Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3298

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/02/438153 / JE RK 25-1387
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarigen in pleegzorg of gezinshuis

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Willam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen. De minderjarigen verblijven momenteel in een pleeggezin, maar vanwege medische problemen van de pleegmoeder en het ontbreken van passende behandeling is een overplaatsing noodzakelijk.

De GI verzoekt om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg of een gezinsgerichte voorziening, met het oog op een stabiele en veilige opvoedsituatie. De moeder betwist de noodzaak van uithuisplaatsing en stelt dat zij samen met de stiefvader een stabiele thuissituatie kan bieden waar de behandeling kan plaatsvinden.

De kinderrechter overweegt dat de situatie complex is met een uitgebreide voorgeschiedenis en meerdere eerdere gezinsopnames. De kinderrechter verlengt de machtiging tot 9 mei 2026 en houdt het resterende deel van het verzoek aan om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden van terugplaatsing bij de moeder en stiefvader. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de zitting voor het vervolg is gepland op een nader te bepalen datum.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 9 mei 2026 en het resterende verzoek wordt aangehouden voor nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/438153 / JE RK 25-1387
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Pool uit [plaats] .
[de pleegmoeder],
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 september 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de op 5 februari 2026 ontvangen brief van de GI;
  • de op 23 maart 2026 ontvangen brief van mr. Pool met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Tevens was aanwezig de heer [stiefvader], de stiefvader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Aan hem is bijzondere toegang verleend.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 26 september 2025 tot 26 september 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorzienig voor pleegzorg verlengd van 16 september 2025 tot 26 maart 2026. De behandeling van het resterende deel van het verzoek om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden in afwachting van een schriftelijk verslag van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, over de resultaten van het onderzoek van De GezinsManager en over het perspectiefbesluit. Tevens is de GI verzocht hierbij een standpunt in te nemen over het resterende deel van het verzoek en over het gewenste verdere procesverloop.
2.3.
Op grond van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
Thans is nog aan de orde het resterende deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
Bij brief van 5 februari 2026 verzoekt de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing voor zowel een voorziening voor pleegzorg als een gezinsgerichte voorziening te verlenen, omdat de GI van mening is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eigenlijk zouden moeten doorstromen naar een passend gezinshuis.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI wordt aangevoerd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun jonge leventje al veel hebben meegemaakt. Zij hebben last van hun verleden en hebben daarom opvoeding plus nodig. Dit houdt in dat voor een zo optimaal mogelijke ontwikkeling [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben aan een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie met vaste en sensitieve opvoeders. Een trauma sensitieve opvoedingsstijl is hierbij essentieel. Het vermogen tot mentaliseren – het vermogen van opvoeders om stil te staan bij hun eigen binnenwereld en die van het kind, en die te gebruiken om gedrag te begrijpen – is hierin een cruciale voorwaarde. De GezinsManager heeft van mei 2025 tot en met september 2025 een uitgebreid gezins-/kind onderzoek afgenomen. Hieruit is gebleken dat de moeder het beste wil voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook blijkt dat de moeder last heeft van haar persoonlijke ervaringen en dat het haar nog niet lukt om los te koppelen van de rol die zij moet nemen als moeder om de kinderen te kunnen bieden wat zij nodig hebben. Gezien wordt dat de moeder vanuit haar liefde grenzen stellen nog altijd lastig vindt en dat mentaliseren nog niet altijd lukt. Dit terwijl [minderjarige 1] en [minderjarige 2] juist een opvoeder nodig hebben die dit nog meer dan de gemiddelde opvoeder kan. Ook wordt gezien dat de moeder nog hulp nodig heeft om haar eigen verleden te verwerken.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op dit moment in een pleeggezin in [locatie] . Deze plaatsing zal [datum] 2026 eindigen vanwege medische problemen van de pleegmoeder. De GI is op zoek naar een geschikt pleeggezin of een gezinshuis, maar er is nog geen zicht op een mogelijke overplaatsing. Het liefste zou de GI de minderjarigen dicht in de buurt van de moeder plaatsen, zodat er veel contact kan zijn. Een plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder vindt de GI op dit moment niet haalbaar, omdat de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet de stabiele en voorspelbare opvoedsituatie kan bieden waar de minderjarigen behoefte aan hebben. De moeder is in het verleden al vier keer eerder samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgenomen geweest in een ouder-kind-huis, maar telkens was de conclusie dat de moeder niet goed genoeg ouderschap kon bieden. De GI zal bekijken of een gezinsopname van de moeder en de stiefvader met de minderjarigen mogelijk is. De GI vindt het echter wel belangrijk dat eerst individuele hulpverlening voor de moeder en de minderjarigen wordt opgestart en aan de hand van de resultaten wordt bekeken of een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogelijk en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Inmiddels is er zoveel tijd verstreken dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het geding komt. Indien het verzoek wordt toegewezen gaat de GI op zoek naar een geschikte plek voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waar zij langere tijd kunnen verblijven, aangezien zij inmiddels al op twintig verschillende plekken hebben verbleven.
