De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010. Eerder waren ondertoezichtstellingen en machtigingen tot uithuisplaatsing verleend en verlengd sinds april 2024. De moeder heeft het ouderlijk gezag en de minderjarige woont bij haar.
De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de machtiging voor een jaar, met een deel van het verzoek reeds beoordeeld. Het resterende deel, voor de periode van 21 maart 2026 tot 21 juni 2026, lag nog ter beoordeling. Uit rapportages blijkt dat de moeder positieve stappen heeft gezet en de minderjarige zich positief ontwikkelt, waardoor een uithuisplaatsing niet langer proportioneel of noodzakelijk wordt geacht.
De Raad voor de Kinderbescherming stemde in met het voorgenomen besluit tot beëindiging van de machtiging. Vervolgens trok de gecertificeerde instelling het resterende deel van het verzoek in. De kinderrechter oordeelt dat dit deel daardoor niet meer hoeft te worden beoordeeld en wijst het verzoek af. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.