Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3276

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
25/4357
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding bij NOW-aanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 februari 2025 over de zesde aanvraagperiode van de Vierde tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW). De rechtbank beoordeelt dit beroep zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

De beroepschrifttermijn van zes weken begon te lopen op 28 februari 2025 en eindigde op 10 april 2025. Eiser diende het beroepschrift pas op 21 augustus 2025 in, ruim na de termijn. Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan zijn gemachtigde die verzuimde tijdig beroep in te stellen, en dat hij zelf door gezondheids- en relationele problemen niet in staat was de zaak te controleren.

De rechtbank oordeelt dat het handelen of nalaten van de gemachtigde voor risico van eiser komt en dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd die zijn onvermogen onderbouwen. Relationele problemen zijn geen geldige reden voor termijnoverschrijding. Daarom is de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar en wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit blijft in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening zonder verontschuldigbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 27 februari 2025, met kenmerk [kenmerk], over de zesde aanvraagperiode van Vierde tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden/gepubliceerd. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het beroep te laat ingediend?
4. Uit het dossier komt naar voren dat de minister het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 27 februari 2025, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 10 april 2025.
4.1.
Eiser heeft op 21 augustus 2025 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiser stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem te wijten is, maar aan zijn toenmalige gemachtigde. Die gemachtigde heeft verzuimd tijdig beroep in te stellen. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat alle mogelijke en noodzakelijke rechtsmiddelen werden aangewend. Hij kwam er pas achter dat er geen beroep was ingediend toen hij de brief van de rechtbank ontving. Daarnaast kampte eiser in de periode tussen februari en augustus 2025 met hartproblemen en relationele moeilijkheden. Deze omstandigheden hebben ervoor gezorgd dat hij niet in staat was de voortgang van zijn zaken adequaat te controleren en te bevragen bij zijn gemachtigde.
5.1.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om de termijn-overschrijding verontschuldigbaar te achten. Eiser werd tijdens de bezwaarprocedure bijgestaan door zijn boekhouder als gemachtigde. Volgens vaste rechtspraak komt het handelen of het nalaten van de gemachtigde voor risico van eiser. Van een gemachtigde mag worden verwacht dat deze de termijn bewaakt en zo nodig een beroepschrift indient dan wel zijn cliënt informeert.
In de overige door eiser aangevoerde omstandigheden ziet de rechtbank evenmin aanleiding om de termijnoverschrijding verontschuldigbaar te achten. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij vanwege hartproblemen niet in staat was de voortgang van zijn zaak te controleren of contact op te nemen met zijn gemachtigde. Ook relationele problemen kunnen geen verontschuldiging vormen voor de termijn-overschrijding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.