Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3213

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/443168 FA RK 25-6530
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen zorgregeling en kinderalimentatie met begeleide omgang

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 20 maart 2026 een verzoek tot voorlopige voorzieningen inzake de zorgregeling en kinderalimentatie voor een minderjarige. De vader verzocht om toevertrouwing aan de moeder en een zorg- en contactregeling waarbij hij om de week contact zou hebben met het kind. De moeder verzocht eveneens om toevertrouwing aan haarzelf, maar met een begeleide omgangsregeling onder professionele begeleiding en een maandelijkse onderhoudsbijdrage van €452.

Tijdens de zitting werd duidelijk dat er onenigheid bestond over de omgang en de mate van betrokkenheid van de vader bij de verzorging van het kind. De moeder uitte zorgen over seksueel ongepast gedrag en de verzorging door de vader, terwijl de vader stelde dat hij in staat is voor het kind te zorgen en dat de omgang onterecht beperkt wordt. De rechtbank kon op basis van de stukken en stellingen niet vaststellen of de zorgen van de moeder gegrond zijn, maar achtte het belang van het kind geboden dat de omgang voorlopig begeleid plaatsvindt.

De rechtbank stelde vast dat professionele begeleiding noodzakelijk is om de omgang te observeren en te ondersteunen, en om het vertrouwen tussen ouders te herstellen. De omgang wordt gestart met een wekelijks contactmoment van een uur onder professionele begeleiding, met de mogelijkheid tot uitbreiding. De rechtbank wees een verwijzing naar het Uniform Hulp Aanbod af omdat partijen hier niet mee instemden.

Ten aanzien van de kinderalimentatie werd het netto besteedbaar gezinsinkomen vastgesteld op €4.931 per maand, met een behoefte van het kind van €701 per maand. De draagkracht van de vader werd berekend op €452, de moeder op €307. Met een zorgkorting van 15% werd de bijdrage van de vader vastgesteld op €312 per maand, te voldoen aan de moeder.

De beschikking is direct uitvoerbaar en hoger beroep is uitgesloten. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de toevertrouwing toe aan de moeder, stelt een begeleide omgangsregeling vast en bepaalt de kinderalimentatie op €312 per maand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443168 FA RK 25-6530
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 20 maart 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A. Elias,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S. van Reeven-Özer.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 19 december 2025 ontvangen verzoekschrift producties genummerd 1 en 2;
- het op 28 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met producties genummerd 1 tot en met 5;
- de op 12 februari 2026 ontvangen brief van mr. Elias;
- de op 12 februari 2026 ontvangen brief van mr. Van Reeven-Özer.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 5 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig piketmediator mevrouw [naam].
1.3 Na bespreking van de standpunten hebben partijen zich bereid verklaard om over de tussen hen bestaande geschillen bemiddelingsgesprekken aan te gaan met de piketmediator. Uit de na de zitting ontvangen berichten blijkt dat de mediation niet tot resultaat heeft geleid. Beide partijen hebben verzocht de zaak verder schriftelijk af te doen.

2.De verzoeken

2.1
De man verzoekt, samengevat,
- toevertrouwing van de [minderjarige] aan de vrouw;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
2.2
De vrouw verzoekt, samengevat,
- toevertrouwing van de [minderjarige] aan haar;
- vaststelling van een begeleide regeling inzake de verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken onder begeleiding van een professional;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de minderjarige van € 452,= per maand.

