ECLI:NL:RBZWB:2026:319

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
02-072672-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van drugs en een vuurwapen

Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van circa 75 kilogram hasjiesj, circa 221 kilogram hennep, 175 gram cocaïne en een pistool met bijbehorende munitie. De verdachte, geboren in 1996, werd bijgestaan door raadsman mr. T. Roggenkamp. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers de aanklacht presenteerde en de verdediging pleitte voor vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan de tenlastegelegde feiten, waarbij de aanwezigheid van de verdachte op verschillende momenten in de loods en op het terrein van zijn bedrijf cruciaal was voor de bewijsvoering. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en aftrek van de tijd in voorarrest. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten, gezien de grote hoeveelheden drugs en het vuurwapen, en de georganiseerde criminaliteit die hiermee gepaard ging. De verdachte werd ook verplicht om zich te melden bij de reclassering en deel te nemen aan gedragsinterventies.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-072672-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 januari 2026
[verdachte],
geboren op [geboortedag 1] 1996 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] ,
raadsman mr. T. Roggenkamp, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte
[medeverdachte 1] onder parketnummer 02-187764-25.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: in de periode van 5 tot en met 7 maart 2025, al dan niet samen met een of meer anderen, een pistool met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad;
feit 2: op 7 maart 2025, al dan niet samen met een of meer anderen, zo’n 75 kilogram hasjiesj en 221 kilogram hennep aanwezig heeft gehad;
feit 3: in de periode van 3 februari 2025 tot en met 7 maart 2025, al dan niet samen met een of meer anderen, meer dan 30 gram hasjiesj en/of hennep aanwezig heeft gehad;
feit 4: op 7 maart 2025, al dan niet samen met een of meer anderen, 175 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Voor zover nodig gaat de rechtbank daar bij de bijzondere overwegingen nader op in.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. Hieronder vallen ook processen-verbaal waarin de camerabeelden zijn beschreven. Vanwege de omvang van deze beschrijvingen volstaat de rechtbank met het opnemen van een selectie hiervan. Deze selectie is niet uitputtend bedoeld.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1: Voorhanden hebben van pistool en munitieOp basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 5 maart 2025 rond 18:24 uur samen met [medeverdachte 1] in een Audi A3 aankomt op het bedrijfsterrein van [eenmanszaak] van verdachte aan [adres 2] in [plaats] . Ze lopen kortstondig de loods binnen en daarna samen naar een op het terrein geparkeerde Toyota Yaris. Beiden leunen aan weerszijden in het voertuig. Het is verdachte die daar een (in een blauw-witte doek gewikkeld) pistool uit pakt en terug de loods van zijn bedrijf in loopt gevolgd door medeverdachte. In het bijzijn van medeverdachte verricht verdachte diverse handelingen met het pistool.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte de feitelijke macht over het pistool heeft gehad. In bijzondere gevallen is de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van macht over een wapen echter niet voldoende voor het (strafbare) voorhanden hebben van dat wapen. Bijvoorbeeld bij een situatie waarbij verdachte onverhoeds en ongewild kortstondig geconfronteerd wordt met het feit dat er een wapen in de auto ligt, zoals door de verdediging gesteld. Maar van een onverhoedse en ongewilde (korte) confrontatie met een wapen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het is verdachte die zelfstandig het wapen pakt, mee de loods in neemt en er vervolgens handelingen mee verricht. Het verweer wordt verworpen en feit 1 kan wettig en overtuigend bewezen worden, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
Feiten 2, 3 en 4: Aanwezig hebben van softdrugs en cocaïneJuridisch kaderVoor de vraag of een verdachte opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad, is niet doorslaggevend aan wie die verdovende middelen (in eigendom) toebehoren. Ook is niet nodig dat de verdachte enige beschikkings- of beheersbevoegdheid heeft over de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden. Daarvoor moet uit feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat hij geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen moet de verdachte ook wetenschap van die aanwezigheid hebben gehad, althans van de aanmerkelijke kans op die aanwezigheid. In dit verband stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Feiten en omstandighedenVrijwel meteen in het begin toen verdachte de loods (en het terrein) aan [adres 2] in [plaats] ging (onder)huren in mei 2024, werd hij door een groepje mensen benaderd waarvan er een vroeg of verdachte voor iemand een doos met softdrugs wilde bewaren. Dat heeft verdachte gedaan, maar het liep al snel uit de hand en ging van kwaad tot erger. Verdachte heeft toen in augustus 2024 een sleutel van de loods gegeven, zodat de groep (rechtbank: ook) zelfstandig toegang had tot de loods. In de voor de tenlastelegging relevante periode van 3 februari tot en met 7 maart 2025 worden op het bedrijfsterrein en in de loods dozen in en uit auto’s geladen en ook in en uit een bakwagen die op het bedrijfsterrein staat. Dat gebeurt ook terwijl verdachte aanwezig is en dat ziet of kan zien. Verdachte begroet bovendien bezoekers die met of voor dozen komen, is met hen in gesprek en verplaatst ook wel eens een auto, zodat zo’n bezoeker makkelijker bij of in de loods kan met zijn auto. Een paar voorbeelden.
