ECLI:NL:RBZWB:2026:3254

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/1119 en BRE 26/1120
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:10 APV Bergen op ZoomArt. 2:11 APV Bergen op ZoomArt. 5:1 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing handhaving last onder dwangsom conifeerhaag

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom legde verzoekers een last onder dwangsom op tot verwijdering van een deel van een conifeerhaag bij hun perceel, omdat deze de bruikbaarheid van de weg zou belemmeren volgens artikel 2:10 van Pro de APV. Verzoekers stelden dat er geen sprake was van een overtreding en dat de last onevenredig en onduidelijk was. De voorzieningenrechter beoordeelde het handhavingsbesluit en de onderliggende feiten.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de conifeerhaag op of over de openbare weg stond, maar dat de duur van de situatie niet bepalend is voor de kwalificatie als weg. De rechter volgde het college niet in de stelling dat de conifeerhaag de bruikbaarheid van de weg belemmerde omdat voertuigen elkaar niet konden passeren op het deel waar de haag stond. De rechter vond deze benadering te beperkt en nam de civieltechnische beoordeling van verzoekers mee, waaruit bleek dat de huidige situatie technisch en verkeerskundig verdedigbaar is en voldoet aan landelijke richtlijnen.

De voorzieningenrechter concludeerde dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, van de APV, zodat het college niet bevoegd is handhavend op te treden. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit en de last onder dwangsom werden vernietigd, het handhavingsverzoek afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college mag niet handhavend optreden tegen de conifeerhaag omdat geen overtreding van de APV is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/1119 en 26/1120
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. D.L. Gijsen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, het college.
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
  • Gemeente Bergen op Zoom Sector RO & Buit Bergen op Zoom;
  • [naam 1]en
    [naam 2]uit [plaats] (gemachtigde: mr. N.M. Buddingh-Ubink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een last onder dwangsom op te leggen tot verwijdering van een deel van een conifeerhaag gelegen bij het perceel aan [adres 1] . Verzoekers zijn eigenaar van dat perceel en zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en een gegrondverklaring van hun beroep en voeren daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het besluit van het college.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen sprake is van een overtreding waardoor het college niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen verzoekers. Verzoekers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 6 november 2025 (bestreden besluit I) heeft het college besloten handhavend op te treden tegen verzoekers. Op 28 januari 2026 heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd (bestreden besluit II). Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vergezeld door [naam 3] (de zoon van verzoekers), de gemachtigde van verzoekers en mr. B. Wouters namens het college. De derde-partijen [naam 1] en [naam 2] en hun gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekers daartegen. Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten en omstandigheden
3. Verzoekers zijn eigenaren van het perceel op het [adres 1] .
3.1.
[naam 1] en [naam 2] wonen op het [adres 2] . Op 27 oktober 2023 hebben zij het college gevraagd handhavend op te treden omdat in de bermen langs de rijbaan van [straat] op verschillende plaatsen hagen en ander groen zijn geplant, vier paaltjes zijn aangebracht en sprake is van veel overhangend groen. Hierdoor zou volgens hen de weg niet meer goed en veilig gebruikt kunnen worden. Dit is strijdig met artikel 2:10 en Pro 2:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente [plaats] (hierna: de APV). Ter onderbouwing van het handhavingsverzoek zijn foto’s aangeleverd, waarop onder meer een aangeplante conifeerhaag, overhangend groen en paaltjes ter hoogte van het perceel [adres 1] te zien zijn.
3.2.
Het college heeft met het besluit van 26 november 2024 het handhavingsverzoek afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de eerder geconstateerde overtreding bij het perceel [adres 1] , bestaande uit het plaatsen van paaltjes, door verzoekers is beëindigd. Uit een controlerapportage van toezichthouders blijkt verder dat het ter plaatste overhangend groen deels over de berm hangt, maar geen belemmering van de bruikbaarheid van de weg vormt.
3.3.
Naar aanleiding van het door [naam 1] en [naam 2] gemaakte bezwaar, heeft het college met het bestreden besluit van 6 november 2025 het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 26 november 2024 herroepen, voor zover daarbij het handhavingsverzoek met betrekking tot de conifeerhaag was afgewezen. Het college heeft besloten daarvoor alsnog handhavend op te treden.
3.4.
Het college heeft aan zowel verzoekers als de gemeente Bergen op Zoom het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen, omdat is geconstateerd dat de conifeerhaag het gebruik van de weg belemmert. Aan deze voornemens heeft het college ten grondslag gelegd dat uit een uitgevoerde landmeting blijkt dat een deel van de conifeerhaag, te weten 2,94 meter, is gelegen op het perceel van verzoekers en het overige deel, te weten 7,99 meter, is gelegen op gemeentegrond. In deze voornemens is – kort samengevat – de last opgenomen dat de aangeschreven overtreders ieder hun deel van de conifeerhaag dienen te verwijderen, dan wel te snoeien tot aan de perceelsgrens.
