ECLI:NL:RBZWB:2026:326

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11452914 \ CV EXPL 24-4301
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Spronssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever veroordeeld tot betaling achterstallig loon en vakantievergoeding na ziekte en beëindiging arbeidsovereenkomst

De werknemer was werkzaam als kok en werd vanaf april 2023 ziek gemeld. Vanaf mei 2024 stopte de werkgever met het betalen van loon, terwijl de werknemer volgens de cao recht had op 75% loon in het tweede ziektejaar. De arbeidsovereenkomst eindigde op 1 september 2024, zonder dat de werkgever een eindafrekening maakte.

De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon over mei tot en met augustus 2024, wettelijke verhoging, vakantietoeslag, vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren en incassokosten. De werkgever stelde dat de loonstop gerechtvaardigd was vanwege weigering van passend werk en het verzoek tot een vaststellingsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelde dat de loonstop niet rechtsgeldig was omdat de aangeboden werkzaamheden niet passend waren en de werkgever te laat handelde. De werknemer had recht op 75% loon over de betreffende maanden, vakantietoeslag en een vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren, waarbij rekening werd gehouden met opgenomen vakantie en vervallen wettelijke vakantie-uren.

De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon, wettelijke verhoging, vakantietoeslag, vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren, incassokosten en wettelijke rente. De vordering voor niet-genoten vakantie-uren werd gedeeltelijk afgewezen vanwege genoten vakantie en vervallen uren. De proceskosten werden aan de zijde van de werknemer vastgesteld en aan de werkgever opgelegd.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantietoeslag, vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren, incassokosten en wettelijke rente aan werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11452914 \ CV EXPL 24-4301
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. W.R. Aerts,
tegen
[gedaagde partij] , H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 maart 2025;
- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Hoewel [gedaagde partij] daarvoor is uitgenodigd, is hij niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] was tot 1 september 2024 werkzaam bij [gedaagde partij] in de functie van kok. Zijn loon bedroeg op het laatst € 2.471,24 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst was de cao [de cao] (hierna: de cao) van toepassing verklaard.
2.2.
Vanaf 22 april 2023 heeft [eisende partij] door ziekte geen werkzaamheden meer verricht voor [gedaagde partij] .
2.3.
[gedaagde partij] heeft over de maanden mei t/m augustus 2024 geen loon meer aan [eisende partij] betaald. Evenmin heeft [gedaagde partij] na het einde van de arbeidsovereenkomst een eindafrekening opgemaakt.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van:
het loon over de maanden mei, juni, juli en augustus 2024 van € 7.413,72 bruto;
de wettelijke verhoging over het onder a genoemde bedrag van € 3.706,86 bruto;
de vakantietoeslag van 8% over de periode van 1 juni 2023 tot 1 september 2024 van € 2.898,53 bruto;
een vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen over de periode van april 2023 tot 1 september 2024 van € 2.975,19 bruto;
de vakantietoeslag van 8% over de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen van € 238,02 bruto;
de wettelijke rente over de onder a t/m e genoemde bedragen vanaf 5 november 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.140,96;
de kosten van deze procedure.
3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] verplicht is tijdens ziekte het loon gedeeltelijk door te betalen. Op grond van de cao gaat het de eerste 52 weken van ziekte om 95% van het loon en daarna om 75%. Over de maanden mei t/m augustus 2024 heeft [gedaagde partij] niet aan die verplichting voldaan. Verder is [gedaagde partij] verplicht om na het einde van het dienstverband een eindafrekening op te maken, waarbij de opgebouwde, maar niet-genoten vakantiedagen aan [eisende partij] worden uitbetaald. Ook dit heeft [gedaagde partij] niet gedaan.
3.3.
[gedaagde partij] is het niet eens met de vordering. Hij neemt het [eisende partij] kwalijk dat hij in december 2023 onverwachts benaderd werd door een ander bedrijf over een werkervaringsplek op zijn kosten, terwijl [eisende partij] op dat moment volgens de bedrijfsarts nog helemaal niet inzetbaar was. Toen [gedaagde partij] enkele weken later te horen kreeg dat [eisende partij] kon re-integreren, heeft hij hem aangeboden aangepaste werkzaamheden te komen verrichten. [eisende partij] wilde dat echter niet. Dat [eisende partij] hem vervolgens enige tijd later vroeg een vaststellingsovereenkomst te sluiten met een transitievergoeding, was voor [gedaagde partij] de druppel. Daarop heeft hij het loon van [eisende partij] stopgezet.

