Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3182

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/436478 FA RK 25-3012
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Oijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging onderhoudsbijdrage en terugbetalingsverplichting in zaak minderjarige

Partijen zijn voormalig gehuwd en hebben een minderjarige zoon met hoofdverblijf bij de vrouw. De man verzoekt de rechtbank om de kinderbijdrage te verlagen vanwege gewijzigde omstandigheden, waaronder zijn onderhoudsplicht voor een kind uit een nieuwe relatie. De rechtbank beoordeelt de draagkracht van beide ouders aan de hand van hun netto besteedbaar inkomen en de behoefte van het kind.

De man werkt als zelfstandig ondernemer en de rechtbank bepaalt zijn draagkracht op basis van het gemiddelde van de winsten over drie jaren, rekening houdend met fiscale aftrekposten en schuldenaflossingen. De vrouw heeft een hoger inkomen en voldoende draagkracht. De rechtbank stelt vast dat de man onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage te betalen, maar de vrouw wel een bijdrage moet leveren aan de verblijfskosten die de man maakt.

De rechtbank wijzigt de onderhoudsbijdrage van de man naar nihil met ingang van 14 februari 2025 en bepaalt dat de vrouw een bijdrage van €25 per maand moet betalen vanaf 10 juni 2025, oplopend naar €26,15 in 2026. Tevens wordt een terugbetalingsverplichting opgelegd aan de vrouw voor te veel ontvangen bedragen vanaf 10 juni 2025, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en het belang van beide partijen.

Uitkomst: De onderhoudsbijdrage van de man wordt per 14 februari 2025 vastgesteld op nihil en de vrouw moet een bijdrage betalen aan de man vanaf 10 juni 2025, met een terugbetalingsverplichting voor te veel ontvangen bedragen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/436478 FA RK 25-3012
datum uitspraak: 19 maart 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.M. Molkenboer.
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. L.A.E. Bregonje-Voermans,
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 10 juni 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 18 augustus 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de brieven van mr. Molkenboer van 29 januari 2026 met bijlagen en 2 februari 2026 met bijlage en 4 februari 2026 met bijlage;
- de brief van mr. Bregonje-Voermans van 30 januari 2026 met bijlagen;
- de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2018 en het daaraan gehechte convenant en ouderschapsplan.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 12 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 26 maart 2010 tot 19 juli 2018;
- uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige;
- de minderjarige heeft zijn hoofdverblijf de vrouw;
- ingevolge voormelde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2018 met aangehecht ouderschapsplan dient de man aan de vrouw een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige te voldoen van € 250,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die bijdrage in 2025 € 320,84 per maand en in 2026 € 335,60 per maand;
- de man heeft uit de relatie met zijn huidige partner, mevrouw [persoon] , een dochter, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2020.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt samengevat:
- de door hem te betalen kinderbijdrage met ingang van 14 februari 2025 nader vast te stellen op nihil dan wel op een lager dan het thans geldende bedrag;
- vaststelling van een door de vrouw ten behoeve van de minderjarige te betalen onderhoudsbijdrage van € 227,= dan wel € 134,= per maand met ingang van 14 februari 2025;
- te bepalen dat de vrouw vanaf 14 februari 2025 gehouden is de te veel ontvangen bedragen aan kinderalimentatie aan de man terug te betalen.