3.5.
Verzoekers hebben een zienswijze ingediend. Zij hebben daarin onder meer aangevoerd dat de eigendomssituatie van de grond waarop de conifeerhaag zich bevindt niet vaststaat en dat mogelijk sprake is van verkrijgende verjaring, zodat (een groter deel van) de conifeerhaag tot hun perceel behoort.
3.6.
Op 28 januari 2026 heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd. Dit betreft een completering van het bestreden besluit van 6 november 2025, waarbij het college het handhavingsverzoek alsnog heeft toegewezen. De door verzoekers ingediende zienswijze heeft het college aanleiding gegeven alleen handhavend op te treden tegen verzoekers. Hieraan legt het college een controlerapportage van toezichthouders van 22 januari 2026 ten grondslag. Daaruit volgt volgens het college dat de conifeerhaag tot ongeveer 25 centimeter van de klinkerverharding reikt. Hierdoor is de berm niet volledig bruikbaar voor verkeersdeelnemers waardoor sprake is van een overtreding.
3.7.
Aan verzoekers is gelast de conifeerhaag bij hun woning te verwijderen dan wel terug te snoeien tot de perceelsgrens zodat de wegberm weer volledig bruikbaar is. Het deel van de conifeerhaag met de stam op het kadastraal perceel van de gemeente Bergen op Zoom dient volledig te worden verwijderd. Voor wat betreft het deel van de conifeerhaag met de stam op het perceel van verzoekers kan in plaats van verwijdering ook worden volstaan met terugsnoeien tot de perceelsgrens. In dat geval dient na het terugsnoeien er zorg voor gedragen te worden dat de conifeerhaag niet opnieuw over de perceelsgrens heen groeit. De hoogte van de dwangsom is gesteld op € 1.250,- ineens.
3.8.
Op 12 maart 2026 heeft de derde-partij Gemeente Bergen op Zoom een beroep van verzoekers op verkrijgende verjaring van de grond ter plaatse van de gehele conifeerhaag, erkend.
Wat voeren verzoekers aan?
4. Verzoekers voeren aan dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, van de APV. Daarnaast vinden zij verwijdering van de conifeerhaag onevenredig. Ook is volgens verzoekers de last onduidelijk geformuleerd. Tot slot beroepen zij zich op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Wat is het toetsingskader?
5. De voorzieningenrechter overweegt dat het college pas bevoegd is om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding. Op grond van artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt onder een overtreding verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
5.1.
In artikel 2:10, eerste lid, van de APV staat – samengevat – dat het verboden is op of aan de weg of een weggedeelte voorwerpen te plaatsen, als die voorwerpen de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren.
5.2.
De (overige) wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is er sprake van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, van de APV?
6. Verzoekers stellen dat geen sprake is van een belemmering van de bruikbaarheid van de weg, waardoor het college niet bevoegd is om handhavend op te treden. Allereerst dient volgens verzoekers voor de reikwijdte van de berm bij de [adres 1] te worden uitgegaan van de feitelijke situatie. In dit kader betogen zij dat de conifeerhaag inmiddels al meer dan 30 jaar ter plaatse aanwezig is. Het deel van de berm waar al zolang de conifeerhaag op staat en/of overheen hangt, kan volgens hen daarom niet (langer) als berm worden aangemerkt.
6.1.
Verder voeren verzoekers aan dat de APV geen nadere omschrijving bevat van het begrip ‘bruikbaarheid van de weg’, zoals bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, van de APV. Verzoekers hebben onder andere een civieltechnische beoordeling van het huidige wegbeeld van de [straat] door Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs B.V. laten uitvoeren. Uit het hiervan opgestelde rapport volgen volgens verzoekers objectieve aanwijzingen ter invulling van het begrip ‘bruikbaarheid van de weg’. In het rapport is opgenomen dat binnen het proces van ontwerpen van een weg in de openbare ruimte rekening wordt gehouden met de impact op de omgeving en de beschikbare ruimte, en de richtlijnen die van toepassing zijn conform veiligheid, gebruiksvriendelijkheid en onderhoud. Daarbij is geconstateerd dat de huidige inrichting van het straatbeeld van de [straat] technisch en verkeerskundig verdedigbaar is en voldoet aan de relevante landelijke ontwerprichtlijnen. Er zouden geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de situatie onaanvaardbaar of onveilig is. Verzoekers wijzen er bovendien op dat de rijbaan van de [straat] simpelweg te smal is voor passerend verkeer. Het snoeien van de conifeerhaag zou dit volgens hen niet anders maken.
