Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3226

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
24/5890
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting en aanmaningskosten

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg. De naheffingsaanslag betrof een niet tijdige betaling van parkeerbelasting voor een voertuig. Na het niet voldoen van de aanslag binnen de gestelde termijn, werd een aanmaning met aanmaningskosten verzonden.

De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 behandeld en beoordeelt of de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd en of de aanmaningskosten terecht zijn opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de invorderingsambtenaar onvoldoende is ingegaan op het betoog van belanghebbende dat de betaling reeds was verricht, maar passeert dit gebrek omdat de belangen van belanghebbende niet zijn geschaad.

De rechtbank stelt vast dat de aanmaningskosten terecht zijn opgelegd omdat de betaling niet tijdig was voldaan en belanghebbende onvoldoende heeft gecontroleerd of de betaling daadwerkelijk was geslaagd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een vergoeding van het griffierecht omdat de motivering van de uitspraak op bezwaar tekortschiet.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard, maar het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5890
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

De invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de invorderingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 26 juli 2024.
1.1.
De invorderingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De invorderingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de invorderingsambtenaar, [gemachtigde] .

Feiten

2. Op 14 januari 2024 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd voor de auto met kenteken [kenteken] . Deze diende betaald te worden voor 5 februari 2024.
2.1.
Op 15 februari 2024 is een aanmaning verstuurd aan belanghebbende vanwege het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag, met een betalingstermijn tot 1 maart 2024. Het te betalen bedrag is daarbij verhoogd met € 9 aan aanmaningskosten.
2.2.
Op 27 februari 2024 heeft belanghebbende een bedrag van € 71,38 (gelijk aan de hoofdsom van € 62,38 en € 9 aanmaningskosten) voldaan.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de invorderingsambtenaar de uitspraak op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd en of de aanmaningskosten terecht zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
4. De rechtbank is van oordeel dat de aanmaningskosten terecht zijn opgelegd, maar dat de invorderingsambtenaar de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd en ziet hierin aanleiding om te bepalen dat de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende dient te vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Motivering door de invorderingsambtenaar
5. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak op bezwaar (hierna: UOB) onvoldoende is ingegaan op de door belanghebbende aangevoerde gronden, in het bijzonder het betoog dat de betaling reeds was verricht en dat daarvan een printscreen is overgelegd. In de UOB is volstaan met een algemene constatering dat niet tijdig is betaald, zonder specifiek in te gaan op de concrete omstandigheden en argumenten van belanghebbende. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de invorderingsambtenaar de UOB onvoldoende heeft gemotiveerd.
5.1.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te passeren, aangezien aannemelijk is dat belanghebbende hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. De invorderingsambtenaar heeft namelijk in het verweerschrift en ter zitting alsnog toereikend gemotiveerd waarom de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht, zoals volgt uit het hierna volgende.
Aanmaningskosten
5.2.
Vaststaat dat de naheffingsaanslag niet tijdig is betaald en dat vervolgens een aanmaning is verzonden. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij direct na ontvangst van de naheffingsaanslag heeft geprobeerd om deze via zijn telefoon te betalen. Op dat moment ontving hij een melding dat de betaling ‘in behandeling’ was, zodat hij er vanuit ging dat hij aan zijn verplichting had voldaan. Hij heeft daar toen een printscreen van gemaakt, waarvan hij een afschrift heeft overgelegd.
5.3.
De rechtbank overweegt dat een dergelijke melding niet zonder meer betekent dat de betaling daadwerkelijk is geslaagd. Het had – zoals in beroep door de heffingsambtenaar naar voren is gebracht – op de weg van belanghebbende gelegen om, na de ontvangst van een dergelijke melding, te controleren of de betaling daadwerkelijk was voltooid, bijvoorbeeld door verificatie van de afschrijving op zijn bankrekening. Dat belanghebbende hiervan heeft afgezien en pas na ontvangst van de aanmaning tot betaling is overgegaan, komt voor zijn eigen rekening en risico. De verantwoordelijkheid voor tijdige en juiste betaling rust immers op belanghebbende.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de aanmaning terecht verzonden en zijn de aanmaningskosten terecht in rekening gebracht.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt wel een vergoeding van zijn griffierecht. Er is niet gebleken dat er andere kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.