4.De beoordeling

Grondslag verzoek
4.1
De man voert als grond voor zijn verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage aan dat sinds de ondertekening van voormeld ouderschapsplan de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de overeengekomen bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
4.2
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de processtukken en het gestelde op de zitting vast dat zich diverse wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan, die een onderzoek naar de behoefte van de minderjarige aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt. Daarna zal blijken of deze wijzigingen als rechtens relevant zijn aan te merken.
Ingangsdatum
4.3
De rechtbank zal de wijziging van de nu geldende bijdrage doen ingaan op 14 februari 2025, zijnde de datum van de door het LBIO opgestelde herberekening.
4.4
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Gelet op rechtsoverweging 4.3 zal de rechtbank de financiële omstandigheden van de onderhoudsplichtigen beoordelen met ingang van 14 februari 2025. Nu niet is gebleken dat de netto besteedbare inkomens van de drie onderhoudsplichtigen in 2026 in relevante mate zijn gestegen (dan wel in een mate die de gebruikelijke indexering overstijgt), zal de rechtbank de te betalen kinderbijdrage becijferen aan de hand van de gegevens over 2025 en de uitkomst daarvan indexeren per 1 januari 2026.
Behoefte [minderjarige 1]
4.5
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de minderjarige [minderjarige 1] in 2017 € 772,= per maand bedroeg en dat die bijdrage in 2025 € 1.006,= per maand en in 2026 € 1.052,= per maand bedroeg.
4.6
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarige becijfert de rechtbank aan de hand van ieders netto besteedbaar inkomen (NBI) in 2025, waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule (70% van [NBI -(0,3 x NBI + 1.310)]) of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
Draagkracht vrouw
4.7
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw in 2025 gaat de rechtbank uit van het inkomen zoals dat blijkt uit de overgelegde jaaropgave over 2025, te weten € 59.461,= bruto. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget van € 4.398,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op een bedrag ter hoogte van € 3.987,= per maand.
4.8
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bij toepassing van de draagkrachtformule moet worden uitgegaan van haar werkelijke woonlast in plaats van het forfaitaire woonbudget van 0,3 x NBI, omdat haar werkelijke woonlast € 1.221,= per maand bedraagt en dus hoger is dan het normbedrag. De rechtbank volgt de vrouw daarin niet. Uitgaande van voormeld NBI bedraagt het woonbudget van de vrouw € 1.196,= per maand. Aldus is er geen sprake van een duurzaam aanmerkelijk hogere woonlast. De rechtbank ziet dan ook geen reden om af te wijken van de in de aanbevelingen opgenomen forfaitaire benadering van kinderalimentatie. De draagkracht van de vrouw in 2025 bedraagt aldus volgens de formule € 1.037,= per maand.
Draagkracht man
4.9
De man werkt als zelfstandig ondernemer (rijschool). Partijen verschillen van mening over (de hoogte van) het inkomen van de man.
4.1
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat voor de bepaling van het NBI van de man moet worden uitgegaan van de privéonttrekkingen omdat de man van die gelden heeft geleefd. De rechtbank volgt de vrouw daarin niet. Bij het bepalen van de
draagkrachtvan een ondernemer is relevant wat in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan worden verworven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Om die reden is voor de bepaling van de draagkracht van de man de winst het uitgangspunt en niet de privéonttrekkingen.
4.11
De draagkracht van de man wordt aldus gerelateerd aan de te verwachten beschikbare winst uit onderneming. De vrouw stelt zich (subsidiair) op het standpunt dat de te verwachten winst moet worden gesteld op het gemiddelde van de winst in 2022, 2023 en 2024, ofwel € 50.030,= bruto per jaar. De man meent primair dat moet worden uitgegaan van de winst in 2025 ter hoogte van € 36.152,= bruto en subsidiair van de gemiddelde winst over 2023, 2024 en 2025. De rechtbank zal voor de bepaling van de draagkracht van de man uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025, zoals deze blijkt uit de in het geding gebrachte stukken. Daarbij ziet de rechtbank, anders dan de vrouw, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de overgelegde prognose en voorlopige winst & verliesrekening over 2025, waaruit een (voorlopig) resultaat volgt van