4.De beoordeling

achterstallig loon over de maanden mei t/m augustus 2024
4.1.
De loonstop die [gedaagde partij] met ingang van 1 mei 2024 heeft toegepast, voldoet niet aan de wettelijke vereisten die daarvoor gelden. [eisende partij] heeft in reactie op de e-mail van [gedaagde partij] van 20 januari 2024 weliswaar geweigerd om aangepaste werkzaamheden te verrichten, maar die werkzaamheden waren (achteraf gezien) niet passend. Dit blijkt uit de paragrafen 6.2 en 6.3 van het arbeidsdeskundig rapport van 4 maart 2024. Van een weigering om passend werk te verrichten, is dus geen sprake. Daarnaast heeft [gedaagde partij] te lang gewacht met het stopzetten van het loon. Dit had hij namelijk onverwijld moeten doen. Dat wil zeggen: direct na de weigering van [eisende partij] om aangepaste werkzaamheden te verrichten. De loonstop is dus niet rechtsgeldig.
4.2.
Dat betekent dat [gedaagde partij] over de maanden mei t/m augustus 2024 nog loon verschuldigd is aan [eisende partij] . De hoogte daarvan wordt bepaald aan de hand van wat daarover in de cao is afgesproken. De betreffende maanden zijn gelegen in het tweede ziektejaar, zodat [eisende partij] recht heeft op 75% van zijn loon. [gedaagde partij] heeft niet weersproken dat het gaat om een bedrag van € 1.853,43 bruto per maand. Daarom wijst de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 7.413,72 toe.
wettelijke verhoging over het achterstallig loon
4.3.
Gezien de tijd die is verstreken sinds [gedaagde partij] het loon over de maanden mei t/m augustus 2024 aan [eisende partij] had moeten betalen, is [gedaagde partij] daarover de wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter zal deze verhoging beperken tot 25% van het achterstallig loon, dus € 1.853,44 bruto. Zij overweegt daartoe dat niet is gebleken dat [gedaagde partij] de loonstop opzettelijk onterecht heeft toegepast. In zijn beleving stond [gedaagde partij] in zijn recht, omdat het erop leek dat [eisende partij] niet meer voor hem wilde werken.
vakantietoeslag over het achterstallig loon
4.4.
[gedaagde partij] is over het brutoloon bovendien 8% vakantietoeslag verschuldigd. De kantonrechter stelt als zijnde onweersproken vast dat [gedaagde partij] geen vakantietoeslag heeft betaald over het brutoloon waar [eisende partij] in de periode van 1 juni 2023 tot 1 september 2024 recht op had. [gedaagde partij] heeft evenmin weersproken dat de vakantietoeslag over deze periode € 2.698,53 bruto bedraagt. Dit bedrag zal worden toegewezen.
vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren
4.5.
Na het einde van het dienstverband dient de werkgever een eindafrekening op te maken, waarbij onder meer de opgebouwde, maar niet-genoten vakantie-uren worden uitbetaald. [gedaagde partij] heeft dat niet gedaan. Daarom heeft [eisende partij] recht op een vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren vanaf april 2023.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter is [eisende partij] berekening van die vergoeding echter niet juist. Zoals ter zitting is besproken, is daarin namelijk geen rekening gehouden met het feit dat [eisende partij] na zijn ziekmelding nog een week vakantie heeft opgenomen. Die week, die gelijk is aan 38 vakantie-uren, moet nog op het openstaande verlofsaldo in mindering worden gebracht. Verder zijn de nog openstaande wettelijke vakantie-uren uit 2023 (152 stuks) per 1 juli 2024 komen te vervallen, zodat daarvoor geen vergoeding kan worden toegekend.
4.7.
Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de volgende vergoeding. [eisende partij] stelt dat hij tijdens het dienstverband met [gedaagde partij] 157 vakantie-uren per kalenderjaar opbouwde. [gedaagde partij] heeft dit niet weersproken, waardoor de kantonrechter ervan uit zal gaan dat dit aantal klopt. In 2024 heeft [eisende partij] niet het volledige aantal vakantie-uren opgebouwd, omdat hij toen voortijdig uit dienst is gegaan. Naar rato heeft hij over dat jaar (afgerond) 105 vakantie-uren opgebouwd. Dit brengt het totale vakantie-urensaldo over 2023 en 2024 op 262. Zoals hiervoor is overwogen, moeten daarvan echter nog 190 vakantie-uren worden afgetrokken. [eisende partij] maakt nu dus nog aanspraak op 72 vakantie-uren. Verder heeft [eisende partij] onweersproken gesteld dat [gedaagde partij] tijdens het eerste ziektejaar, waarin de opgenomen dan wel vervallen vakantie-uren zijn opgebouwd, 95% van het loon aan [eisende partij] verschuldigd was. De vergoeding voor één vakantie-uur bedraagt dus € 14,26 bruto. [eisende partij] heeft dus recht op een vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren van € 1.026,72 bruto. De kantonrechter wijst dit bedrag toe.
vakantietoeslag over de vakantie-uren
4.8.
Een werknemer bouwt ook 8% vakantietoeslag op over zijn vakantie-uren. Met inachtneming van het voorgaande wordt hiervoor een bedrag toegewezen van € 82,14 bruto.
wettelijke rente over de hiervoor genoemde vorderingen
4.9.
Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen afzonderlijk verweer gevoerd. De kantonrechter zal deze toewijzen zoals hierna onder de beslissing wordt vermeld.
buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Hij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom heeft hij recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De vergoeding wordt verhoogd met btw, omdat [eisende partij] geen ondernemer is. Uit het Besluit volgt dat bij het totaal van de hiervoor toegewezen bedragen een tarief hoort van € 1.095,95 inclusief btw. Dit bedrag zal worden toegewezen.
proceskosten
4.11.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde partij] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eisende partij] worden vastgesteld op:
- griffierecht
87,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
Totaal
1.034,00

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen:
€ 7.413,72 bruto aan achterstallig loon over de maanden mei t/m juni 2024;
€ 1.853,44 bruto aan wettelijke verhoging over het achterstallig loon;
€ 2.698,53 bruto aan vakantietoeslag over het achterstallig loon;
€ 1.026,72 bruto aan vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren;
€ 82,14 bruto aan vakantietoeslag over de vakantie-uren;
€ 1.095,95 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hiervoor onder a t/m e toegewezen bedragen, met ingang van 5 november 2024, tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, die aan de zijde van [eisende partij] zijn vastgesteld op € 1.095,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.