De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 20 maart 2026 een verzoek tot voorlopige voorzieningen inzake de zorgregeling en kinderalimentatie voor een minderjarige. De vader verzocht om toevertrouwing aan de moeder en een zorg- en contactregeling waarbij hij om de week contact zou hebben met het kind. De moeder verzocht eveneens om toevertrouwing aan haarzelf, maar met een begeleide omgangsregeling onder professionele begeleiding en een maandelijkse onderhoudsbijdrage van €452.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat er onenigheid bestond over de omgang en de mate van betrokkenheid van de vader bij de verzorging van het kind. De moeder uitte zorgen over seksueel ongepast gedrag en de verzorging door de vader, terwijl de vader stelde dat hij in staat is voor het kind te zorgen en dat de omgang onterecht beperkt wordt. De rechtbank kon op basis van de stukken en stellingen niet vaststellen of de zorgen van de moeder gegrond zijn, maar achtte het belang van het kind geboden dat de omgang voorlopig begeleid plaatsvindt.
De rechtbank stelde vast dat professionele begeleiding noodzakelijk is om de omgang te observeren en te ondersteunen, en om het vertrouwen tussen ouders te herstellen. De omgang wordt gestart met een wekelijks contactmoment van een uur onder professionele begeleiding, met de mogelijkheid tot uitbreiding. De rechtbank wees een verwijzing naar het Uniform Hulp Aanbod af omdat partijen hier niet mee instemden.
Ten aanzien van de kinderalimentatie werd het netto besteedbaar gezinsinkomen vastgesteld op €4.931 per maand, met een behoefte van het kind van €701 per maand. De draagkracht van de vader werd berekend op €452, de moeder op €307. Met een zorgkorting van 15% werd de bijdrage van de vader vastgesteld op €312 per maand, te voldoen aan de moeder.
De beschikking is direct uitvoerbaar en hoger beroep is uitgesloten. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af.