Uitspraak
2.De feiten
3.De verzoeken
4.De beoordeling
- de man: een bedrag van 10.000/631.700 x de verkoopprijs, alsmede een bedrag van 83.700/631.700 x de verkoopprijs;
- de vrouw: een bedrag van 7.000/631.700 x de verkoopprijs; een bedrag van 120.000/583.000 x de verkoopprijs en een bedrag van € 21.123,47.
,=aan hem dient te voldoen; hierbij voorts gelet op de omstandigheid dat hij geen concreet verzoek met onderbouwing over het jaar 2021 heeft ingediend. Voorts begrijpt de rechtbank, eveneens gezien de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen, dat de man zich thans op het standpunt stelt dat de vrouw de helft van de naheffingsaanslag 2021 SPH (pensioenpremie) van € 22.212,32 aan hem dient te voldoen.
,=aan hem dient te voldoen nu hij dit bedrag heeft betaald. De man heeft in 2021 te weinig pensioenpremie voldaan eveneens om meer liquide middelen ter beschikking te hebben voor de verbouwing van de woning. De man heeft de SPH naheffing over 2021 van € 22.212,32 betaald. Beide partijen zijn bij helfte draagplichtig nu dit een gemeenschapsschuld betreft. De vrouw dient de helft van de naheffingsaanslag 2021 SPH van het bedrag van € 22.212,32 aan hem te voldoen. Het voordeel dat is genoten door het uitstellen van de pensioenbetaling en de belastingbetaling is in de gemeenschap gevallen, aldus de man.
,=en de helft van de naheffingsaanslag 2021 SPH van € 22.212,32, is de rechtbank van oordeel dat beide partijen gelijke draagplicht hebben ten aanzien van deze schulden (artikel 1:100 BW Pro). Vaststaat dat immers dat deze schulden vòòr de ontbinding van de beperkte gemeenschap zijn ontstaan en derhalve gemeenschapsschulden betreffen. De rechtbank gaat ervan uit dat het voordeel van de in eerste instantie omlaag gebrachte voorlopige aanslag IB en vordering pensioenpremie aan de gemeenschap van partijen ten goede is gekomen nu niet is gebleken dat dit anders is. De rechtbank zal bepalen dat de man voor de helft van voornoemde bedragen, een bedrag van € 32.521,= (aanslag IB 2023) en een bedrag van € 11.106,16 (naheffingsaanslag SPH) een regresvordering op de vrouw heeft.
,althans zo begrijpt de rechtbank het verzoek van de vrouw, te bepalen dat zij een vordering op de man heeft ter grootte van de helft van de toename van het ondernemingsvermogen van de man in de maatschap over de huwelijkse periode, zijnde een bedrag van € 70.663,=. Zij stelt daartoe, samengevat en voor zover van belang, het volgende. Nu de man in de huwelijkse periode niet steeds zijn gehele aandeel in het resultaat van de maatschap als inkomen heeft opgenomen maar een deel in de maatschap heeft gelaten, hoort de toename van het ondernemingsvermogen van de man in de maatschap over de huwelijkse periode van partijen tot de gemeenschap en dient deze bij helfte tussen te worden gedeeld. De man had dit resultaat als inkomen kunnen opnemen waardoor het op een bankrekening terecht zou zijn gekomen en door partijen gezamenlijk was uitgegeven of gespaard. Het verschil tussen het ondernemingsvermogen van € 235.880,= op 31 december 2024 en het ondernemingsvermogen begin 2018 van € 94.554,= is gezamenlijk vermogen en dient bij helfte te worden gedeeld.
- Een lening bij haar ouders, aangegaan op 27 december 2013 voor € 75.000,=, stand per datum huwelijk onbekend;
- Een lening bij haar ouders, aangegaan op 20 januari 2018 voor € 50.000,=, stand per datum huwelijk onbekend;
- Een lening bij haar ouders, aangegaan op 11 februari 2018 voor € 75.000,=, stand per datum huwelijk € 75.000,=;
- Een lening bij ABN AMRO met [rekeningnummer 7] , welke lening bij aanvang € 25.000,= bedroeg, in december 2017 € 24.531,04 bedroeg en waarvan de stand per datum huwelijk onbekend is.
- opstalverzekering, zijnde € 108,33 per maand;
- gemeentelijke belastingen die voor het eigenaarsdeel bestaan uit: OZB € 1.148,46; Rioolheffing € 230,=; Watersysteemheffing € 82,24; Watersysteemheffing gebouwd € 266,26, totaal € 1.726,96 per jaar/ € 143,91 per maand.
5.De beslissing
- de vrouw komt toe een bedrag van € 21.123,47, een bedrag van 7.000/631.700 x de verkoopprijs en een bedrag van 120.000/583.000 x de verkoopprijs,
- de man komt toe een bedrag van 10.000/631.700 x de verkoopprijs, alsmede een bedrag van 83.700/631.700 x de verkoopprijs,
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.