Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3240

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
25/4924
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.S.S. Obispo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PwArt. 15 PwArt. 35 PwArt. 7:11 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens onvoorzienbaarheid

Eiser diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet vanwege kosten van een noodzakelijke verhuizing. Het college wees de aanvraag af omdat het van oordeel was dat de verhuizing voorzienbaar was en eiser had kunnen reserveren. Eiser maakte bezwaar en stelde dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat hij niet had kunnen sparen voor de verhuiskosten.

De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de omstandigheden van de verhuizing en onvoldoende had gemotiveerd waarom de kosten voorzienbaar zouden zijn geweest. Uit overgelegde stukken en verklaringen bleek dat de verhuizing plotseling en acuut was, waardoor eiser niet kon reserveren. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De rechtbank benadrukte dat de verhuiskosten onder bijzondere omstandigheden vallen en dat eiser recht heeft op bijzondere bijstand omdat hij niet beschikte over de middelen om deze kosten te dekken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over de bijzondere bijstand voor verhuiskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4924

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[bewindvoerder] B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder van de heer [eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R. de Kok),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand, op grond van de Participatiewet (hierna: Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van dan de aanvraag onterecht is geweest. In tegenstelling tot hetgeen het college heeft besloten, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van een noodzakelijke verhuizing. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 22 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van eiser, is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Aan de zijde van eiser hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mevrouw [persoon] , de begeleider van eiser. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 27 januari 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Daarin staat dat hij plotseling moest verhuizen en daardoor niet heeft kunnen sparen voor een inboedel. Gevraagd werd om een bedrag van € 2.880,00. Deze aanvraag is op 22 april 2025 afgewezen, omdat eiser de inlichtingenplicht uit artikel 17 van Pro de Pw zou hebben geschonden. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.
3.1.
Op 14 augustus 2025 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Het college heeft hierbij artikel 35 van Pro de Pw als toetsingskader gehanteerd, omdat geen sprake is van een passende voorziening zoals neergelegd in artikel 15 van Pro de Pw. Het college concludeert hierbij dat de verhuizing voorzienbaar is geweest. Eiser had in redelijkheid kunnen verwachten dat hij moest verhuizen. Het ontbreken van voldoende reserveringsruimte kan volgens vaste rechtspraak niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. Daarbij is niet gebleken van omstandigheden die maken dat er een acute noodzakelijke reden was voor de verhuizing.
Is er sprake van een onzorgvuldig genomen besluit?
4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Nu een weigering op grond van artikel 35 van Pro de Pw niet eerder aan de orde is geweest, is eiser over dit onderwerp ook niet gehoord. Tijdens de hoorzitting is eiser enkel gevraagd naar de gezamenlijke huishouding. Niet is gevraagd naar de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van artikel 35 van Pro de Pw.
4.1.
Zoals vastgesteld in artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient in bezwaar een volledige heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. In dit geval is daarbij een ander toetsingskader toegepast dan bij het primaire besluit. Bij de totstandkoming van het primaire besluit heeft geen inhoudelijke toetsing plaatsgevonden, omdat een schending van de inlichtingenplicht werd geconstateerd. Bij de heroverweging in bezwaar is het college vervolgens tot de conclusie gekomen dat eiser niet aan de voorwaarden voldoet van artikel 35 van Pro de Pw. Op zichzelf maakt dat het besluit niet onzorgvuldig, maar de wijze waarop het tot stand is gekomen is in dit geval – gelet op het hiernavolgende – wel onzorgvuldig.
4.2.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft op 10 juli 2025 een hoorzitting plaatsgevonden. Het verslag van de hoorzitting geeft geen blijk van een inhoudelijke toetsing aan artikel 35 van Pro de Pw. Niet blijkt dat is gevraagd naar de omstandigheden die hebben geleid tot de verhuizing en in hoeverre deze voorzien was. Het had op de weg van het college gelegen om gedegen onderzoek te doen alvorens over te gaan tot een afwijzing.
4.3.
Hiermee hangt samen dat het college in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat de kosten voor de verhuizing niet voorzienbaar waren voor eiser. Nu hier tijdens de hoorzitting niet naar is gevraagd, heeft het college hierin geen afweging kunnen maken.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt.
Juridisch kader artikel 35 van Pro de Pw
5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dient bij de toepassing van dit artikel eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. [1]
5.1.
Stofferingskosten worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Deze incidentele algemene kosten van het bestaan dienen in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau te worden voldaan. Ook als voor het maken van deze kosten een objectieve noodzaak bestaat kan daarvoor alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden.
Voorzienbaarheid verhuiskosten
6. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bijzondere bijstand verleend had moeten worden. De verhuizing was voorzienbaar, omdat eiser in redelijkheid had kunnen verwachten dat er een moment zou aanbreken waarop hij zou moeten verhuizen. Niet is gebleken dat er acute noodzakelijke redenen waren om te verhuizen en hiermee kosten te maken.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende heeft onderbouwd dat de verhuizing niet, althans niet dusdanig lang van tevoren, voorzienbaar was en dat hij daardoor niet in staat was om voorafgaand aan zijn verhuizing voor de inrichtingskosten te kunnen reserveren. Daarbij heeft de rechtbank de inhoud van de door eiser in beroep overgelegde stukken betrokken – te weten de laatste-kans-overeenkomst en de verklaringen van de ambulant begeleiders van eiser uit [plaats 2] en Breda – alsmede de toelichting die daarop ter zitting is gegeven. Daaruit blijkt dat eiser tot 20 januari 2025 bij zijn moeder heeft gewoond. Vanuit de ambulante begeleiding was het plan dat hij begeleid zou gaan wonen. In dat geval had eiser geen inboedel aan hoeven schaffen. Door diverse omstandigheden is een en ander in het laatste kwartaal van 2024 in een stroomversnelling gekomen. Uit de laatste-kans-overeenkomst blijkt dat het risico bestond dat het hele gezin op straat zou komen te staan als eiser niet zou vertrekken uit zijn ouderlijk huis. Eiser heeft uiteindelijk op 22 januari 2025 een eigen woning toegewezen gekregen. Er was dus wel degelijk sprake van acute redenen, waardoor eiser noodgedwongen moest verhuizen.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat het in dit geval geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze is, nu het college nog een beslissing dient te nemen over de hoogte van de vergoeding en de wijze van uitkeren.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 augustus 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 21 april 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Participatiewet
Artikel 35, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1620.