Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3198

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/445182 / FA RK 26-872
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:322 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voogdijoverdracht van gecertificeerde instelling naar pleegmoeder en oma

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 20 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de voogdijoverdracht van een minderjarige, geboren in 2009, van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant naar de pleegmoeder, tevens oma van het kind.

De minderjarige verblijft sinds haar eerste levensjaar bij de pleegmoeder, die ook de hoofdopvoeder is. De gecertificeerde instelling was sinds 2014 voogd, nadat het gezag van de moeder was beëindigd. De pleegmoeder heeft zich bereid verklaard de voogdij over te nemen. Zowel de ouders als de minderjarige zelf steunen het verzoek, en ook de Raad voor de Kinderbescherming adviseert toewijzing.

De rechtbank oordeelt dat de pleegmoeder in staat is de voogdij goed uit te oefenen en dat het belang van de minderjarige gediend is met de overdracht. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De rechtbank wenst de minderjarige en pleegmoeder alle goeds voor de toekomst.

Uitkomst: De voogdij over de minderjarige wordt overgedragen van de gecertificeerde instelling aan de pleegmoeder, die tevens oma is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445182 / FA RK 26-872
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de rechtbank over voogdijoverdracht
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarige:
[minderjarige],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder, tevens oma (vaderszijde),
wonende in [woonplaats 1] .
De rechtbank merkt als informanten aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 3] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van 13 februari 2026;
  • het e-mailbericht van de Raad van 12 maart 2026.
1.2.
Op 13 maart 2026 heeft de rechtbank het verzoek behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- een vertegenwoordigster van de GI;
- de pleegmoeder.
1.3.
Met kennisgeving vooraf was de vader niet bij de zitting aanwezig. Hij heeft de rechtbank schriftelijk laten weten niet te kunnen komen. De vader heeft daarbij aangegeven te kunnen instemmen met het verzoek.
1.4.
De moeder was, hoewel daartoe correct opgeroepen, niet bij de zitting aanwezig.
1.5.
Per e-mailbericht van 12 maart 2026 heeft de Raad de rechtbank bericht dat er geen zittingsvertegenwoordiger bij de zitting aanwezig zal zijn. De Raad heeft schriftelijk geadviseerd, zoals hierna te melden in rechtsoverweging 5.2.
1.6.
De [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening over het verzoek kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt op 10 maart 2026. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld, namelijk dat zij zich kan vinden in het verzoek. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] verblijft sinds haar eerste levensjaar bij de pleegmoeder.
2.2.
Bij beschikking van rechtbank Limburg van 18 juni 2014 is het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is de GI tot voogdes over haar benoemd.
2.3.
De pleegmoeder heeft zich bij brief van 23 januari 2026 en mondeling tijdens de zitting van 13 maart 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt haar op grond van 1:322, eerste lid sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te ontslaan uit de voogdij over [minderjarige] , ten gunste van de pleegmoeder.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek wordt namens de GI, samengevat, het volgende aangevoerd. [minderjarige] woont sinds haar eerste levensjaar bij de pleegmoeder, waarvan de laatste zes jaar alleen met pleegmoeder. De pleegmoeder is altijd een stabiele factor voor [minderjarige] geweest. Zij is al jaren de opvoeder van [minderjarige] en is er onvoorwaardelijk voor haar.
4.2.
Tussen [minderjarige] en haar ouders is er regelmatig omgang. Dit wordt in onderling overleg afgesproken, loopt via de pleegmoeder en gaat gemoedelijk. Volgens de GI staan de ouders en ook [minderjarige] achter het verzoek. [minderjarige] zou graag willen dat de pleegmoeder de voogdij over haar heeft zodat zaken, zoals bankzaken, zonder tussenkomst van de GI kunnen worden geregeld. De samenwerking tussen de hulpverlening, de vader, de moeder en pleegmoeder verloopt naar tevredenheid. Ook is er een sterk netwerk aanwezig.
4.3.
De GI gunt [minderjarige] dat de pleegmoeder als voogd over haar wordt benoemd. De GI heeft er vertrouwen in dat de pleegmoeder die rol goed zal vervullen. [minderjarige] kan op die manier, met de pleegmoeder als voogd, op weg naar haar volwassenheid.

5.Het standpunt van belanghebbenden en het advies van de Raad

5.1.
De pleegmoeder brengt, samengevat, naar voren dat zij achter het verzoek staat. De pleegmoeder merkt op dat zij het vanzelfsprekend vindt dat zij voor [minderjarige] zorgt. Haar zoon en schoondochter, de oom en tante van [minderjarige] , hebben altijd geholpen daar waar dat kon. Het netwerk kon - en kan - altijd worden ingeschakeld. [minderjarige] weet niet beter dan dat de pleegmoeder haar opvoeder is. Als het verzoek zal worden toegewezen, dan zal [minderjarige] daar heel blij mee zijn.
5.2.
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, als volgt. Het verzoek is passend en in het belang van [minderjarige] en andere betrokkenen. Alle betrokkenen stemmen bovendien in met het verzoek van de GI naar aanleiding van de wens van [minderjarige] . Het is passend om de verantwoordelijkheid over [minderjarige] en te nemen beslissingen daar te beleggen waar het ten dienste komt van [minderjarige] , te weten bij de pleegmoeder.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:322 BW Pro kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan, indien een daartoe bevoegd persoon/gecertificeerde instelling zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op hetgeen tijdens de zitting en in de overgelegde stukken naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat de pleegmoeder in staat moeten worden geacht om de voogdij over [minderjarige] op een goede manier uit te oefenen en dat de betrokkenheid van de GI in dat verband niet langer nodig is. De pleegmoeder is al sinds het eerste levensjaar van [minderjarige] bij haar betrokken. Zij fungeert als hoofdopvoeder en is er onvoorwaardelijk voor [minderjarige] . De rechtbank acht het bovendien in het belang van [minderjarige] dat de pleegmoeder, als haar feitelijke verzorger en opvoeder, ook de belangrijke (gezags)beslissingen over [minderjarige] kan nemen en [minderjarige] daarbij niet afhankelijk is van de GI. Gebleken is dat beide ouders en [minderjarige] zelf achter de voogdijoverdracht staan en zij het verzoek ondersteunen. Ook de Raad acht een toewijzing van het verzoek op zijn plaats.
6.3.
De GI heeft als bijlage bij het verzoek een schriftelijke en door de pleegmoeder ondertekende verklaring overgelegd, waaruit blijkt dat zij bereid is om te worden belast met de voogdij over [minderjarige] . Tijdens de zitting heeft de pleegmoeder volhard in die bereidverklaring.
6.4.
Gelet op het voormelde zal de rechtbank het verzoek daarom toewijzen waarbij zij de GI zal ontslaan als voogdes over [minderjarige] ten gunste van de pleegmoeder. De rechtbank wenst [minderjarige] en de pleegmoeder daarbij alle goeds voor de toekomst.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.5.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
ontslaat, met ingang van heden, de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant als voogdes over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ;
7.2.
benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige, de pleegmoeder;
- mevrouw [de pleegmoeder], geboren op [geboortedag 2] 1965 te [geboorteplaats 2];
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
verzoekt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.