Op 21 februari 2025 omstreeks 16:41 uur rijdt een Volkswagen T-ROC het terrein op en wordt geparkeerd ter hoogte van de derde roldeur. Een man stapt uit en loopt het bedrijfspand binnen en komt daarna weer naar buiten, opent de kofferbak van de T-ROC en haalt daar twee bruine, grote kartonnen dozen uit. Verdachte komt omstreeks 17:08 uur aan met een Audi A3 die hij de loods in rijdt. Omstreeks 17:11 uur is verdachte in de loods in gesprek met de man van de T-ROC en een andere man. Vanaf ongeveer 17:27 uur laadt de man van de T-ROC vanuit het pand een voor een drie bruine, kartonnen dozen in de kofferbak van de T-ROC en rijdt daarna weg. Na een ontmoeting van de T-ROC met een Citroën Cactus met Belgisch kenteken is die Citroën Cactus gecontroleerd. Daarbij wordt een bruine kartonnen doos aangetroffen met meerdere gevacumeerde doorzichtige pakketten met groene henneptoppen. In totaal gaat het om 5,2 kilo henneptoppen en 1 kilo hasjiesj.
In de nacht van 17 op 18 februari 2025 omstreeks 0:00 uur is [medeverdachte 1] met een andere man in de loods bezig met het overschepen van wit poeder vanuit een doos in een doorzichtige zak. Vervolgens blijft medeverdachte de zak vullen, terwijl de andere man weg loopt. Uiteindelijk staan er meerdere mannen in de hoek van de loods waar handelingen met wit poeder hebben plaatsgevonden en komt verdachte naar hen toegelopen en loopt ook weer weg met twee van hen. Weer wat later lopen de ‘andere man’ en verdachte naar de plek waar de doos staat en zijn daar met elkaar in gesprek. De ‘andere man’ pakt (ondertussen) de zak met wit poeder en stopt die in een witte plastic tas. Medeverdachte komt ook terug bij de doos staan.
Als laatste voorbeeld is verdachte op 7 maart 2025 nog op zijn bedrijf(sterrein) geweest. Hij komt ’s ochtends tegelijkertijd met onder andere [medeverdachte 1] het terrein opgereden. Later die dag worden door medeverdachte en een ander twee dozen uit de bakwagen gehaald en de loods in gebracht in korte nabijheid van verdachte. Kort daarna maakt verdachte ruimte in de loods door zijn Audi A3 weg te rijden, zodat een derde de loods in kan rijden. Die derde krijgt van medeverdachte een kartonnen doos, welke hij even later in de kofferbak van zijn auto zet. Verdachte is daarbij aanwezig.
