ECLI:NL:RBZWB:2026:3217

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/435495 / HA ZA 25-295 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Graaf
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1955 Roemeens Burgerlijk WetboekArt. 2064 Roemeens Burgerlijk WetboekVerordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I Herschikking)Art. 4 Brussel I VerordeningArt. 7 Brussel I Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens expeditie-overeenkomst onder Roemeens recht

In deze civiele zaak vordert [B.V.] schadevergoeding wegens diefstal van lading tijdens transport. Gedaagde Santera betwist de Nederlandse rechterlijke bevoegdheid op grond van het CMR-verdrag. De rechtbank heeft in een tussenvonnis geoordeeld dat de kwalificatie van de overeenkomst als vervoers- of expeditie-overeenkomst volgens Roemeens recht bepalend is voor de bevoegdheid.

Partijen overleggen elk een legal opinion van Roemeense advocaten. De rechtbank concludeert op basis van de omstandigheden en jurisprudentie dat het contract een expeditie-overeenkomst betreft, waarbij Santera als expediteur optreedt en een derde partij inschakelt voor het vervoer. Dit betekent dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid ontleent aan het CMR-verdrag.

Vervolgens toetst de rechtbank de bevoegdheid aan de Brussel I Verordening en oordeelt dat de Nederlandse rechter ook op die grond niet bevoegd is, omdat Santera in Roemenië is gevestigd en de dienst daar is uitgevoerd. Er is geen geldig forumkeuzebeding. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en veroordeelt [B.V.] tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens kwalificatie van de overeenkomst als expeditie-overeenkomst en veroordeelt [B.V.] tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/435495 / HA ZA 25-295
Vonnis in incident van 15 april 2026
in de zaak van
[B.V.] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [B.V.] ,
advocaat: mr. K.H.L. van Waasbergen,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
SC SANTERA TRANS SOLUTIONS SRL,
te Bucuresti (Roemenië),
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Santera,
advocaat: mr. E.A.M. Heijdra.

1.De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om een schadevordering als gevolg van lading die gestolen is tijdens een transport. Santera heeft aangevoerd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om deze zaak te behandelen. Daar gaat dit vonnis over. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 3 december 2025 geoordeeld dat de vraag of de rechtbank op basis van het CMR verdrag bevoegd is, afhangt van de vraag of de overeenkomst tussen partijen naar Roemeens recht moet worden uitgelegd als een vervoersovereenkomst of een expeditie-overeenkomst. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat naar Roemeens recht sprake is van een expeditie-overeenkomst en dat rechtbank daarom niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in incident van 3 december 2025 en de daarin genoemde stukken
  • de akte uitlaten in het bevoegdheidsincident met producties van [B.V.]
  • de akte uitlaten in het bevoegdheidsincident met producties van Santera
  • Het B-formulier van 21 januari 2026 waarin de advocaat van [B.V.] namens beide partijen vraagt om in de gelegenheid te worden gesteld op elkaars aktes te reageren
  • de antwoordakte na tussenvonnis in het bevoegdheidsincident met producties van [B.V.]
  • de antwoordakte na tussenvonnis in het bevoegdheidsincident met producties van Santera.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

