Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.Beslissing
geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van mishandeling. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J.J. Peerboom, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De verdachte, geboren in 1984 in Polen en gedetineerd, had meerdere vuistslagen uitgedeeld aan de aangever, wat resulteerde in een gebroken neus. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor zwaar lichamelijk letsel, omdat het dossier geen medische gegevens bevatte. De verdachte had een bekennende verklaring afgelegd en de rechtbank achtte de mishandeling wettig en overtuigend bewezen, maar sprak de verdachte vrij van andere tenlasteleggingen.
De officier van justitie vorderde een schuldigverklaring zonder straf of maatregel, en de verdediging heeft geen argumenten aangedragen voor een straf. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een ernstige inbreuk had gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever, maar dat er in een andere, gelijktijdig behandelde zaak al een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zou worden opgelegd. Daarom werd besloten om geen straf op te leggen voor de mishandeling. De rechtbank verklaarde het tenlastegelegde bewezen, sprak de verdachte vrij van andere beschuldigingen, en concludeerde dat de verdachte strafbaar was, maar geen straf of maatregel werd opgelegd.