Geurts uit Den Haag.
De rechtbank merkt als informant aan:
[begeleidster] ,
persoonlijk begeleidster van [minderjarige] bij [accommodatie] ,
hierna te noemen: mevrouw [begeleidster] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • De beschikking van 22 januari 2026 met alle daarin vermelde stukken;
  • De beschikking van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent sectie familie- en jeugdrechtbank van 4 maart 2026;
  • Het bericht van mr. Geurts van 6 maart 2026;
  • Het bericht van de GI van 6 maart 2026.

2.De (verdere) beoordeling

2.1.
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 22 januari 2026. In deze beschikking heeft de rechtbank de familierechtbank Gent in België verzocht haar bevoegdheid overeenkomstig artikel 12 lid 2 Verordening Pro Brussel II-ter uit te oefenen over verzoeken tot het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen voor
[minderjarige]en is bepaald dat de overdracht van de bevoegdheid aan de familierechtbank in
Gent , België,zal plaatsvinden door tussenkomst van de liaisonrechter. De behandeling van het overige deel van het verzoek tot het beëindigen van de ondertoezichtstelling is pro forma aangehouden tot een nader te bepalen zitting in afwachting van het bericht van de Gentse familierechtbank met betrekking tot aanvaarding van de bevoegdheid.
2.2.
Bij beschikking van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent sectie familie- en jeugdrechtbank van 4 maart 2026 heeft de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent sectie familie- en jeugdrechtbank haar bevoegdheid
op grond van artikel 12 van Pro de verordening Brussel II-ter aanvaard.
2.3.
Bij bericht van mr. Geurts en bij bericht van de GI, beide van 6 maart 2026, hebben de vader en de moeder en de GI laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden en dat de zaak verder schriftelijk afgedaan kan worden.
2.4.
De rechtbank zal deze zaak om die reden schriftelijk afdoen. Nu de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent sectie familie- en jeugdrechtbank haar bevoegdheid heeft aanvaard, is daarmee op het primaire verzoek van de GI beslist. De rechtbank ziet daarom voor de verdere behandeling van deze zaak af van het uitoefenen van haar bevoegdheid, een en ander conform artikel 12 lid 2 Brussel Pro II-ter.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
ziet – nu de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent sectie familie- en jeugdrechtbank de bevoegdheid heeft aanvaard – af van het uitoefenen van haar bevoegdheid.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, mr. De Beer en mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.