De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 23 maart 2026 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene, geboren in 1944, die lijdt aan vermoedelijke Alzheimer dementie.
Betrokkene wilde vrijwillig opgenomen worden in een instelling, mits haar kat mee kon, wat niet mogelijk was. De echtgenoot en dochter gaven aan dat de thuissituatie problematisch is door gedragsproblemen van betrokkene en overbelasting van mantelzorgers. De casemanager bevestigde dat opname noodzakelijk is, maar betrokkene was niet bestendig vrijwillig.
De rechtbank concludeerde dat opname noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen, dat geen minder bezwarende alternatieven beschikbaar zijn, en dat de vrijwilligheid niet bestendig is vanwege de kat en de overbruggingsplek. Daarom werd een machtiging verleend voor twee maanden, met afwijzing van het verzoek voor zes maanden, in afwachting van een oplossing voor de kat en een plek in de gewenste instelling.