3.De beoordeling

3.1
De verzoeken betreffende de toevertrouwing van de [minderjarige] aan de vrouw liggen als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.
3.2
In geschil zijn de verzoeken rondom de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] .
De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
3.3
De man stelt dat sinds de verbreking van de relatie de vrouw slechts zeer beperkte
omgang tussen hem en [minderjarige] heeft toegestaan. Hooguit één uur per week, uitsluitend op een openbare locatie en in nabijheid van de vrouw. De vrouw stelt zich nu zeer beschermend op jegens [minderjarige] , dit terwijl hij tijdens het huwelijk altijd veel zorgtaken op zich heeft genomen. De man ervaart nu grote emotionele nood door het uitblijven van contact. Hij heeft zich inmiddels tot de praktijkondersteuner van de huisarts en tot Veilig Thuis gewend. Volgens de man zijn er geen belemmeringen om een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij hij de ene week van vrijdag 16:00 uur tot maandag tot school contact heeft met [minderjarige] en de andere week van woensdag 16:00 uur tot donderdag tot school.
Tijdens de zitting zijn de stellingen van de vrouw betreffende de belemmeringen voor onbegeleide omgang door en namens de man betwist. Waarom er nu geen omgang zou kunnen zijn is de man onduidelijk, temeer omdat de vrouw in haar echtscheidingsverzoek hierover niets heeft aangevoerd. De man heeft er tijdelijk mee ingestemd dat de omgang begeleid door de vrouw zou worden, omdat hij de hoop had dat de vrouw zou terugkomen op haar terughoudenheid. Maar die terughoudendheid is alleen maar sterker geworden. Op dit moment is de man voor contacten met zijn dochter overgeleverd aan de grillen van de vrouw. Reden waarom hij volhardt in zijn verzoek.
3.4
De vrouw stelt dat sinds de geboorte van [minderjarige] uitsluitend zij de zorg over haar heeft gehad. De man heeft nauwelijks een emotionele band met haar en weet niet hoe met haar om te gaan. De man kan niet inspelen op haar behoefte. Buiten omgangsmomenten toont hij geen interesse. Tijdens omgangsmomenten blijkt hij handelingsverlegen te zijn en is hij aangewezen op de ondersteuning door de vrouw. Desondanks acht de vrouw het in belang van [minderjarige] dat er contact is met de man, maar dit dient dan wel verantwoord te zijn. Reden hiervoor is met name een zorgwekkende seksueel getinte uitspraak van [minderjarige] in september 2025. Maar de vrouw heeft meer zorgen zoals het ongezonde eten bij de man, de desinteresse van de man en het niet goed verzorgen van [minderjarige] tijdens de omgang.
Tijdens de zitting heeft de vrouw meer zorgen geuit over sexueel ongepast gedrag van de man in de nabijheid van [minderjarige] , waarbij zij concrete uitlatingen en gedragingen van [minderjarige] heeft genoemd. De vrouw moet zeker weten dat [minderjarige] veilig is bij de man en dat zij zich goed voelt. Een zorg- en contactregeling kan alleen begeleid, aldus de vrouw. De vrouw verzoekt om begeleide contact door een professional van 2 uur per week en om een doorverwijzing naar het zogenaamde Uniform Hulpaanbod.
3.5
De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van de stukken en hetgeen partijen op zitting naar voren hebben gebracht, heeft de rechtbank geen duidelijk beeld van de opvoedingssituatie rondom [minderjarige] gekregen. De vrouw stelt zorgen te hebben van verschillende aard. Over het aandeel van de man in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] heeft de vrouw verschillend verklaard. Zij stelt enerzijds dat de man niet of nauwelijks betrokken is geweest bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , maar anderzijds heeft de vrouw op zitting erkend dat hoewel de man werkte, hij tijdens de samenleving betrokken was bij de fysieke opvoeding van [minderjarige] , zoals het bad-bed ritueel aan het eind van de dag. Er zijn zorgen over voeding, maar de stelling van de man dat hij in staat is een warme maaltijd te bereiden, is onweersproken gebleven. Verder heeft de vrouw zorgen over seksueel ongepast gedrag in de nabijheid van [minderjarige] op basis van uitspraken en gedragingen van [minderjarige] . De man betwist dat er grond is voor zorgen op dat vlak. De rechtbank kan op basis van de stukken en de stellingen niet concluderen of de zorgen van de vrouw terecht zijn.
