Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3212

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/445600 / JE RK 26-357
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, die sinds april 2025 onder toezicht staat en uit huis is geplaatst. De minderjarige verblijft bij een woongroep en vertoont wisselend gedrag, waaronder het niet naleven van afspraken, agressie en softdrugsgebruik, hoewel dit recentelijk lijkt te zijn gestopt.

De vader verklaart dat de situatie zorgelijk is, met gebrek aan motivatie en begeleiding, terwijl de moeder niet aanwezig was bij de zitting. De kinderrechter constateert dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet met vrijwillige hulp kan worden weggenomen en dat de dynamiek met de ouders problematisch blijft.

Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 22 april 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 22 oktober 2026. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten. De kinderrechter benadrukt het belang van motivatie van de minderjarige voor een positieve toekomst.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd met een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden vanwege aanhoudende zorgen over het gedrag en de motivatie van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445600 / JE RK 26-357
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [de woongroep] in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 november 2025 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI is naar voren gebracht dat uit het recente overleg met de jeugdreclassering blijkt dat [minderjarige] zich niet begeleidbaar opstelt, brutaler wordt en zich niet houdt aan afspraken. De verstandhouding met de groepsleiding bij [de woongroep] is wisselend. Dit alles heeft ook een negatieve impact op de andere groepsgenoten. De jeugdreclassering, die betrokken is vanwege een strafrechtelijke veroordeling, heeft [minderjarige] een waarschuwing gegeven. Hij moet naar school gaan en zorgen voor een baan en hij krijgt daar tot 1 april 2026 de tijd voor. Alles valt of staat met zijn motivatie. Hij heeft strakke kaders nodig en dat is lastig voor hem. Er zal een vervolgplek moeten komen, maar dan moet [minderjarige] wel laten zien dat hij het kan. De GI handhaaft het verzoek.
4.2.
De vader heeft ter zitting verklaard dat het helemaal niet goed gaat op dit moment. De GI hamert op strakke kaders maar die krijgt [minderjarige] nu helemaal niet. Hij gaat niet naar school, werkt niet en ondertussen wordt de hand boven zijn hoofd gehouden en doet hij helemaal niks. Het feit dat zijn moeder vandaag niet op zitting is, is ook tekenend voor de situatie. [minderjarige] heeft niet lang meer voor hij op eigen benen moet staan en de vader vindt het zorgelijk als op deze voet wordt verder gegaan. Het zou goed zijn als er een stevigere vorm van begeleiding zou komen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[minderjarige] verblijft bij [de woongroep] in [plaats] . Hier heeft hij de afgelopen periode goede stappen gezet (gestart met opleiding, stage en een bijbaan). Helaas lukt het [minderjarige] niet om die positieve lijn vast te houden. Hij laat de afgelopen periode meer zelfbepalend gedrag zien, zoekt grenzen op, houdt zich niet aan afspraken. Er is sprake van verbale en fysiek agressie richting spullen. Ook zijn er nog altijd zorgen over zijn dagelijkse softdrugsgebruik, al lijkt dit recent gestopt (1 februari 2026). [minderjarige] gaat op dit moment niet meer naar school en heeft ook geen baan. Omdat de dynamiek tussen [minderjarige] en zijn moeder nog niet is veranderd, is een terugkeer naar huis nog niet mogelijk. De moeder ontvangt hulpverlening maar dit leidt vooralsnog niet tot een duurzame verandering. Er zijn zorgen over haar draagkracht. De relatie tussen [minderjarige] en zijn vader verloopt nog altijd met veel conflicten. Met [minderjarige] is besproken dat wordt gekeken naar een vorm van zelfstandigheidtraining. Dit kan echter alleen als [minderjarige] laat zien dat hij gemotiveerd is voor deze vervolgstap. Op dit moment zijn er echter grote zorgen en de tijd tikt. Als [minderjarige] iets wil maken van zijn toekomst dan zal hij nu moeten laten zien dat hij gemotiveerd is. Hij wordt nu ouder en er wordt steeds meer van hem verwacht. Alles wat hij nu in zichzelf investeert betaalt zich straks na zijn 18e dubbel uit. Alles wat hij niet in zichzelf investeert helaas ook. De kinderrechter hoop dat [minderjarige] deze kans pakt en gaat werken aan zijn toekomst.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening omdat er sprake is van forse zorgen en het ontbreken van motivatie om deze zorgen aan te pakken.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 april 2026 tot 22 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 22 april 2026 tot 22 oktober 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.