ECLI:NL:RBZWB:2026:330

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
02-187764-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden drugs en een vuurwapen

Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van circa 75 kilogram hasjiesj, circa 221 kilogram hennep, 175 gram cocaïne en een pistool met bijbehorende munitie. De verdachte, geboren in 1996 en ten tijde van het onderzoek preventief gedetineerd, werd bijgestaan door raadsman mr. S. Lodder. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging, die was gewijzigd overeenkomstig de artikelen 313 en 314a van het Wetboek van Strafvordering, geldig was en dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van feit 4, waarvoor de verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van twintig maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en bepaalde dat de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht in mindering zou worden gebracht op de opgelegde straf. De beslissing berustte op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Opiumwet.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-187764-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 januari 2026
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,
wonende op het [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie] ,
raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen [medeverdachte]
onder parketnummer 02-072672-25.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig de artikelen 313 en 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: in de periode van 5 tot en met 7 maart 2025, al dan niet samen met een of meer anderen, een pistool met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad;
feit 2: op 7 maart 2025, al dan niet samen met een of meer anderen, zo’n 75 kilogram hasjiesj en 221 kilogram hennep aanwezig heeft gehad;
feit 3: in de periode van 4 tot en met 7 maart 2025, al dan niet samen met een of meer anderen, meer dan 30 gram hasjiesj en/of hennep aanwezig heeft gehad;
feit 4: op 7 maart 2025, al dan niet samen met een of meer anderen, 175 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, tezamen en in vereniging met een of meer anderen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Feiten 1, 2 en 3
De verdediging voert voor deze feiten geen bewijsverweer.
Feit 4
De verdediging bepleit vrijspraak voor feit 4, omdat bij verdachte opzet ontbreekt, ook in voorwaardelijke zin. Verdachte had immers geen wetenschap van de aanwezigheid van 175 gram cocaïne.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1: Aanwezig hebben van pistool en munitie
Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd over dit feit, zoals dit hierna onder 4.4 bewezen wordt verklaard. Voor de bewezenverklaring wordt daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II.
Feit 2: Aanwezig hebben van softdrugs
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 7 maart 2025, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk 75.180 gram hasjiesj en 221.440 gram hennep aanwezig heeft gehad. De rechtbank acht feit 2 daarom wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3: Aanwezig hebben van softdrugs
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de periode van 4 tot en met 7 maart 2025, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk meer dan 30 gram hasjiesj en/of hennep aanwezig heeft gehad. Ook feit 3 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4: Aanwezig hebben van cocaïne
Juridisch kaderVoor de vraag of een verdachte opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad, is niet doorslaggevend aan wie die verdovende middelen (in eigendom) toebehoren. Ook is niet nodig dat de verdachte enige beschikkings- of beheersbevoegdheid heeft over de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden. Daarvoor moet uit feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat hij geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen moet de verdachte ook wetenschap van die aanwezigheid hebben gehad, althans van de aanmerkelijke kans op die aanwezigheid. In dit verband stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Feiten en omstandigheden
Op 7 maart 2025 is er 175 gram cocaïne aangetroffen in de bakwagen die geparkeerd stond op het terrein aan [adres] in [plaats] . Verdachte was op die dag vanaf omstreeks 14:35 uur tot 20:00 uur samen met anderen aanwezig op dat terrein en in de daar gevestigde loods. Hij heeft daar met dozen gesjouwd en tassen gedragen of gesleept. Ook heeft hij daar op verschillende momenten de bakwagen geopend en gesloten, zelfstandig dan wel in het bijzijn van anderen. Op een aantal van deze momenten heeft hij dozen in de bakwagen gezet of er uitgehaald. Op 4 en 6 maart 2025 heeft verdachte ook dergelijke handelingen bij de bakwagen verricht.
In de nacht van 17 op 18 februari 2025 is verdachte in de loods samen met anderen bezig geweest met het overscheppen van wit poeder in een doorzichtige plastic zak. De rechtbank leidt uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting af dat hij wist dat het foute boel was toen hij het wit poeder zag.
