Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3190

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/445391 / JE RK 26-322
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Oomes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en ouderconflict

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 20 maart 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van twaalf maanden. De minderjarige wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd door langdurige spanningen en wantrouwen tussen de ouders, die het niet lukt om samen te werken in het belang van het kind.

De minderjarige woont bij de vader en is sinds januari 2023 onder toezicht gesteld, met meerdere verlengingen. De zorg- en opvoedingstaken zijn verdeeld volgens een rooster waarbij het kind in wisselende weken bij beide ouders verblijft en gebruikmaakt van dagbehandeling. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling vanwege de blijvende ontwikkelingsbedreiging en het ontbreken van voldoende vrijwillige hulpverlening.

De ouders erkennen de problemen en stemmen in met de ondertoezichtstelling, hoewel zij twijfels uiten over het effect ervan. De gecertificeerde instelling is bereid de ondertoezichtstelling uit te voeren en verwacht inzet van beide ouders. De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld, met name vanwege de ernstige bedreiging van de sociaal-emotionele, spraak- en motorische ontwikkeling van het kind, en het risico op loyaliteitsconflicten.

De beschikking bevat concrete doelen, zoals het bevorderen van emotionele veiligheid, het versterken van gehechtheidsrelaties, het verbeteren van de voorspelbaarheid van wisselmomenten en het stimuleren van parallel solo ouderschap met minimale communicatie. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor twaalf maanden vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging door ouderlijk conflict en wantrouwen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445391 / JE RK 26-322
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Breda,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Nederlof uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.P.J. Brouwers uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek van de Raad met het door de vrouw ingediende verzoek in de zaak met kenmerk C/02/442625 / FA RK 25-6243, zijn deze zaken gezamenlijk mondeling behandeld. In voornoemde zaak wordt bij separate beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 17 januari 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant, met ingang van 17 januari 2023 en tot 17 januari 2024. Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 17 oktober 2025.
2.3.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.4.
Bij beschikking van 14 januari 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] komt te luiden als volgt:
- in de even weken wordt [minderjarige] op dinsdag door de vader naar de
dagbehandeling gebracht en haalt de moeder hem in de middag daar op;
- [minderjarige] blijft vervolgens tot dinsdagochtend in de oneven week bij de moeder;
- de moeder brengt [minderjarige] in de oneven week op dinsdagochtend naar de
dagbehandeling waar de vader hem in de middag weer ophaalt;
- [minderjarige] blijft vervolgens tot de dinsdagochtend in de even week bij de vader;
- de vader brengt [minderjarige] in de even week op dinsdagochtend naar de
dagbehandeling waar de moeder hem in de middag weer ophaalt;
- op het moment dat [minderjarige] naar school gaat, vinden de overdrachtsmomenten
daar plaats.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het raadsrapport. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] groeit op in een context waarin sprake is van langdurige en diepgewortelde spanningen tussen de ouders en voortdurende onzekerheid over de zorgverdeling en de beschikbaarheid van de ouders. [minderjarige] loopt het risico klem te raken tussen zijn ouders en belast te worden met loyaliteitsdruk. [minderjarige] groeit nu op in twee werelden die onvoldoende op elkaar aansluiten en kan zo geen onbelast contact onderhouden met zijn beide ouders. Het wantrouwen van de vader naar de moeder is enorm en tijdens de zitting voelbaar. De ouders van [minderjarige] zijn op dit moment onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, doordat zij niet in staat zijn gebleken tot minimale samenwerking en conflictarme afstemming. Dit moet in het belang van [minderjarige] veranderen, want hij heeft zijn beide ouders nodig. De Raad adviseert de inzet van parallel solo ouderschap met een minimale vorm van communicatie tussen de ouders. Daarin moet op korte termijn de nodige zaken duidelijk worden. Het kan niet de bedoeling zijn dat er een ondertoezichtstelling blijft bestaan totdat [minderjarige] achttien jaar wordt.
4.2.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek. De ouders kunnen niet zonder de ondertoezichtstelling. Tegelijkertijd vraagt de moeder zich wel af wat opnieuw een ondertoezichtstelling zal opleveren. De afgelopen twee jaar heeft het immers niets verbeterd. De moeder staat open voor hulpverlening, maar de inzet van hulpverlening gericht op het verkrijgen van zicht op de opvoedsituatie van de moeder heeft niets veranderd aan het wantrouwen van de vader richting de moeder. Er is al zicht op de opvoedsituatie van de moeder en dit gaf enkel een positief beeld. Toch wordt de moeder nog altijd aangekeken op haar verleden. Zij zal daardoor nooit geloofd of vertrouwd worden. Ook het traject voor parallel solo ouderschap zal naar de verwachting van de moeder de situatie niet verder verbeteren.
4.3.
