De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor vijf maanden. De moeder stemde in met de ondertoezichtstelling en de aangepaste termijn van de uithuisplaatsing, waarbij zij bereid is hulpverlening te accepteren en een klinische opname zal starten. De vader is betrokken als informant, maar is niet aanwezig bij de zitting.
De kinderrechter constateert dat de moeder tijdens haar zwangerschap mishandeld is, wat stress veroorzaakte en invloed heeft op de minderjarige, die afweer vertoont bij aanrakingen en onrust ervaart. De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin, wat wordt voortgezet om de moeder de kans te geven hulp te ontvangen. De minderjarige ontwikkelt zich goed en er wordt gewerkt aan een veilige hechtingsrelatie met de moeder en het leren kennen van de vader en halfbroers/-zussen.
De kinderrechter acht de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De beslissing is op 20 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter Van de Kraats.