Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3197

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/445397 / JE RK 26-324
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige voor vijf maanden

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor vijf maanden. De moeder stemde in met de ondertoezichtstelling en de aangepaste termijn van de uithuisplaatsing, waarbij zij bereid is hulpverlening te accepteren en een klinische opname zal starten. De vader is betrokken als informant, maar is niet aanwezig bij de zitting.

De kinderrechter constateert dat de moeder tijdens haar zwangerschap mishandeld is, wat stress veroorzaakte en invloed heeft op de minderjarige, die afweer vertoont bij aanrakingen en onrust ervaart. De minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin, wat wordt voortgezet om de moeder de kans te geven hulp te ontvangen. De minderjarige ontwikkelt zich goed en er wordt gewerkt aan een veilige hechtingsrelatie met de moeder en het leren kennen van de vader en halfbroers/-zussen.

De kinderrechter acht de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De beslissing is op 20 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter Van de Kraats.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor een jaar en krijgt een machtiging tot uithuisplaatsing voor vijf maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445397 / JE RK 26-324
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J. van Rooijen uit Tilburg,
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. T. Möller uit advocaat.
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI (aanwezig via een Teams-verbinding).
1.3.
De vader en zijn advocaat zijn opgeroepen en verschenen maar hebben aangegeven dat zij niet bij de behandeling aanwezig zullen zijn.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader heeft inmiddels wel een procedure opgestart bij de rechtbank Oost-Brabant strekkende tot ontkenning vaderschap.
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder, maar is op dit moment met toestemming van moeder in een pleeggezin geplaatst.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg aangepast, in die zin dat zij een machtiging verzoekt voor de duur van vijf maanden.

4.De standpunten

4.1.
Namens de Raad is naar voren gebracht dat het verzoek wordt gehandhaafd. Gelet op datgene wat er allemaal moet gebeuren qua hulpverlening en de klinische opname van de moeder, heeft de Raad haar verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] verruimd tot vijf maanden.
4.2.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij instemt met een ondertoezichtstelling. De moeder stelt dat zij binnen de aanvaardbare termijn de zorg voor [minderjarige] weer kan dragen en is bereid om hulpverlening te accepteren. De moeder hoop dat de GI de regie kan pakken in de hulpverlening omdat deze nu mist. De moeder zal op 4 mei 2026 starten met een klinische opname bij [kliniek] in [plaats] . Tot die tijd verblijft zij bij familie en niet meer bij [accommodatie] . De moeder merkt op dat een aansluitende moeder- en kindplaatsing bij [locatie] niet reëel lijkt gezien de wachtlijsten. Zij staat wel open voor dergelijke plaatsing. De moeder wil graag met de GI in gesprek om een plan van aanpak te maken en te werken aan een thuisplaatsing, alsmede uitbreiding van de zorgregeling met [minderjarige] . Daarbij dient er ook aandacht te zijn voor het contact tussen de kinderen van de moeder onderling. De moeder stemt in met het gewijzigde verzoek van de Raad om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van 5 maanden. De moeder acht dit een reële termijn waarbinnen de hulpverlening haar vruchten zal afwerpen.
4.3.
Namens de GI is aangegeven dat zij bereid is om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Gelet op de hulpverlening die moet worden opgestart en de urgentie daarvan, zal de GI zorgen dat er snel een vaste jeugdzorgwerker beschikbaar komt die deze zaak op zal pakken. De GI stemt in met het gewijzigde verzoek van de Raad.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Tijdens de zwangerschap van de moeder is zij mishandeld door de biologische vader. Hierdoor had de moeder veel stress en zijn er zorgen over de invloed hiervan op [minderjarige] . Duidelijk is dat zij met afweer reageert op aanrakingen door anderen. Er zijn zorgen over dat zij zich niet altijd op haar gemak of veilig voelt. Er is veel onrust geweest op meerdere vlakken en dat is van invloed op de stabiliteit en voorspelbaarheid in de opvoedingssituatie. De moeder verbleef tot voor kort samen met [minderjarige] op de opvang bij [accommodatie] waarbij er zorgen waren over de veiligheid van [minderjarige] en de moeder. Op dit moment heeft de moeder onderdak gevonden bij familie in afwachting van haar klinische opname. Het is voor alle betrokkenen duidelijk dat [accommodatie] geen geschikte plek is om met een kind te verblijven. [minderjarige] verbleef al in het kader van een time-out bij een pleeggezin en het is belangrijk dat deze plaatsing voorlopig wordt voorgezet om de moeder in de gelegenheid te stellen om van de aangeboden hulpverlening te profiteren. Ter zitting hebben de betrokkenen ingestemd met een gewijzigde termijn van de uithuisplaatsing voor de duur van 5 maanden.
Binnen de ondertoezichtstelling zal gewerkt moeten worden aan de volgende doelen:
- [minderjarige] ontwikkelt zich goed (zij heeft geen last van vroegkinderlijk trauma).
- [minderjarige] groeit op in een veilige, voorspelbare opvoedsituatie, waar ze kan bouwen en vertrouwen op haar moeder en zij een gezonde hechtingsrelatie kunnen aangaan.
- [minderjarige] leert haar vader kennen (in eerste instanties met foto’s) en kan een veilige en onbelaste relatie opbouwen met haar vader.
- [minderjarige] leert haar halfzus en –broers beter kennen.
Om deze doelen te bereiken is het belangrijk dat wordt gekeken naar een passende woonplek, waarbij de voorkeur uitgaat naar een ouder- en kindvoorziening. Ook zal er ondersteuning moeten komen in de vorm van traumabehandeling en hulp die zal bijdragen aan persoonlijke ontwikkeling van de moeder. Als haar stabiliteit verbetert, zal dit ook van positieve invloed zijn op de opvoedingscapaciteiten. Ook zal er aandacht moeten zijn voor statusvoorlichting zodat [minderjarige] weet wie haar vader is en zal er aandacht moeten zijn voor de zorgregeling tussen enerzijds [minderjarige] en haar moeder en anderzijds [minderjarige] en haar halfbroer [persoon 1] en halfzus [persoon 2] .
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 20 maart 2026 tot 20 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 maart 2026 tot 20 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking zal worden gestuurd naar de GI.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.