Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3202

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/442321 / FA RK 25-6071
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253t BWArt. 1:244 BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag moeder en oma over minderjarige

De moeder en de oma hebben gezamenlijk verzocht om het gezag over de minderjarige toe te kennen aan beiden. De minderjarige woont sinds 2019 fulltime bij de oma, die als pleegmoeder fungeert en feitelijk de hoofdopvoeder is. De moeder is van rechtswege gezagsdrager, maar woont elders en is niet in staat volledig voor het kind te zorgen.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd het verzoek toe te wijzen, omdat de moeder en oma goed samenwerken en het in het belang van het kind is. De vader is niet in beeld en heeft het kind niet erkend, waardoor de wettelijke vereisten voor gezamenlijk gezag met een ander dan de ouder van toepassing zijn.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de oma en het kind en dat er geen gegronde vrees is dat het belang van het kind bij toewijzing zou worden verwaarloosd. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en zal worden geregistreerd in het openbare gezagsregister.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe en belast de moeder en de oma gezamenlijk met het gezag over de minderjarige.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442321 / FA RK 25-6071
Datum uitspraak: 20 maart 2026
beschikking over gezamenlijk gezag
in de zaak van
[de moeder],
hierna: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer in Tilburg,
en
[de oma (mz)],
hierna: de oma (moederzijde),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer in Tilburg,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het op 24 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het keuzeformulier van [minderjarige] van 28 januari 2026, ingekomen bij de griffie op 29 januari 2026.
1.2.
Op 13 maart 2026 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die zitting zijn aanwezig en gehoord:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- de oma, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Arabische taal;
- een medewerkster namens de Raad.
1.3.
Met bijzondere toestemming van de rechtbank is als toehoorder bij de zitting aanwezig, mevrouw [naam] , medewerkster van [hulpverlening].
1.4.
[minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft op 29 januari 2026 een keuzeformulier ontvangen waarin [minderjarige] aangeeft niet op een kindgesprek te zullen komen en geen brief te zullen schrijven. Zij geeft daarbij wel het volgende aan:
Ze mogen allebei beslissen. Oma en mama mogen allebei kiezen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De vader van [minderjarige] is niet in beeld.
2.3.
[minderjarige] woont bij de oma. De oma, tevens pleegmoeder van [minderjarige] , zorgt sinds 2019 fulltime voor [minderjarige] . De moeder woont elders.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder en de oma verzoeken gezamenlijk om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij samen het gezag zullen uitoefenen over [minderjarige] .

4.De standpunten en het advies van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek is door en namens de moeder en de oma, samengevat, het volgende aangevoerd. Het gaat goed met [minderjarige] bij de oma. Zij is leergierig, sociaal en heeft vriendinnetjes. Ook met de gezondheid van [minderjarige] gaat het goed. [minderjarige] woont al jaren bij de oma en zij kan daar ook blijven wonen. De moeder ziet [minderjarige] regelmatig, maar niet op vaste tijden. De moeder probeert wekelijks bij [minderjarige] en de oma langs te gaan. Volgens de moeder is zij eerder, met fases, in en uit het leven van [minderjarige] geweest. De oma heeft tijdens die periodes altijd goed voor [minderjarige] gezorgd. De oma maakt daarin ook de juiste keuzes. De moeder volgt de oma hier dan ook in. Wanneer er gezagsbeslissingen moeten worden genomen, zijn de moeder en de oma het met elkaar eens. Mocht de moeder in de toekomst onverhoopt uit beeld raken, dan is de oma - wanneer zij ook met het gezag is belast - in de gelegenheid om de rechtbank om vervangende toestemming te verzoeken. Mocht de moeder komen te overlijden, dan is voor [minderjarige] duidelijk dat de oma de gezagsbeslissingen alleen zal nemen. Er hoeft dan niets meer geregeld te worden.
4.2.
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, als volgt. De Raad complimenteert de moeder en de oma voor de wijze waarop zij dit verzoek samen insteken. Zij zoeken altijd samen de oplossing. Dat is voor [minderjarige] de beste boodschap die zij kan krijgen. De Raad acht een toewijzing van het verzoek aangewezen. Het verzoek is weloverwogen en in goed overleg tussen de moeder en de oma tot stand gekomen. Hun verstandhouding is prettig en zij hebben de afgelopen jaren aangetoond dingen samen te kunnen regelen.

5.De beoordeling

Wat zegt de wet?
5.1.
Op grond van artikel 1:253t eerste lid van het Burgerlijk Wetboek ( hierna: BW) kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder, die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
5.2.
In het geval dat het kind tevens in een familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder wordt het verzoek op grond van het tweede lid van voornoemd artikel slechts toegewezen, indien;
( a) de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad en
( b) de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag over het kind belast is geweest.
5.3.
Het verzoek wordt op grond van artikel 1:253t derde lid BW afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Uit de overlegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige] sinds 2019 fulltime bij de oma woont. De oma is al jaren haar hoofdopvoeder, omdat de moeder niet in staat is om volledig voor [minderjarige] te zorgen. In de praktijk neemt de oma de gezagsbeslissingen en volgt de moeder de oma hierin. De moeder vertrouwt de oma dat zij voor [minderjarige] de juiste keuzes maakt.
5.5.
De vader van [minderjarige] is niet in beeld. Hij heeft [minderjarige] niet erkend. [minderjarige] staat niet tevens in een familierechtelijke betrekking tot een andere ouder. Dat betekent dat voor toewijzing van het verzoek alleen voldaan moet zijn aan het eerste lid van 1:253t BW.
5.6.
De vraag of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen [minderjarige] en de oma beantwoordt de rechtbank positief, met verwijzing naar hetgeen hiervoor is weergegeven in rechtsoverweging 5.4.
5.7.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voor de in het derde lid van artikel 1:253t BW bedoelde vrees redenen zijn. Die vraagt beantwoordt de rechtbank negatief; die redenen zijn er niet.
5.8.
Het voorgaande leidt ertoe, en daarin volgt de rechtbank de Raad, dat het verzoek kan worden toegewezen. Niet alleen voldoet het verzoek aan de vereisten die de wet stelt, het is ook passend bij de huidige situatie en wordt in het belang van [minderjarige] geacht. De moeder en de oma nemen feitelijk al jaren samen beslissingen over [minderjarige] , wat nooit tot problemen heeft geleid. De rechtbank heeft er alle vertrouwen in dat de moeder en de oma deze lijn bij gezamenlijk gezag zullen voortzetten.
5.9.
De rechtbank bepaalt daarbij dat hiervan aantekening zal worden gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister.
5.10.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
belast de oma,
[de oma (mz)], geboren op [geboortedag 2] 1975 te [geboorteplaats 2] (Somalië), samen met de moeder,
[de moeder], geboren op [geboortedag 3] 1995 te [geboorteplaats 3] met het gezag over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;
6.2.
bepaalt dat van deze beslissing, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.