Door en namens de vader is ook ingestemd met het verzoek. De vader vindt de ondertoezichtstelling noodzakelijk, omdat het belangrijk is dat er integraal zicht komt op de thuissituatie bij de moeder. Hiervan is nog altijd geen sprake en de vorige GI heeft hier onvoldoende op ingezet. Er is in het verleden te veel gebeurd, waardoor de vader een andere visie heeft op de opvoedsituatie bij de moeder thuis. De vader verwacht niet dat hij de moeder opnieuw zal gaan vertrouwen. De vader maakt zich zorgen over mogelijke hechtingsproblematiek bij [minderjarige] . De vader vindt het vreemd dat de moeder aangeeft dat [minderjarige] bij de moeder geen probleemgedrag vertoont. Door de inzet van de hulpverlening van [afdeling] is het gedrag van [minderjarige] bij de vader wel verbeterd. De vader staat open voor hulpverlening. In de oudercommunicatie hoeft voor de vader echter niets te veranderen. De ouders communiceren nu enkel het hoognodige per mail en dit verliep tot eind vorig jaar goed. De vader is het eens met het werken aan parallel solo ouderschap, zodat hij geen contact met de moeder hoeft te hebben.
4.4.
De GI is bereid om de ondertoezichtstelling uit te voeren en heeft op korte termijn een jeugdzorgwerker beschikbaar. De GI kan zich vinden in de door de Raad opgestelde doelen. Daarbij merkt de GI op dat er van beide ouders veel inzet zal worden verwacht om tot een verbetering van de situatie van [minderjarige] te komen. [minderjarige] mag niet de belasting voelen van wat er tussen de ouders speelt. Daarop zal worden ingezet.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij dat vindt.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter onderschrijft daarbij de zorgen van de Raad. Deze zorgen zijn gelegen in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, spraak- en taalontwikkeling en motorische ontwikkeling. Bovendien zijn er zorgen over zijn emotieregulatie en lijken er signalen zichtbaar die mogelijk kunnen wijze op hechtingsproblematiek bij [minderjarige] . Daarnaast bestaan er nog altijd grote zorgen over de aanhoudende strijd en spanningen tussen de ouders. De oudercommunicatie is ernstig verstoord en er is een groot wantrouwen tussen de ouders. Dit wantrouwen is ook tijdens de zitting voelbaar. [minderjarige] zal dit in de thuissituaties ook meekrijgen en wordt belast met de strijd die de ouders met elkaar voeren. De ouders lijken het daarbij nagenoeg nergens over eens te zijn. Bij de ouders bestaan forse verschillen in de waarneming van het gedrag van [minderjarige] en er zijn voortdurend conflicten over de opvoedvaardigheden van de ouders, de veiligheid van [minderjarige] en de noodzaak tot diagnostiek. [minderjarige] groeit hierdoor op in twee werelden die onvoldoende op elkaar aansluiten, kan onvoldoende onbelast contact onderhouden met zijn beide ouders en loopt daardoor het risico om klem te geraken tussen de ouders.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met de inzet van hulpverlening in het vrijwillige kader. Ondanks de al betrokken hulpverlening, is het de ouders niet gelukt om de zorgen over [minderjarige] blijvend weg te nemen. Hoewel beide ouders erkennen dat er zorgen zijn over [minderjarige] , lijken zij aan deze zorgen een andere oorzaak ten grondslag te leggen. Het lukt de ouders als gevolg van het onderlinge grote wantrouwen en de terugkerende strijd niet om in het belang van [minderjarige] te komen tot een constructieve blijvende samenwerking. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat er opnieuw hulp en regievoering binnen het gedwongen kader betrokken wordt. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI de komende periode zicht houdt op zijn welbevinden en regie voert over de hulpverlening ten einde te komen tot een duurzame verbetering van de situatie van [minderjarige] .
5.5.
Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk. Daarbij sluit de kinderrechter zich aan bij de door de Raad in het raadsrapport geformuleerde doelen en geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
- [minderjarige] groeit op in een opvoedsituatie waarin zijn emotionele veiligheid centraal staat en waarin duidelijkheid bestaat over zijn relatie met beide ouders;
- er komt integraal zicht op de opvoedsituatie bij moeder, mede in relatie tot de uitspraken van [minderjarige] over moeder en de kwaliteit van hun onderlinge hechtingsrelatie;
- de gehechtheidsrelaties van [minderjarige] met beide ouders worden versterkt, waarbij sensitief-responsief opvoedgedrag wordt bevorderd;
- de wisselmomenten tussen de vader en de moeder verlopen voor [minderjarige] voorspelbaar, rustig en zonder emotionele belasting;
- de hulpverlening vanuit [afdeling] ([hulpverlening 1]) wordt voortgezet en waar nodig uitgebreid, met inzet in beide opvoedsituaties en specifieke aandacht voor observatie tijdens overdrachten;
- de behandeling van de vader vanuit [hulpverlening 2] wordt voortgezet, zodat zijn draagkracht en emotionele beschikbaarheid voor [minderjarige] worden vergroot;
- de begeleiding van de moeder vanuit [hulpverlening 3] wordt voortgezet en waar nodig gericht uitgebreid in relatie tot haar opvoedrol;
- ouders leren vorm te geven aan parallel ouderschap, waarbij zij – ook bij minimale communicatie – in staat zijn om in het belang van [minderjarige] af te stemmen en afspraken na te komen. Er wordt structureel regie gevoerd op de samenwerking, informatieoverdracht en borging van hulpverlening rondom [minderjarige] .
5.6.
Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het – onweersproken – verzoek toewijzen voor de verzochte duur van een jaar, omdat die termijn passend wordt geacht. De kinderrechter vindt het daarbij ook van groot belang dat er de komende periode duidelijkheid komt voor [minderjarige] over de zorgverdeling tussen de ouders. Onderzocht dient te worden of de huidige co-ouderschapsregeling op de lange termijn houdbaar en passend is. Hier dient binnen het kader van de ondertoezichtstelling duidelijkheid over te komen.
5.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 20 maart 2026 tot 20 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Oomes, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.