4.2.
Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de situatie inmiddels aanzienlijk anders is dan ten tijde van het starten van de ondertoezichtstelling. Het klopt dat er al vier keer eerder een gezinsopname heeft plaatsgevonden, maar dat was in 2022 toen de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook nog in beeld was. Inmiddels heeft de moeder al geruime tijd een stabiele relatie met de stiefvader, hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een goede band met stiefvader, hebben de moeder en stiefvader eigen woonruimte in [plaats] en hebben zij samen een schoonmaakbedrijf. Deze ochtend heeft de advocaat van de moeder de onderzoeksrapporten van De GezinsManager aan de rechtbank overgelegd. Uit deze onderzoeken blijkt niet dat het de moeder niet lukt om te mentaliseren. Ook blijkt niet dat de moeder niet voldoende kan begrenzen. De moeder kan volgen, maar zij kan ook leiden. De moeder zou graag zien dat de benodigde behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gestart vanuit de thuissituatie bij de moeder. De moeder kan een stabiele opvoedsituatie bieden vanuit waar de behandeling kan plaatsvinden. Het is dan ook de vraag wat de noodzaak van de uithuisplaatsing nog is. Daar komt bij dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sowieso moeten worden overgeplaatst, omdat zij niet langer in het huidige pleeggezin kunnen verblijven. Primair verzoekt de moeder de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair om de machtiging slecht voor de duur van drie maanden te verlenen. Wanneer het verzoek van de GI wordt toegewezen, heeft de moeder de voorkeur voor een plaatsing in een gezinshuis in plaats van een nieuw pleeggezin.
4.3.
De stiefvader geeft aan dat hij samenwoont met de moeder in [plaats] . Ook de stiefvader vindt een thuisplaatsing van de minderjarigen bij (hem en) de moeder in het belang van de minderjarigen.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid).
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
De GI heeft bij brief van 5 februari 2026 het verzoek uitgebreid, in die zin dat thans wordt verzocht om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing voor zowel een voorziening voor pleegzorg als een gezinsgerichte voorziening. De advocaat heeft hiertegen geen bezwaar. Nu dit verzoek wordt gezien als een uitbreiding dan wel wijziging van het oorspronkelijk gedane verzoek, acht de kinderrechter zich bevoegd om hiervan kennis te nemen. De procedure is immers door de GI aanhangig gemaakt op het moment dat de moeder nog in het arrondissement van deze rechtbank woonde.
5.4.
De kinderrechter overweegt dat zij voor een moeilijke beslissing staat. Er is sprake van een uitgebreide voorgeschiedenis waarbij al meerdere hulpverleningstrajecten zijn ingezet, waaronder vier gezinsopnames. Ook heeft er vorig jaar nog een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden door De GezinsManager. De rapporten van De GezinsManager heeft de kinderrechter pas enkele uren voorafgaand aan de behandeling op de zitting ontvangen en hierdoor heeft zij hier nog geen, althans onvoldoende kennis van kunnen nemen.
5.5.
Vast staat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het huidige pleeggezin dienen te verlaten. Dit vanwege medische problemen van de pleegmoeder, maar ook omdat de benodigde behandeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in [locatie] kan worden geboden. Dit maakt een overplaatsing van de minderjarigen noodzakelijk. De GI is op zoek naar een geschikte vervolgplek voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin of gezinshuis. Tot op heden is nog geen geschikte plek gevonden.
5.6.
De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat, nu de overplaatsing van de minderjarigen een feit is, ook wordt onderzocht wat er nodig is om bij de moeder en de stiefvader thuis een opvoed plus situatie te creëren en wat het huidige pleeggezin eventueel nog kan betekenen om de moeder te ontlasten als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer thuis zouden worden geplaatst. Hierbij kan worden gedacht aan weekend- en/of vakantieopvang.
5.7.
De kinderrechter zal dan ook de door de GI verzochte ‘brede machtiging’ verlenen tot 9 mei 2026 en het resterende deel van het verzoek aanhouden. De kinderrechter zal in de tussentijd kennis nemen van de rapporten van De GezinsManager en verzoekt de GI om enerzijds de zoektocht naar een geschikte vervolgplek voor de minderjarigen voort te zetten en anderzijds te bekijken of en onder welke omstandigheden een thuisplaatsing bij de moeder dan wel een gezinsopname van de moeder, de stiefvader en de minderjarigen mogelijk is.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg dan wel een gezinsgerichte voorziening met ingang van 26 maart 2026 tot 9 mei 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek om een (brede) machtiging tot uithuisplaatsing aan tot de zitting op
[datum] 2026 om [uur], bij de kinderrechter (mr. Phillips) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10, 4815 GW;
6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat en de GI;
6.5.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.