3.De verdere beoordeling

In het bevoegheidsincident
3.1.
In het tussenvonnis van 3 december 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de beoordeling of zij bevoegd is op grond van het CMR-verdrag van belang is of de overeenkomst tussen partijen als vervoersovereenkomst of als expeditie-overeenkomst moet worden gekwalificeerd en dat die kwalificatie moet plaatsvinden naar Roemeens recht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.
3.2.
[B.V.] stelt dat naar Roemeens recht sprake is van een vervoersovereenkomst. Ter onderbouwing daarvan legt zij een legal opinion van de Roemeense advocaat Horea Gorde (hierna: Gorde) over. Bij deze legal opinion is een Engelse vertaling overgelegd van de relevante bepalingen in het Roemeense Burgerlijk Wetboek die betrekking hebben op de vervoersovereenkomst en de expeditie-overeenkomst. [B.V.] heeft daarnaast een DeepL-vertaling van de jurisprudentie waarnaar Gorde in zijn legal opinion verwijst overgelegd.
3.3.
Santera stelt dat naar Roemeens recht sprake is van een expeditie-overeenkomst. Zij legt een legal opinion van de Roemeense advocaat [naam] over.
Vervoersovereenkomst of expeditie-overeenkomst?
3.4.
De rechtbank overweegt dat volgens artikel 1955 van Pro het Roemeens Burgerlijk Wetboek sprake is van een vervoersovereenkomst als een partij, de vervoerder, zich ertoe verbindt om, als opdrachtnemer, een persoon of een goed van de ene plaats naar de andere te vervoeren, in ruil voor een vergoeding die de passagier, de afzender of de geadresseerde zich verplicht te betalen op de overeengekomen tijd en plaats.
Volgens artikel 2064 van Pro het Roemeens Burgerlijk Wetboek is een expeditie-overeenkomst een vorm van een overeenkomst van opdracht waarbij de expediteur zich ertoe verbindt om, in eigen naam en voor rekening van de opdrachtgever, een vervoersovereenkomst te sluiten en de bijkomende werkzaamheden te verrichten.
3.5.
Uit beide legal opinions volgt dat de aard van het contract geduid moet worden aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit een door Horea Gorde geciteerde uitspraak van the High Court of Cassation and Jusitice of Romania (no. 1194/17.09.2025) volgt dat het gaat om de bedoeling van partijen zoals die te goeder trouw tot uiting is gekomen tijdens het sluiten van de overeenkomst. De rechtbank zal hierna beoordelen hoe de bedoeling van partijen blijkt uit de relevante omstandigheden.
3.6.
De rechtbank stelt voorop dat zij de door Santera aangevoerde omstandigheden dat zij alleen voor expeditiewerkzaamheden in Roemenië een licentie heeft en dat zij de goederen niet fysiek in ontvangst genomen heeft niet relevant acht voor de beslissing. Zij overweegt daartoe dat Santera onvoldoende heeft toegelicht hoe deze publiekrechtelijke regelgeving doorwerkt in de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen Santera en [B.V.] . Ook in de legal opinion van [naam] wordt dat niet (onderbouwd) toegelicht.
Ten aanzien van het standpunt van Santera dat alleen sprake kan zijn van een vervoersovereenkomst als zij daadwerkelijk de goederen in ontvangst heeft genomen overweegt de rechtbank dat dit standpunt tot gevolg heeft dat ‘papieren vervoer’ naar Roemeens recht niet bestaat. Dit standpunt wordt niet wordt onderbouwd met jurisprudentie terwijl uit de door [B.V.] overgelegde jurisprudentie het tegendeel blijkt.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat in het licht van de relevante omstandigheden de overeenkomst tussen partijen gekwalificeerd moet worden als een expeditie-overeenkomst. De rechtbank licht dit als volgt toe. Santera heeft bij het aangaan van de handelsrelatie met [B.V.] gewezen op haar Timocom-profiel waarop staat dat zij ‘
freight forwarder’is. Ook ondertekent zij haar e-mailcorrespondentie met een e-mailhandtekening waarin staat dat Santera ‘
freight forwarding services’ biedt. Daarnaast blijkt uit de overgelegde chatcorrespondentie duidelijk dat Santera voor het transport een derde partij als vervoerder zoekt om de lading van [B.V.] te vervoeren. Deze omstandigheden brengen met zich dat het voor [B.V.] duidelijk moet zijn geweest dat Santera haar diensten aanbood en uitvoerde als expediteur. De enkele omstandigheid dat op een door [B.V.] opgestelde transportorder een all-in prijs staat vermeld en dat daarin staat “
Forwarding to third parties and/of sister companies is definitely not allowed’, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat partijen een vervoersovereenkomst hebben gesloten. Uit voornoemde chatcorrespondentie blijkt immers dat [B.V.] wist dat Santera een derde partij inschakelde.
Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht?
3.8.
Uit het voorgaande volgt dat de overeenkomst tussen partijen niet als vervoersovereenkomst gekwalificeerd kan worden. De Nederlandse rechter kan als gevolg daarvan geen rechtsmacht ontlenen aan het CMR-verdrag. Of de Nederlandse rechter bevoegd is zal beoordeeld moeten worden aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012, hierna: Brussel I Herschikking. Of, zoals [B.V.] stelt, naar Roemeens recht ook bij een expeditie-overeenkomst de plaats van inlading jurisdictie schept, is daarom niet relevant.
3.9.
Op grond van Brussel I Herschikking is de Nederlandse rechter niet bevoegd om van dit geschil kennis te nemen. Aangezien Santera in Roemenië is gevestigd, kan zij volgens de hoofdregel van artikel 4 Brussel Pro I Herschikking in beginsel alleen voor de Roemeense rechter worden opgeroepen. De Nederlandse rechter kan aan artikel 7 Brussel Pro I Herschikking geen bijzondere bevoegdheid ontlenen. Op grond van dat artikel kan een procespartij alleen in een andere lidstaat worden opgeroepen als de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, daar is of moet worden uitgevoerd. De werkzaamheden van een expediteur zijn diensten in de zin van lid 1 sub b, tweede gedachtestreepje, van artikel 7 Brussel Pro I Herschikking. Voor diensten geldt dat de plaats van uitvoering van de verbintenis de plaats in een lidstaat is waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of hadden moeten worden. [B.V.] heeft niet weersproken dat Santerra de dienst vanuit Roemenië heeft uitgevoerd. Dit betekent dat de Santerra niet op grond van artikel 7 Brussel Pro I Herschikking voor de Nederlandse rechter kon worden opgeroepen.
3.10.
In het tussenvonnis van 3 december 2025 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat [B.V.] geen beroep toekomt op het forumkeuzebeding in haar algemene voorwaarden. Er zijn ook geen andere bepalingen waaraan de Nederlandse rechter rechtsmacht kan ontlenen.
3.11.
De conclusie is dat de rechtbank niet bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen. De vordering in het incident zal worden toegewezen.
Proceskosten
3.12.
[B.V.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in het incident (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Santera worden begroot op:
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.495,00.
In het vrijwaringsincident
3.13.
Met de onbevoegd verklaring komt ook een einde aan de procedure in het vrijwaringsincident. Santera heeft de hierdoor gemaakte kosten nodeloos veroorzaakt zodat zij gehouden is deze te betalen. Omdat [B.V.] zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechter worden de proceskosten echter begroot op nihil.
In de hoofdzaak
3.14.
Met de onbevoegd verklaring komt een einde aan de procedure in de hoofdzaak.
3.15.
[B.V.] heeft nodeloos kosten veroorzaakt door de hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken en moet daarom de proceskosten van de hoofdzaak betalen. De proceskosten van Santera worden begroot op:
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
3.720,00
(1 punt × € 3.720,00)
Totaal
6.803,00.

4.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak, het bevoegdheids- en vrijwaringsincident
4.1.
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak en in het vrijwaringsincident kennis te nemen,
4.2.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten in het incident van € 1.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [B.V.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten in de hoofdzaak van € 6.803,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.4.
verklaart dit vonnis, wat betreft het bepaalde onder 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Graaf en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.