€ 36.512,= bruto. Dat het resultaat in een onderneming fluctueert is gebruikelijk. De rechtbank zal echter, anders dan de man primair heeft betoogd, niet enkel en alleen van deze voorlopige cijfers uitgaan. Nu een vastgestelde jaarrekening over 2025 nog ontbreekt en door de man geen (onderbouwde) prognose is overgelegd voor het resultaat in 2026 en verder, kan de rechtbank niet beoordelen of het voorlopige resultaat in 2025 een goed beeld geeft van de te verwachten winst in de daarop volgende jaren, of dat het resultaat eenmalig lager is geweest. De rechtbank ziet daarom aanleiding om voor de bepaling van de draagkracht van de man uit te gaan van het gemiddelde van de winsten van de laatste drie jaren, dat wil zeggen de gerealiseerde winsten in 2023 (€ 43.869) en 2024 (€ 53.755,=) en het voorlopige resultaat in 2025 (€ 36.152,=). Dit leidt tot een gemiddelde bruto winst uit onderneming van € 44.592,=.
4.12
De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Daarnaast komt man samen met zijn partner op basis van hun gezamenlijke inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget voor hun dochter [minderjarige 2] van € 16,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2025 op een bedrag ter hoogte van € 3.128,= per maand.
4.13
De vrouw heeft aangevoerd dat een correctie op de draagkrachtformule moet plaatsvinden, omdat de woonlast van de man door samenwoning duurzaam aanmerkelijk lager is dan het in de formule begrepen woonbudget van 0,3 x NBI. Vaststaat dat de man samenwoont met zijn verdienende partner. Ingevolge genoemde aanbevelingen is in dat geval uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen. Nu gegevens omtrent de werkelijke woonlasten van de man en zijn partner ontbreken, zal de rechtbank aan de zijde van de man uitgaan van de helft van het forfaitaire woonbudget, derhalve 0,15 x NBI.
4.14
De man verzoekt de rechtbank rekening te houden met de door hem te betalen aflossing op schulden ter hoogte van € 357,= per maand. Dit betreft een aflossing van
€ 150,= per maand op een schuld aan de gemeente Tilburg vanwege Tozo en een aflossing van € 207,= per maand op een schuld aan de belastingdienst. De man heeft toegelicht dat deze schulden zijn ontstaan in de periode 2020-2022, in welke periode de man herhaaldelijk meerdere maanden niet heeft kunnen werken omdat dat in verband met de coronacrisis feitelijk niet was toegestaan, hetgeen een enorme inkomstenterugval tot gevolg heeft gehad. De vrouw verzet zich tegen het meenemen van deze last, kort gezegd omdat dit zakelijke schulden betreft die al zijn verwerkt in het resultaat van de onderneming en de man deze schulden al had kunnen aflossen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de overgelegde stukken staat vast dat genoemde schulden bestaan en dat hierop door de man wordt afgelost. Niet is gebleken dat de aflossing op deze schulden reeds in het resultaat van de onderneming zou zijn verwerkt, zodat dat standpunt van de vrouw wordt gepasseerd. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de draagkracht rekening te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop (nog) niet wordt afgelost. De rechtbank zal voor de bepaling van de draagkracht van de man daarom rekening houden met genoemde aflossingsverplichting.
4.15
Op grond van het voorgaande bedraagt de draagkracht van de man 70% x [NBI – (0,15 x NBI + € 1.310,= + € 357,=)] = € 694,= per maand.
Samenloop
4.16
De man heeft uit de relatie met zijn huidige partner, mevrouw [persoon] , een dochter, [minderjarige 2] . De man is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] . De partner van de man heeft een dochter uit een eerdere relatie, genaamd [minderjarige 3] . De man is niet onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] . De man is dus onderhoudsplichtig voor twee kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De partner van de man is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Voor de verdeling van de draagkracht van de man over de kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is, is van belang te weten wat de behoefte van [minderjarige 2] is en wat het aandeel van de partner van de man daarin is.
4.17
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [minderjarige 2] in 2025 € 713,= per maand bedraagt en in 2026 € 746,= per maand.
4.18
Voor de vaststelling van het NBI van de partner van de man in 2025 gaat de rechtbank uit van het inkomen zoals dat blijkt uit de overgelegde jaaropgave over 2025, te weten
€ 35.912 bruto. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de partner in 2025 op een bedrag ter hoogte van € 2.839,= per maand.
4.19
Voor wat betreft de woonlasten van de partner van de man gaat de rechtbank, onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.13, uit van de helft van het woonbudget, ofwel 0,15 x NBI. De draagkracht van de partner van de man in 2025 bedraagt aldus 70% x [NBI – (0,15 x NBI + € 1.310,=)] = € 772,= per maand.
4.2