Tijdens de doorzoeking op het bedrijfsterrein op 7 maart 2025 vanaf ongeveer 20:20 uur worden op de bovenverdieping van de loods in de cv-ruimte 1340 gram hennep en in de werkplaats van de loods in totaal 200 gram hasjiesj en 8080 gram hennep in beslag genomen. In het ladeblok onder het bureau in het kantoor ligt de voertuigsleutel van de bakwagen die al langere tijd op het bedrijfsterrein staat. In die bakwagen wordt in totaal 74.980 gram hasjiesj en 212.020 gram hennep in beslag genomen en 175 gram cocaïne. Daarnaast worden in een bureaulade in het kantoor van de loods identieke zogenaamde “ [merk 1] ”-verpakkingen en stickers aangetroffen als in de bakwagen. In de garageloods worden bovendien twee blokken hasjiesj aangetroffen die elk waren voorzien van een sticker van “ [merk 2] ”. Deze stickers zijn ook aangetroffen in de bakwagen.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat niet is gebleken dat verdachte geen einde aan de situatie en activiteiten kon maken. Integendeel, volgens verdachte zelf ging het om (drugsactiviteiten door) vrienden en bekenden van hem die hem nooit bedreigd of onder druk gezet hebben. Verdachte heeft ook op zitting geen afdoende uitleg kunnen geven waarom hij na het eerste verzoek niet geweigerd heeft dat zijn bedrijfsterrein en -gebouw betrokken bleven worden bij de activiteiten met (soft)drugs. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt ook niet van enige weerstand van verdachte tegen die activiteiten. Zij vonden juist ook in zijn aanwezigheid plaats alsof het alledaagse gewone bedrijfshandelingen waren.
ConclusieGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en anderen die veel verder ging dan “het enkel aan die derden ter beschikking stellen van een door hem gehuurde loods”, zoals bepleit door de verdediging. Het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden. Dit geldt ook voor de dagen en momenten dat er drugsgerelateerde activiteiten in en bij de loods plaatsvonden terwijl verdachte niet aanwezig was. Met de hiervoor beschreven gang van zaken heeft verdachte ook minstens willens en wetens het risico genomen dat er op 7 maart 2025 een grote hoeveelheid softdrugs aanwezig zou zijn in de bakwagen op zijn terrein (en in zijn loods). Gelet op zijn aanwezigheid bij het overscheppen van het wit poeder in de nacht van 17 op 18 februari 2025 heeft hij tot slot minstens willens en wetens het risico genomen dat er op 7 maart 2025 ook cocaïne aanwezig zou zijn. Nu de softdrugs en de harddrugs zich in de bakwagen bevonden op het terrein van verdachte en de sleutel daarvan in een voor verdachte toegankelijke bureaulade in zijn kantoor is aangetroffen, is de rechtbank ook van oordeel dat de drugs in de bakwagen zich in de machtssfeer van verdachte bevonden. De feiten 2, 3 en 4 kunnen daarom wettig en overtuigend bewezen worden, zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 5 maart 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk ZVI, type Nighthawk, kaliber 9 millimeter Browning Court (9x17 millimeter), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9 millimeter Browning Court, voorhanden heeft gehad;
2
op 7 maart 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 75.180 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en 221.440 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3
in de periode van 3 februari 2025 tot en met 7 maart 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), zijnde hasjiesj, en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4
op 7 maart 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 175 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met oplegging van bijzondere voorwaarden en met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Het gaat om de voorwaarden zoals deze eerder op advies van de reclassering zijn gekoppeld aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van verdachte, aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel, inclusief bijzondere voorwaarden, en eventueel een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met anderen gedurende ruim een maand handelshoeveelheden hasj en hennep aanwezig gehad in zijn loods en op zijn terrein en op 7 maart 2025 ook nog een handelshoeveelheid cocaïne. Hiermee heeft hij bijgedragen aan de handel in en het gebruik van hard- en softdrugs. Dit zijn middelen die sterk verslavend zijn en ernstige schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van gebruikers. Daarnaast leidt het gebruik van drugs en de handel daarin tot veel criminaliteit en overlast. Het gaat daarbij enerzijds om strafbare feiten die drugsgebruikers plegen om in hun verslaving te kunnen voorzien en anderzijds om de grootschalige handel in drugs, waarbij aanzienlijke financiële belangen spelen en geweld niet wordt geschuwd. Dat geweld of de dreiging daarmee ook in deze concrete situatie op de loer lag, wordt bevestigd doordat verdachte samen met een ander in en bij zijn loods ook een pistool met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
Het opslaan van softdrugs in de loods en op het terrein van verdachte was geen incident. Waargenomen is dat het op verschillende dagen, overdag en in de nachtelijke uren, een komen en gaan was van personen die onder meer dozen, koffers en zakken versjouwden tussen de loods, de bakwagen en de auto’s die arriveerden. Daarbij zaten ook auto’s met een buitenlands kenteken. De frequentie van de bedrijvigheid en de kennelijke vanzelfsprekendheid waarmee dit gebeurde, in samenhang bezien met de grote aangetroffen hoeveelheden drugs, drugsgerelateerde producten en de aanwezigheid van het pistool, duiden op georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Dit onderstreept de ernst van de feiten.