6.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat de conifeerhaag de bruikbaarheid van de weg, zoals bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, van de APV, belemmert. Het is niet mogelijk voor voertuigen om elkaar te passeren wanneer alleen de verharde rijbaan zou kunnen worden gebruikt. De klinkerbestrating is namelijk drie meter breed en de conifeerhaag is uitgegroeid tot 25 centimeter van de klinkerbestrating. Voor de gemiddelde breedte van een auto kan in alle redelijkheid worden uitgegaan van minimaal twee meter. Volgens het college vervullen de bermen aan beide zijdes van de verharding een belangrijke functie. Wanneer de berm vrij wordt gemaakt is er een gunstigere situatie voor de rijbaan van de [straat] . Tijdens de zitting heeft het college verder toegelicht dat het voor de bruikbaarheid van de weg niet vereist is dat voertuigen elkaar over de gehele lengte van de weg ongehinderd kunnen passeren. Het is aanvaardbaar dat zich plaatselijk obstakels zoals een lantaarnpaal voordoen. Wel dient het aantal en de omvang van dit soort belemmeringen zoveel mogelijk beperkt te blijven. Met een conifeerhaag van 11 meter lang is volgens het college sprake van een aanzienlijke belemmering over een groot deel van de weg.
6.3.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat partijen het erover eens zijn dat de conifeerhaag staat op, dan wel overhangt boven, een deel van de openbare weg met de bestemming ‘Verkeer & Verblijf”. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de duur van deze situatie niet bepalend voor de vraag of dit deel als ‘weg’ moet worden aangemerkt in de zin van artikel 2:10, eerste lid, van de APV. Gelet op wat hierna wordt overwogen, laat de voorzieningenrechter het voor het overige in het midden of het deel waarop of waarboven de conifeerhaag staat of overhangt nog deel uitmaakt van de tot de weg behorende berm.
6.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 2:10 van Pro de APV een open norm bevat ten aanzien van het begrip ‘belemmering van de bruikbaarheid van de weg’. De voorzieningenrechter volgt het college niet in de kennelijke stelling dat daarvan al sprake is zodra op enig deel van de [straat] , namelijk het deel van de weg waar de conifeerhaag staat, twee auto’s elkaar niet kunnen passeren. Dat is een te beperkte benadering van het begrip belemmering, die ook geen recht doet aan de strekking van de bepaling. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat in de praktijk vaker situaties voorkomen waarin de doorgang plaatselijk wordt beperkt, bijvoorbeeld door lantaarnpalen. Het college heeft tijdens de zitting ook aangegeven dat dit soort obstakels niet zonder meer betekenen dat de bruikbaarheid van de weg wordt belemmerd. Daarentegen hebben verzoekers stukken overgelegd waarin aan de hand van objectieve maatstaven, zoals de weginrichting en de verkeersveiligheid, wordt toegelicht wanneer sprake is van een daadwerkelijke belemmering van het gebruik van de weg. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ondersteunen deze stukken het door verzoekers ingenomen standpunt dat van een zodanige belemmering in dit geval geen sprake is. Gelet op de beschikbare stukken en wat is besproken tijdens de zitting, ziet de voorzieningenrechter geen aanwijzingen dat het college alsnog een toereikende motivering zal geven. De voorzieningenrechter voorziet daarom zelf in de zaak door vast te stellen dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, van de APV. Alleen al om die reden is het college niet bevoegd om handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat verzoekers gelijk krijgen. De overige beroepsgronden behoeven geen nadere bespreking. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist tot handhavend optreden over te gaan. De voorzieningenrechter vernietigt hiermee ook de aan verzoekers opgelegde last onder dwangsom.
7.1.
De voorzieningenrechter neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat het handhavingsverzoek wordt afgewezen. Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (tweemaal € 200,-) aan verzoekers vergoeden en krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van verzoekers een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit I van 6 november 2025 voor zover daarin is beslist dat handhavend wordt opgetreden;
- vernietigt het bestreden besluit II van 28 januari 2026 waarin een last onder dwangsom is opgelegd;
- wijst het handhavingsverzoek af en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 400,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 21 april 2026, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Bergen op Zoom (APV)
Artikel 1:1
In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
weg: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet.
Artikel 2:10
1. Het is verboden op of aan de weg of een weggedeelte voorwerpen te plaatsen en/of de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik of die voorwerpen:
schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
[…]
Wegenverkeerswet 1994 (Wvw)
Artikel 1
in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder:
[…]
wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
[…]