Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3184

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 april 2026
Zaaknummer
C/02/444670 / JE RK 26-203
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen in een pleeggezin. De minderjarigen verblijven reeds geruime tijd in pleegzorg vanwege zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, die verward gedrag vertoont en vermoedelijk psychotische belevingen heeft. De moeder is onvoldoende in staat een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden.

De kinderrechter weegt mee dat de minderjarigen zich goed ontwikkelen in het pleeggezin en dat het contact met de moeder begeleid en beperkt wordt vanwege haar gedrag. De vader stemt in met het verzoek, hoewel hij nog niet in staat is voor de kinderen te zorgen. De moeder verzet zich tegen verlenging en ziet geen noodzaak voor hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van de wettelijke bepalingen wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 25 september 2026. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De kinderrechter benadrukt het belang van een passende contactregeling en hoopt op medewerking van de moeder aan hulpverlening.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen wordt verlengd tot 25 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444670 / JE RK 26-203
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder,
- twee vertegenwoordigsters van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . [minderjarige 2] is door de vader erkend.
2.2.
Bij beschikking van 26 juni 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 26 juni 2025 en tot 10 juli
2025 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Ook is een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur
van twee weken, te weten met ingang van 26 juni 2025 en tot 10 juli 2025 onder aanhouding
van het resterende deel van het verzoek.
2.3.
Bij beschikking van 9 juli 2025 zijn de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengd met ingang van 10 juli 2025 en tot 26 september 2025.
2.4.
Bij beschikking van 25 september 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 september 2025 en tot 25 september 2026. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 september 2025 en tot 25 januari 2026.
2.5.
Bij beschikking van 15 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 25 januari 2026 en tot 25 maart 2026.
2.6.
Op basis van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. De GI licht toe dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op hun plek zitten in het pleeggezin en een positieve ontwikkeling doormaken. Gelet op het verwarde gedrag van de moeder en de verdenking van het verkopen van harddrugs door de moeder vanuit haar woning, heeft de GI recent beslist dat het begeleide contact tussen de moeder en de minderjarigen alleen nog plaatsvindt in een omgangshuis. Omdat wordt gezien dat de contactmomenten wisselend verlopen, het voor de moeder soms moeilijk is om bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan te sluiten en [minderjarige 2] met momenten weerstand toont tegen het contact met de moeder, wil de GI het contact tussen de moeder en de minderjarigen in frequentie verlagen. Ook moet er in de komende periode een structurele omgangsregeling met de vader worden opgesteld. De GI wil daarom vanaf volgende week een contactregeling hanteren waarbij de minderjarigen de ene week contact hebben met de moeder en de andere week met de vader. Persoonlijke hulpverlening voor de minderjarigen (speltherapie voor [minderjarige 2] en PMT voor [minderjarige 1] ) is dan wel wordt opgestart.
4.2.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij is in staat om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zorgen en indien nodig zou zij met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de oma moederszijde terecht kunnen. Ook verklaart de moeder dat het klopt dat het steeds slechter met haar gaat, maar dit komt door alles wat er speelt rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij heeft het gevoel dat ze wordt tegengewerkt en dat er problemen gecreëerd worden. De moeder ziet daarom geen noodzaak voor persoonlijke hulpverlening.
4.3.
De vader stemt in met het verzoek. Hoewel het inmiddels steeds beter gaat met de vader, is het hiervoor een lange periode niet goed met hem gegaan. De vader is blij dat hij inmiddels weer contact heeft met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , maar ziet ook in dat hij nog niet in staat is om voor hen te zorgen.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter constateert dat [minderjarige 1] en de moeder de Belgische nationaliteit hebben en dat de vader en [minderjarige 2] de Nederlandse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Het wettelijk kader
5.4.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.5.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.6.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de moeder op dit moment nog onvoldoende in staat is om een veilige, voorspelbare en stabiele opvoedsituatie te creëren voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Hiertoe overweegt de kinderrechter, evenals in de beschikking van 15 januari 2026, dat er nog steeds veel zorgen zijn over de situatie van de moeder. De moeder vertoont namelijk nog steeds verward gedrag, waarbij de GI vermoedt dat de moeder psychotische belevingen heeft. Dat de moeder dit anders ziet en tot op heden onvoldoende bereid is om de benodigde behandeling aan te gaan, baart de kinderrechter zorgen. Ook heeft de kinderrechter zorgen over het contact tussen de moeder en de minderjarigen. Het verwarde gedrag van de moeder wordt namelijk ook tijdens de contactmomenten met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gezien en het lukt de moeder steeds minder goed om aan te sluiten bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Om die reden is de begeleide omgang recent verplaatst naar neutraal terrein en wordt op dit moment bezien of de frequentie van de contactmomenten moet worden verlaagd. Daarbij betrekkende dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op hun plek zitten in het pleeggezin en daar een positieve ontwikkeling doormaken, maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat een thuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nog niet in hun belang is en dat continuering van de plaatsing in het pleeggezin nodig is om de veiligheid en stabiliteit van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te waarborgen. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is daarom nog steeds noodzakelijk in het belang van hun opvoeding en verzorging. De kinderrechter is daarmee van oordeel dat wordt voldaan aan de bovengenoemde wettelijke vereisten en zal het verzoek toewijzen. Dit betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg wordt verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 25 september 2026.
5.7.
De kinderrechter verwacht dat de GI in de komende periode een passende contactregeling zal opstellen tussen de minderjarigen en beide ouders, waarbij het belang en de veiligheid van de minderjarigen voorop dient te staan. Verder hoopt dat kinderrechter dat de moeder in de komende periode de benodigde hulpverlenging zal accepteren en in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] de samenwerking met de GI zal aangaan.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 maart 2026 en tot 25 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.