De partner van de man is eveneens onderhoudsplichtig voor haar dochter [minderjarige 3] . De man meent (primair) dat rekening moet worden gehouden met de kosten van [minderjarige 3] , maar geeft daarbij aan dat hij niet over de benodigde stukken beschikt en dat hij deze kosten daarom (nog) niet in de door hem overgelegde draagkrachtberekening heeft betrokken. Omdat gegevens omtrent de behoefte van [minderjarige 3] , de draagkracht van haar vader en/of de door haar vader betaalde bijdrage in de kosten van [minderjarige 3] geheel ontbreken, is de rechtbank niet in staat het aandeel van de partner van de man in de kosten van [minderjarige 3] te bepalen. De rechtbank zal daarom het standpunt van de vrouw volgen en (de kosten voor) [minderjarige 3] geheel buiten de berekening laten. Aan de zijde van de partner van de man zal daarom ook het kindgebonden budget dat ziet op [minderjarige 3] buiten beschouwing worden gelaten. Overigens betekent het voorgaande niet dat de partner van de man geen draagkrachtruimte heeft om haar (onbekende) aandeel in de kosten van [minderjarige 3] te voldoen. Zoals uit de samenloopberekening hierna zal blijken, heeft de partner ook in dat geval draagkrachtruimte “over”, uit welke ruimte – nog te vermeerderen met het voor [minderjarige 3] ontvangen kindgebonden budget – zij kosten voor [minderjarige 3] zal kunnen voldoen.
4.21
Partijen zijn het blijkens de overgelegde berekeningen eens over de wijze waarop de samenloop dient te worden becijferd. De rechtbank zal partijen hierin volgen. Rekening houdend met alle genoemde financiële gegevens, leidt de samenloopberekening voor 2025 tot het volgende.
4.22
Verdeling van de totale draagkracht van de man (€ 694,= per maand) naar rato van de behoefte van [minderjarige 2] (€ 713,= per maand) en [minderjarige 1] (€ 1.006,= per maand), leidt ertoe dat de man een beschikbare draagkracht heeft voor [minderjarige 2] van € 288,= per maand en voor [minderjarige 1] van
€ 406,= per maand.
4.23
De verdeling van de totale kosten van [minderjarige 2] (€ 713,= per maand) over de man en zijn partner wordt berekend door de draagkracht van de man voor [minderjarige 2] (€ 288,= per maand) en de draagkracht van zijn partner voor [minderjarige 2] (€ 772,= per maand) te vergelijken. Dit brengt met zich dat het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 2] € 194,= per maand bedraagt (en het aandeel van de partner € 519,= per maand).
4.24
Er resteert van de beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 2] aldus nog een bedrag van € 94,= (€ 288,= minus € 194,=) per maand. Dit overschot wordt toegerekend aan [minderjarige 1] , waardoor de beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 1] € 500,= (€ 406,= +
€ 94,=) per maand bedraagt.
4.25
De verdeling van de totale kosten van [minderjarige 1] (€ 1.006,= per maand) over de man en de vrouw wordt vervolgens berekend door de draagkracht van de man voor [minderjarige 1] (€ 500,= per maand) en de draagkracht van de vrouw voor [minderjarige 1] (€ 1.037,= per maand) te vergelijken. Dit leidt ertoe dat het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] € 327,= per maand bedraagt en het aandeel van de vrouw € 679,= per maand.
Zorgkorting
4.26
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%. Nu de behoefte van [minderjarige 1] € 1.006,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting in 2025 een bedrag van
€ 352,= per maand.
4.27
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] (€ 327,= per maand) wordt verminderd met dit bedrag aan zorgkorting (€ 352,= per maand). Dit leidt tot de conclusie dat de man in 2025 maandelijks een bedrag van € 25,= tekort komt om te kunnen voorzien in zijn aandeel in de kosten (inclusief de verblijfskosten) van [minderjarige 1] .
Uitkomst
4.28
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage. Nu de man over onvoldoende draagkracht beschikt, zal de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] nader worden vastgesteld op nihil. Omdat aan de zijde van de vrouw ruim voldoende draagkracht aanwezig is (€ 1.037,= per maand) om haar aandeel in de kosten van [minderjarige 1] te voldoen (€ 679,= per maand), acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw een bijdrage voldoet in de verblijfskosten die de man ten behoeve van [minderjarige 1] maakt, en wel een bijdrage ter hoogte van dit tekort. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vrouw aan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] moet voldoen van € 25,= per maand in 2025. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die bijdrage in 2026 € 26,15 per maand.
Terugbetaling
4.29
Nu de rechtbank de onderhoudsverplichting met ingang van een voor deze uitspraak gelegen datum (te weten 14 februari 2025) zal verlagen, ligt de vraag voor in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. De man heeft in dat kader verzocht te bepalen dat de vrouw vanaf 14 februari 2025 gehouden is de te veel ontvangen bedragen aan kinderalimentatie aan de man terug te betalen.
4.3
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht te verlagen, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met de behoefte reeds is uitgegeven. Daarbij is de rechtbank niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend, verweer. Bij de beoordeling moet de rechter ook het belang van de onderhoudsplichtige om het te veel betaalde terug te krijgen in aanmerking nemen.
4.31
De rechtbank overweegt als volgt.
4.31.1