Verder zijn de zorgen van de vrouw erin gelegen dat de man emotioneel niet goed kan aansluiten bij [minderjarige] en geen goede invulling kan geven aan de contacten met [minderjarige] . Bij de meest recente contacten was de vrouw altijd in de buurt. De vrouw is voor [minderjarige] de hoofdopvoeder en tijdens de contactmomenten hebben ouders elkaar, naar eigen zeggen, totaal genegeerd. Naar het oordeel van de rechtbank moet dat voelbaar zijn geweest voor [minderjarige] en is dat mogelijk een verklaring voor haar gedrag tijdens de omgang, waarbij zij op momenten die bij haar verwarring of angst opriepen, de nabijheid van haar moeder heeft gezocht. Het bovenstaande betekent dat de rechtbank bij de huidige stand van zaken de gegrondheid van de zorgen van de vrouw niet kan vaststellen, maar deze ook niet zonder meer als ongegrond terzijde kan stellen. De rechtbank is wel zonder meer duidelijk geworden dat er bij de vrouw nauwelijks tot geen draagvlak bestaat voor onbegeleide contacten tussen [minderjarige] en haar vader.
3.6
De rechtbank is bij de huidige stand van zaken van oordeel dat een zorg- en contactregeling in het belang van [minderjarige] vooralsnog begeleid dient plaats te vinden. Het wantrouwen van de vrouw in de man is zo groot, dat de rechtbank het risico dat met het opleggen van een onbegeleide contactregeling zonder betrokkenheid van hulpverlening, het contact tussen de man en [minderjarige] stagneert en tot contactverlies gaat leiden. Verder maakt de rechtbank uit de stukken en wat is besproken op zitting op dat de man nooit gedurende een langere periode (van meerdere uren of dagen) alleen, zonder ondersteuning van de vrouw, voor [minderjarige] heeft gezorgd. Dat impliceert niet dat de man niet over de vaardigheden beschikt om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden, maar het is de rechtbank wel gebleken dat de vrouw altijd in de nabijheid was en nu onzeker is of de man de zorg ook alleen kan dragen. Ook in dat opzicht acht de rechtbank het aangewezen dat gedurende enige tijd de contacten tussen de man en [minderjarige] worden geobserveerd.
3.7
De rechtbank vindt het van belang dat er professionele begeleiding van de omgangsregeling plaatsvindt. De betrokken hulpverlener dient namelijk niet alleen de contacten tussen [minderjarige] en de man te observeren en te begeleiden, maar ook partijen daarbij te ondersteunen en te adviseren. Daarbij dient ook aandacht te zijn voor de door de vrouw gestelde uitlatingen en gedragingen van [minderjarige] waardoor bij haar zorgen zijn ontstaan over ongepast seksueel gedrag door de man. Als door de omgangsbegeleiding geen contra-indicaties voor onbegeleide contacten gezien worden, dient de hulpverlening er ook op gericht te zijn om te onderzoeken wat nodig is om het vertrouwen bij de vrouw in de man te herstellen. Daarbij rust op beide ouders uitdrukkelijk een inspanningsverplichting om hulpverlening te aanvaarden, daaraan mee te werken, en in te zetten op continuïteit in de contacten tussen [minderjarige] en haar vader.
3.8
Op basis van de beschikbare informatie schat de rechtbank in dat er gestart kan worden met
minimaaleen wekelijks, professioneel begeleid, contactmoment tussen [minderjarige] en de man van een uur. De rechtbank onderstreept dat het verder aan de betrokken hulpverlening is om te bepalen hoe de regeling in vorm, duur en/of frequentie moet worden ingericht. Als de hulpverlening van oordeel is dat uitbreiding van het contact in duur of frequentie verantwoord is, is het aan de hulpverlening om tot die uitbreiding over te gaan. Partijen dienen zich te richten naar de visie van de betrokken hulpverlening. Tenzij de hulpverlening contra-indicaties ziet voor onbegeleide omgang, gaat de rechtbank er op basis van de nu beschikbare gegevens vanuit dat de regeling stapsgewijs kan worden uitgebreid eb overgaan in onbegeleide omgang, uiteindelijk ook met overnachtingen.
Totdat de professionele begeleiding van start kan gaan, is het aan partijen om in onderling overleg regelmatige contactmomenten tussen de man en [minderjarige] af te spreken, waarbij de vrouw dan ook (op afstand) aanwezig is. Weliswaar is dat niet de ideale situatie voor [minderjarige] en partijen, maar voorkomen moet worden dat er gedurende zekere tijd helemaal geen contacten tussen [minderjarige] en haar vader meer plaatsvinden.
3.9
De rechtbank heeft bij partijen geïnformeerd of zij kunnen instemmen met verwijzing naar het Uniform Hulp Aanbod (UHA). Daarop is geen eensluidend akkoord gekomen. De rechtbank zal daarom niet verwijzen naar het UHA. Dit betekent dat partijen zelf de benodigde hulpverlening moeten regelen, bijvoorbeeld via het Centrum voor Jeugd en Gezin.
Kinderalimentatie
3.1
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
3.11
