Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
- Gemeente Bergen op Zoom Sector RO & Buit Bergen op Zoom;
- [naam 1]en
[naam 2]uit [plaats] (gemachtigde: mr. N.M. Buddingh-Ubink).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom legde verzoekers een last onder dwangsom op tot verwijdering van een deel van een conifeerhaag bij hun perceel, omdat deze de bruikbaarheid van de weg zou belemmeren volgens artikel 2:10 van Pro de APV. Verzoekers stelden dat er geen sprake was van een overtreding en dat de last onevenredig en onduidelijk was. De voorzieningenrechter beoordeelde het handhavingsbesluit en de onderliggende feiten.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de conifeerhaag op of over de openbare weg stond, maar dat de duur van de situatie niet bepalend is voor de kwalificatie als weg. De rechter volgde het college niet in de stelling dat de conifeerhaag de bruikbaarheid van de weg belemmerde omdat voertuigen elkaar niet konden passeren op het deel waar de haag stond. De rechter vond deze benadering te beperkt en nam de civieltechnische beoordeling van verzoekers mee, waaruit bleek dat de huidige situatie technisch en verkeerskundig verdedigbaar is en voldoet aan landelijke richtlijnen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2:10, eerste lid, van de APV, zodat het college niet bevoegd is handhavend op te treden. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit en de last onder dwangsom werden vernietigd, het handhavingsverzoek afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college mag niet handhavend optreden tegen de conifeerhaag omdat geen overtreding van de APV is vastgesteld.