Voor alleen al het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilogram softdrugs is in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden het uitgangspunt. Een oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van een grotere hoeveelheid softdrugs, waarvan in deze zaak sprake is, ontbreekt. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een pistool in een niet openbare ruimte is vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en voor het aanwezig hebben van 175 gram cocaïne zes weken. Deze oriëntatiepunten gelden ook voor iemand die voor het eerst voor zulke feiten wordt veroordeeld, zoals verdachte.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 21 november 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor Opiumwetdelicten of feiten op grond van de Wet wapens en munitie.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 november 2025, waarin de reclassering het gevaar op herhaling als laag inschat, maar wat misschien ook wat hoger kan zijn door het vuurwapenbezit. Uit het e-mailbericht van een reclasseringswerker van 8 januari 2026 volgt dat verdachte zich gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan de eerder geadviseerde en opgelegde voorwaarden heeft gehouden en dat deze ook passend en uitvoerbaar zijn bij een eventuele veroordeling met voorwaardelijk strafdeel. Verdachte zelf is blij met de hulp vanuit de reclassering en heeft hier naar eigen zeggen baat bij om zijn leven op de rit te houden.
Gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is verdachte als automonteur gaan werken bij [bedrijf] in [plaats] , waar hij een jaarcontract heeft getekend dat op 1 januari 2026 is ingegaan.
Op zitting heeft verdachte verklaard dat hij moeilijk nee kan zeggen tegen anderen. Hij wist wel wat er gebeurde, maar stak zijn kop in het zand en dacht dat hij er dan wel mee weg zou komen. Zoals eerder overwogen, vonden de drugsactiviteiten echter ook in zijn aanwezigheid plaats alsof het alledaagse gewone bedrijfshandelingen waren. Dat ziet er niet uit als kop in het zand steken, maar als ontspannen meedoen met bekenden.
De op te leggen straf
Ondanks dat verdachte inmiddels een jaarcontract heeft en met hulp van de reclassering zijn leven op rit aan het zetten is, ontkomt de rechtbank niet aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan zijn voorarrest. De ernst van de feiten in het licht van de LOVS oriëntatiepunten vraagt daarom. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden is. Daarvan zal de rechtbank acht maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de eerder geadviseerde bijzondere voorwaarden. Na nog een aantal maanden binnen kan verdachte dan zijn leven buiten weer oppakken met ondersteuning van de reclassering. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat hem dat ook dan gaat lukken.
De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van
categorie III en met betrekking tot munitie van categorie III;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, ten aanzien van 7 maart 2025 in eendaadse samenloop begaan met feit 2;
feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
*
meldplicht bij reclassering
verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering
Nederland op het adres Langendijk 34-36, 4819 EW Breda. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
*
gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
verdachte neemt actief deel aan de gedragsinterventie CoVa+ of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
*
contactverbod
verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de in onderhavige zaak als medeverdachten aangemerkte personen (te weten [medeverdachte 1] (geb. [geboortedag 2] 1996), [medeverdachte 2] (geb. [geboortedag 3] 1992), [persoon 1] (geb. [geboortedag 4] 1992), [persoon 2] (geb. [geboortedag 5] 2001), [persoon 3] (geb. [geboortedag 6] 1996) en [persoon 4] (geb. [geboortedag 7] 1996), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
*
dagbesteding
verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (bij voorkeur betaald) werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
*
overige voorwaarde het gedrag betreffende
verdachte geeft de reclassering inzage in zijn financiën;
- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.F. Vliegenberg, voorzitter, en mr. R.J.H. de Brouwer en mr. R.H.M. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 23 januari 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2025 tot en met 7 maart 2025
te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pistool, van het merk ZVI, type Night Hawk, kaliber 9
millmeter Browning Court (9x17 millimeter) zijnde een vuurwapen in de
vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of bjbehorende munitie
van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier
kogelpatronen (van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9 millimeter
Browning Court 9x17 millimeter) voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 75.180 gram, in elk geval een
hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel
van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj),
waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer
221.440 gram,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde
hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde
lid van artikel 3a van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet )
3
hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2025 tot en met 7 maart
2025 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer
dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en
plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), zijde hasjiesj en/of een
hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens)
(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
4
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 175 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )