Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3196

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/445290 / JE RK 26-296
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2012 en 2015, die verblijven bij hun grootouders als pleegouders. De kinderen hebben complexe problematiek, waaronder PTSS en ADHD, en de situatie thuis is fragiel met escalaties en spanningen die professionele hulp vereisen.

De GI onderbouwt het verzoek met medische en pedagogische rapportages, incidenten zoals een geweldsincident met de vader, en de overbelasting van de pleegouders. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert instemming met het verzoek, gezien het belang van de kinderen en de noodzaak van het gedwongen kader.

De ouders, de kinderen zelf en de pleegouders steunen het verzoek en zien geen noodzaak voor een zitting. De kinderrechter beoordeelt dat aan de wettelijke vereisten voor verlenging is voldaan en dat verlenging noodzakelijk is voor de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De beslissing is genomen door kinderrechter Phillips op 20 maart 2026 en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarige kinderen voor de duur van één jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445290 / JE RK 26-296
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
ECHTPAAR [de pleegouders] ,
grootouders vaderszijde, hierna te noemen de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026;
  • de op 2 maart 2026 ontvangen brief van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, gedateerd 27 februari 2026;
  • het e-mailbericht van de moeder van 2 maart 2026;
  • het e-mailbericht van [minderjarige 1] van 7 maart 2026;
  • het e-mailbericht van de vader van 7 maart 2026;
  • het e-mailbericht van de pleegouders van 10 maart 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in een pleeggezin, grootouders vaderszijde.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 28 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengd met ingang van 1 april 2025 tot 1 april 2026. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, zijnde grootouders vaderszijde, verlengd met ingang van 1 april 2025 tot
1 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van twaalf maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van maart 2022 tot medio 2025 een behandeling hebben gehad bij [praktijk], waar zij traumabehandeling, emotieregulatie en systeemgerichte begeleiding kregen. Bij [minderjarige 1] is sprake van vroeg kinderlijke chronische traumatisering ofwel een ontwikkelingstrauma of complex trauma genoemd. Vastgesteld wordt dat er bij hem sprake is van een Posttraumatische stressstoornis (PTSS). Bij [minderjarige 2] is sprake van ADHD, prikkelverwerkingsproblemen en kenmerken van PTSS. Zijn spanningsopbouw is kort en in stressvolle situaties kan hij snel fysiek reageren. Hij is recent aangemeld bij de medicatiepoli om te kijken of ondersteuning door middel van medicatie hem meer rust kan geven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] versterken elkaars spanning, waardoor conflicten snel escaleren
Ook op school zijn er zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] wil regelmatig niet naar school en geeft aan dat hij zich niet prettig voelt in zijn onderwijssetting. Voor [minderjarige 2] geldt dat hij periodes heeft waarin hij goed meedoet. Hij lokt echter steeds vaker conflicten uit, raakt sneller geprikkeld en reageert fysiek richting klasgenoten.
4.2.
Op 9 januari 2026 heeft [minderjarige 2] op school verklaard dat zijn vader hem tegen een kast heeft gegooid, geschopt en met zijn vuist heeft gestompt. Dit gebeurde tijdens een ruzie tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , waarbij de vader tussenbeide kwam. [minderjarige 2] vluchtte in paniek naar buiten en vroeg zijn pleegmoeder de vader weg te sturen. Dit is niet gebeurd.
Naar aanleiding hiervan spraken de GI en pleegzorg met de pleegmoeder. Zij gaf aan dat de opvoeding haar en de pleegvader zwaar valt. Conflicten tussen de kinderen escaleren regelmatig fysiek, waardoor zij vaak gescheiden moeten worden en er voortdurend toezicht nodig is. De draagkracht van de pleegouders staat al langere tijd onder druk. De vader heeft in een gesprek met de GI en pleegzorg aangegeven dat hij “zijn eigen kracht niet kende” en heeft erkend dat de situatie regelmatig escaleert. Vanwege de ernst van het incident is voorgesteld de omgang voorlopig volledig te pauzeren. Op 17 februari jl. is de vader geïnformeerd over het voornemen om afspraken te maken over hervatting van het contact. De GI en pleegzorg achten het noodzakelijk dat de vader hulp accepteert om de veiligheid structureel te verbeteren. De vader staat hier onder voorwaarden voor open. De GI en pleegzorg twijfelen aan zijn motivatie en verandercapaciteit.
De pleegouders en de vader hebben nauw contact, waarbij de pleegouders sterk gericht blijven op het zorgen voor hun zoon. Hierdoor delen zij soms noodzakelijke informatie niet volledig met pleegzorg of de GI. Dit blijft een gesprekspunt.
4.3.
Kort na het incident heeft de pleegzorgwerker met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 2] vertelde dat hij bang is geweest en voorlopig niet naar vader wil. [minderjarige 1] gaf aan dat de ruzies tussen hem en [minderjarige 2] steeds heftiger worden en dat hij bang is dat het mis gaat. Beide kinderen benoemen dat er veel onrust is thuis en dat zij meer rust thuis willen.
4.4.
Op 26 januari 2026 is specialistische jeugdhulp gestart via [hulpverlening]. Gedurende zes weken is dagelijks een coach aanwezig wanneer de kinderen thuis zijn. Na deze zes weken wordt gekeken of er voldoende ruimte ontstaat om de opvoedsituatie verder te versterken. Er zijn echter twijfels of deze ruimte duurzaam kan worden opgebouwd, gezien de langdurige overbelasting en de intensiteit van de zorgvraag.
4.5.
Een belangrijke beschermende factor voor [minderjarige 2] is zijn maandelijkse verblijf bij een weekendpleeggezin. Hij komt hier tot rust, ervaart positieve aandacht en kan volledig zichzelf zijn. De samenwerking tussen de pleegouders en de weekendpleegouders verloopt goed. [minderjarige 1] gaat soms een dag mee en geniet zichtbaar van deze uitjes. Sinds december 2025 wordt actief gezocht naar een eigen weekendpleeggezin voor [minderjarige 1] , maar tot nu toe is er geen passend pleeggezin gevonden.
4.6.
Het contact tussen de moeder en de kinderen verloopt wisselend. Tot voor kort was er eens in de drie weken een begeleid contactmoment bij de pleegouders thuis. Tijdens deze momenten zijn de kinderen vaak snel afgeleid en vooral gericht op cadeaus of geld. In overleg is besloten dat de omgangsmomenten voortaan gekoppeld worden aan vakanties en dat deze niet langer bij de pleegouders plaatsvinden. De momenten blijven wel begeleid, zodat het contact voor zowel de kinderen als voor de moeder veilig en overzichtelijk verloopt.
4.7.
De GI concludeert dat de langdurige ondertoezichtstelling de afgelopen jaren niet heeft geleid tot voldoende verbetering. Er is geen realistisch perspectief dat dit op korte termijn verandert. Ondanks de inzet van de pleegouders en de ouders ontbreekt het aan voldoende verandermogelijkheden, overzicht en structurele aanwezigheid om de verantwoordelijkheid terug te leggen bij vrijwillige hulpverlening. Het verlengen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijvende rust, veiligheid en professionele begeleiding te bieden. Dit geeft hen de voorwaarden die zij nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen en beschermt hen tegen het opnieuw ontstaan van onveilige situaties.
4.8.
De GI heeft haar voorgenomen besluit om een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken na een periode van twee jaren ter toetsing voorgelegd aan de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad heeft geadviseerd om in te stemmen met het voorgenomen besluit. Daartoe heeft de Raad aangevoerd dat wordt gezien dat het gedwongen kader noodzakelijk is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de bescherming te bieden die zij nodig hebben voor hun ontwikkeling. De druk op de pleegouders is groot. Zij zijn overbelast en hebben de huidige inzet van specialistische jeugdhulp nodig om de zorg voor de jongens te kunnen dragen. Na de inzet van [hulpverlening] moet worden bezien wat nodig en haalbaar is in de thuissituatie bij de pleegouders en wat er verder eventueel nog nodig is. De complexiteit van de situatie maakt dat de Raad goed kan volgen dat een overdracht naar het vrijwillig kader van de gemeente niet als passend wordt beoordeeld. De Raad volgt daarom de GI in haar standpunt dat een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing de maatregelen zijn die het meest bijdragen om te zorgen dat het goed blijft gaan met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