Voor de vaststelling van de behoefte van de [minderjarige] is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2025, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.
3.12
Tussen partijen staat vast dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2025 € 2.856,= per maand bedroeg en dat het NBI van de vrouw € 2.059,= per maand bedroeg.
3.13
Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Het kindgebonden budget bedroeg op het moment dat partijen uit elkaar gingen € 16,= per maand. Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van partijen becijferd op € 4.931,= per maand.
3.14
Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarige op van
€ 670,= per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu
€ 701,= per maand.
3.15
Volgens de vrouw dient rekening te worden gehouden met bijzonder kosten, te weten oppaskosten ter hoogte van € 472,= per maand. Op de zitting heeft de advocaat van de vrouw laatstgenoemd bedrag aangepast in € 110,= (netto) per maand. Verhoging van het eigen aandeel van ouders in de kosten van een kind boven het tabelbedrag is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie slechts aangewezen indien sprake is van bijzondere kosten voor de minderjarige die niet worden geacht te zijn begrepen in de tabelbedragen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de opvangkosten echter niet dusdanig hoog – mede de omvang van het tabelbedrag in aanmerking nemende –, dat dit grond vormt voor verhoging van het tabelbedrag. De uitgaven voor kinderopvang kunnen binnen het tabelbedrag worden gecompenseerd met lagere uitgaven op een andere kostenpost. De rechtbank gaat dan ook uit van eerdergenoemde behoefte van de [minderjarige] van € 701,= per maand.
3.16
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van [minderjarige] tussen de
onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de
behoefte van de [minderjarige] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto
besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de
formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
3.17
Tussen partijen staat vast dat het huidige NBI van de man € 2.873,= per maand
bedraagt. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 452,= per maand.
3.18
Verder staat tussen partijen vast dat het NBI van de vrouw € 2.575,= per maand
bedraagt. Volgens de man is de vrouw inwonend bij haar ouders en dient geen rekening te worden met woonlasten. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de omstandigheid dat de vrouw nu bij haar ouders woont, geen grond om bij de bepaling van haar draagkrachtloos inkomen geen rekening te houden met woonlasten. De vrouw moet immers, net als de man, de financiële ruimte hebben om in haar eigen kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien, en daarbij horen ook woonlasten, zodat zij een zelfstandige woonruimte kan bekostigen. Dat de woonsituatie van de vrouw bij haar ouders permanent is, waardoor zij duurzaam geen of veel lagere woonlasten heeft, is de rechtbank niet gebleken. De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 307,= per maand.
3.19
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen
brengt mee dat de man met een deel van 60 % (€ 417,= per maand) en de vrouw met een deel
van 40 % (€ 284,= per maand) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van
[minderjarige] .
3.2
Het is op dit moment nog niet duidelijk hoe groot het aandeel van de man in de zorg voor [minderjarige] zal zijn. De rechtbank hanteert, met het oog op de verwachte duur van de voorlopige voorziening, een zorgkorting van 15%. Nu de behoefte van [minderjarige]
€ 701,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 105,= per maand.
3.21
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als
kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen van € 312,= per maand. De rechtbank zal die
bijdrage vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.
3.22
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze
berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel
uit.
Directe werking beslissingen
3.23
Tegen de beslissingen in deze beschikking staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissingen directe werking hebben.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
bepaalt dat aan de vrouw wordt toevertrouwd de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022;
4.2
bepaalt dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar op de wijze als beschreven in de rechtsoverweging 3.8.;
4.3
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 312,= (driehonderdtwaalf euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.