Op 14 februari 2025 is, zoals hiervoor al is aangestipt, een herberekening door het LBIO gemaakt. Uit die berekening volgde dat de door de man te betalen bijdrage op nihil zou moeten worden gesteld en dat de vrouw een (beperkte) bijdrage aan de man zou moeten betalen. De man heeft daarop aan de vrouw verzocht om de bijdrage voorlopig te verlagen, maar de vrouw heeft daar niet mee ingestemd, omdat zij zich niet kon vinden in de door het LBIO gemaakte berekening. Dit had tot gevolg dat de man, onder dreiging van invordering door het LBIO, genoodzaakt was om de (te hoge) bijdrage te blijven betalen. Gelet hierop kan niet worden volgehouden dat de vrouw tot op heden in het geheel geen rekening had behoeven te houden met een verlaging van de bijdrage en een daaruit voortvloeiende eventuele terugbetalingsverplichting. Dat de vrouw het niet eens was met de door het LBIO opgestelde berekening, maakt dat niet anders. Ook speelt daarbij een rol dat de becijferde verlaging van de bijdrage mede het gevolg was van een substantiële stijging van het inkomen van de vrouw, van welk feit zij in ieder geval op de hoogte was.
4.31.2
Wel is gebleken dat er ten tijde van het traject bij het LBIO volop discussie tussen partijen bestond over het inkomen van de man en dat de man pas in een laat stadium van dat traject bescheiden heeft aangeleverd aan het LBIO om een herberekening mogelijk te maken. Het gaat de rechtbank dan ook te ver om de vrouw een terugbetalingsverplichting op te leggen vanaf de datum van de herberekening. Bij de indiening van het verzoekschrift op 10 juni 2025 heeft de man wel de benodigde financiële gegevens overgelegd, zodat de vrouw vanaf dat moment concreet rekening had kunnen en moeten houden met een eventuele terugbetalingsverplichting.
4.31.3
De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij niet in staat is om de teveel ontvangen bedragen terug te betalen. Dit standpunt is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Een enkel financieel jaaroverzicht van de Rabobank over 2024 en enkele screenshots van rekeningen volstaan daartoe niet. Het had op de weg van de vrouw gelegen om inzicht te geven in haar vermogen (bijvoorbeeld door overlegging van aangiften IB) en een afdoende, onderbouwde verklaring te geven waarom zij, ondanks haar sterke financiële positie zoals die uit bovenstaande berekening volgt, niet in staat zou zijn tot terugbetaling.
4.31.4
De vrouw heeft tenslotte nog aangevoerd dat zij de ontvangen bedragen inmiddels in de consumptieve sfeer ten behoeve van [minderjarige 1] heeft verbruikt. Uit bovenstaande berekeningen volgt dat de vrouw met haar inkomen ruimschoots voldoende draagkracht heeft om de verblijfskosten en verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] te voldoen. Dat zij de door de man
daarbovenopbetaalde bedragen volledig aan [minderjarige 1] heeft besteed, kan gezien het voorgaande niet zonder meer worden aangenomen en is door haar niet nader onderbouwd. Bovendien gaat het, zoals hiervoor is weergegeven, over de vraag of terugbetaling kan worden verlangd
van hetgeen in overeenstemming met de behoeftereeds is uitgegeven.
4.31.5
De rechtbank is gelet op al het voorgaande dan ook van oordeel dat van de vrouw naar redelijkheid kan worden verlangd dat zij de met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift teveel ontvangen bedragen aan de man terugbetaalt. Dit brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat, voor zover de man ingevolge voormelde beschikking in de periode 14 februari 2025 tot 10 juni 2025 hogere bijdragen heeft betaald dan hij op grond van deze beschikking verschuldigd is, de man deze bijdragen niet van de vrouw kan terugvorderen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de man op de zitting heeft aangegeven bereid te zijn een betalingsregeling met de vrouw te treffen.
4.31.6
Voor wat betreft de vaststelling van de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage, zoals die hiervoor is becijferd, sluit de rechtbank aan bij hetgeen hiervoor is overwogen. Dit betekent dat de rechtbank deze bijdragen zal vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 10 juni 2025.
Berekeningen
4.32
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

5.De beslissing

De rechtbank
wijzigt voormelde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2018 en het daaraan gehechte convenant en ouderschapsplan als volgt:
bepaalt dat de daarin overeengekomen, door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013 met ingang van 14 februari 2025 nader wordt vastgesteld op nihil;
bepaalt dat voor zover de man ingevolge voormelde beschikking in de periode van
14 februari 2025 tot 10 juni 2025 hogere bijdragen heeft betaald dan hij op grond van deze beschikking verschuldigd is, de man deze bijdragen niet van de vrouw kan terugvorderen;
bepaalt dat de vrouw ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, aan de man moet voldoen een bedrag van
- € 25,= ( vijfentwintig euro) per maand over de periode van 10 juni 2025 tot 1 januari 2026;
- € 26,15 ( zesentwintig euro en vijftien eurocent) per maand met ingang van 1 januari 2026, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Oijen, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.