5.De standpunten van de belanghebbenden

5.1.
De moeder heeft in een emailbericht van 2 maart 2026 verklaard dat zij akkoord is met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Daarbij geeft zij aan dat er voor haar geen zitting gepland hoeft te worden.
5.2.
De vader heeft per email van 7 maart 2026 bericht dat ook hij achter het verzoek van de GI staat en dat er voor hem geen zitting hoeft plaats te vinden.
5.3.
[minderjarige 1] heeft per email van 7 maart 2026 aangegeven dat hij het eens is met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing bij de pleegouders. Ook voor hem hoeft er geen zitting plaats te vinden.
5.4.
Door de pleegouders is in een emailbericht van 10 maart 2026 eveneens aangegeven dat het verzoek wat hen betreft zonder zitting mag worden behandeld. Ook zij staan achter het verzoek van de GI. Zij geven aan dat zij een en ander met [minderjarige 2] hebben besproken en dat ook hij geen behoefte heeft aan een zitting.

6.De beoordeling

6.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.2.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.5.
Gelet op de onderbouwing van het verzoek alsmede de ontvangen standpunten van de ouders, de pleegouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , vindt de kinderrechter een mondelinge behandeling van het verzoek niet nodig. Dit betekent dat deze zaak schriftelijk kan en zal worden afgedaan.
6.6.
Naar aanleiding van de door de GI overgelegde stukken, is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als bedoeld in artikel 1:260 BW Pro, in samenhang gelezen met artikel 1:255 lid 1 BW Pro. Daarnaast is naar het oordeel van de kinderrechter een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn twee jongens met veel daadkracht, maar ook met duidelijke kwetsbaarheden. De pleegouders geven hen liefde en stabiliteit, maar de zorg voor de jongens is te zwaar en te complex om zonder intensieve ondersteuning vol te houden. Het incident van 9 januari 2026, de zorgen vanuit school en de noodzaak tot dagelijkse hulpverlening maken duidelijk dat de situatie te fragiel is om binnen het vrijwillige kader voort te zetten. De inzet van professionele begeleiding is nodig om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust en veiligheid te bieden. De kinderrechter zal het verzoek van de GI, dat niet is weersproken, daarom toewijzen in die zin dat zij de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal verlengen voor de duur van één jaar. Tevens zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar.
6.7.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 1 april 2026 tot 1 april 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 april 2026 tot 1 april 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.