Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3225

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/3018
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting en aanmaningskosten

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en de daarbij in rekening gebrachte aanmaningskosten. De aanslag betrof parkeren op 31 oktober 2024 en diende uiterlijk 12 december 2024 betaald te zijn. Na het niet tijdig betalen volgden een aanmaning en een dwangbevel. Belanghebbende betaalde op 7 januari 2025 een bedrag inclusief aanmaningskosten, maar maakte bezwaar tegen deze kosten.

De rechtbank heeft op 31 maart 2026 het beroep behandeld en beoordeelt of de naheffingsaanslag op juiste wijze is opgelegd en verzonden. De invorderingsambtenaar heeft met onder meer verzendadministraties en verklaringen van betrokken partijen aannemelijk gemaakt dat de aanslag op 7 november 2024 is verzonden via een keten van Invoned, Addcomm en PostNL.

Belanghebbende stelde dat de aanslag niet ontvangen was, maar dit was onvoldoende om de aannemelijkheid van verzending te weerleggen. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en dat de aanmaningskosten terecht zijn berekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting en aanmaningskosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3018
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda, de invorderingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 3 juni 2025.
1.1.
De invorderingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De invorderingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde en namens de invorderingsambtenaar: [gemachtigde 2] .

Feiten

2. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (gedateerd 11 november 2024) voor het op 31 oktober 2024 parkeren in de [straatnaam] met de auto met kenteken [kenteken] . Deze diende uiterlijk op 12 december 2024 te worden betaald.
2.1.
Op 17 december 2024 heeft Invoned (namens de invorderingsambtenaar) een wettelijke aanmaning tot betaling aan belanghebbende verzonden.
2.2.
Op 6 januari 2025 heeft Invoned een dwangbevel aan belanghebbende verzonden.
2.3.
Op 7 januari 2025 heeft belanghebbende € 72,15 betaald (inclusief € 9 aanmaningskosten)
2.4.
Belanghebbende heeft op 23 januari 2025 bezwaar gemaakt tegen de aanmaningskosten.
2.5.
Op 3 juni 2025 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden en vervolgens is het bezwaar ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag op de juiste wijze is opgelegd en de invorderingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag is verzonden. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
4. De rechtbank is van dat de invorderingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag is verzonden en daarmee op de juiste wijze is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

5. Belanghebbende betwist de ontvangst en daarmee de verzending van de naheffingsaanslag en stelt zich op het standpunt dat de aanmaningskosten daarom ten onrechte in rekening zijn gebracht.
5.1.
Indien de verzending van een aanslagbiljet wordt betwist, ligt het op de weg van de invorderingsambtenaar om de verzending daarvan aannemelijk te maken. De invorderingsambtenaar kan daartoe onder meer gebruikmaken van een verzendadministratie.
5.2.
De invorderingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de verzending verwezen naar een e-mail van 20 mei 2025 en de daarbij behorende bijlagen die in de bezwaarfase aan belanghebbende zijn verzonden, met name de bijlagen 7, 8 en 11. Uit bijlage 7, een interne uitdraai op dossierniveau van Invoned, volgt dat de naheffingsaanslag op 7 november 2024 is verzonden vanuit de workflow van Invoned. Dit wordt ondersteund door bijlage 8 waaruit blijkt dat de betreffende brief (met [kenmerknummer] ) onderdeel uitmaakt van een batch die op 7 november 2024 door Invoned is verzonden aan Addcomm. Uit bijlage 11, de verzendadministratie van Addcomm voor de post in de periode vanaf 1 tot en met 29 november 2024, volgt dat Addcomm op dezelfde dag een batch van exact dezelfde omvang (1.791 documenten) heeft aangeboden aan PostNL. Deze gang van zaken wordt bovendien bevestigd door een schriftelijke verklaring van Addcomm van 23 augustus 2025 (productie 1 bij het verweerschrift in de onderhavige beroepsprocedure), waarin staat dat de betreffende batch door Addcomm is ontvangen op 7 november 2024 en dezelfde dag is geprint, gecouverteerd en aangeboden aan PostNL.
5.3.
Gelet op deze stukken acht de rechtbank aannemelijk dat het aanslagbiljet op 7 november 2024 door Invoned, via Addcomm, is aangeboden aan het postvervoersbedrijf PostNL. De invorderingsambtenaar heeft daarmee de verzending aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat belanghebbende het aanslagbiljet niet heeft ontvangen, is onvoldoende om dit oordeel te weerleggen.
5.4.
Vaststaat dat de naheffingsaanslag niet tijdig is betaald. De aanmaning is derhalve terecht verzonden en de aanmaningskosten zijn terecht in rekening gebracht.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.