Conclusie
Aangezien verdachte op 7 maart 2025 meerdere keren de bakwagen heeft geopend en daar dozen in heeft gezet, bevond de cocaïne zich in zijn machtssfeer. Uit de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 volgt dat verdachte zich in de periode van 4 tot en met 7 maart 2025 samen met anderen bezig heeft gehouden met grote hoeveelheden softdrugs. Gelet op deze context en zijn betrokkenheid bij het overscheppen van het wit poeder in de nacht van 17 op 18 februari 2025, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat verdachte minstens willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er op 7 maart 2025 ook cocaïne aanwezig zou zijn. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat verdachte samen met anderen bezig is geweest bij de bakwagen met het in- en uitladen van drugs. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook voor het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Feit 4 kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 5 maart 2025 en 7 maart 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk ZVI, type Nighthawk, kaliber 9 millimeter Browning Court (9x17 millimeter), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9 millimeter Browning Court, voorhanden heeft gehad;
2
op 7 maart 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 75.180 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en 221.440 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3
in de periode van 4 maart 2025 tot en met 7 maart 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), zijnde hasjiesj, en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4
op 7 maart 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 175 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twintig maanden met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van verdachte, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het in een loods en op bijbehorend terrein aanwezig hebben van grote hoeveelheden hasjiesj en hennep en cocaïne. Hiermee heeft hij bijgedragen aan de handel in en het gebruik van hard- en softdrugs. Dit zijn middelen die sterk verslavend zijn en ernstige schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van gebruikers. Daarnaast leidt het gebruik van drugs en de handel daarin tot veel criminaliteit en overlast. Het gaat daarbij enerzijds om strafbare feiten die drugsgebruikers plegen om in hun verslaving te kunnen voorzien en anderzijds om de grootschalige handel in drugs, waarbij aanzienlijke financiële belangen spelen en geweld niet wordt geschuwd. Dat geweld of de dreiging daarmee ook in deze concrete situatie op de loer lag, wordt bevestigd doordat verdachte zich samen anderen in en bij de loods ook schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool met bijbehorende munitie.
De aanwezigheid van verdachte in de loods was geen incident en hij was ook geen toevallige bezoeker die op verzoek een paar keer een doos heeft gedragen, zoals verdachte heeft willen doen voorkomen. Verdachte is op een aantal dagen in maart 2025 meermaals gezien bij het openen, in- en uitladen en sluiten van de bakwagen, waarin het gros van de drugs is aangetroffen. Ook is gezien dat hij in de loods onder meer dozen, tassen en een vacumeerapparaat versjouwt, hennep aan het ompakken is, gevacumeerde pakketten met hennep vast heeft en wit poeder in een zak schept. Daarnaast was het verdachte die het pistool en bijhorende munitie verplaatste van de auto waar hij gebruik van maakte naar de auto waarin het pistool en bijbehorende munitie uiteindelijk is aangetroffen. Verdachte had dus een belangrijke rol bij de drugsgerelateerde activiteiten en was meer dan alleen een loopjongen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Voor alleen al het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilogram softdrugs wordt in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden als uitgangspunt worden genomen. Een oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van een grotere hoeveelheid softdrugs, waarvan in deze zaak sprake is, ontbreekt. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een pistool in een niet openbare ruimte is vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en voor het aanwezig hebben van 175 gram cocaïne zes weken. Deze oriëntatiepunten gelden ook voor iemand die voor het eerst voor zulke feiten wordt veroordeeld, zoals verdachte.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 september 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor Opiumwetdelicten of feiten op grond van de Wet wapens en munitie.
Verdachte kampt met verschillende medische klachten als gevolg van een motorongeluk. Bij dit motorongeluk is zijn jongere broer halfzijdig verlamd geraakt. Hij draagt (mede) de zorg voor zijn broer, waar hij een vergoeding voor ontvangt uit een persoonsgebonden budget. Zijn wens is om de zorg voor zijn broer weer op te kunnen pakken.
De op te leggen straf
Ondanks de persoonlijke omstandigheden van verdachte ontkomt de rechtbank niet aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan zijn voorarrest. De ernst van de feiten in het licht van de LOVS oriëntatiepunten vraagt daarom. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 20 maanden passend en geboden is. Daarvan zal de rechtbank vier maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar. Met dit voorwaardelijke strafdeel wordt beoogd om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van
categorie III en met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, ten aanzien van 7 maart 2025 in eendaadse samenloop begaan met feit 2;
feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.F. Vliegenberg, voorzitter, en mr. R.J.H. de Brouwer en mr. R.H.M. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 23 januari 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2025 tot en met 7 maart 2025
te [plaats] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pistool, van het merk ZVI, type Night Hawk, kaliber 9
millmeter Browning Court (9x17 millimeter) zijnde een vuurwapen in de
vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of bjbehorende munitie
van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier
kogelpatronen (van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9 millimeter
Browning Court 9x17 millimeter) voorhanden heeft gehad;
(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te [plaats] , in elk geval in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 75.180 gram, in elk geval een
hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel
van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj),
waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer
221.440 gram,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde
hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde
lid van artikel 3 a van die wet
(art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
3
hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2025 tot en met 7 maart 2025
te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer
dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en
plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), zijde hasjiesj en/of een
hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens)
(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
4
hij op of omstreeks 7 maart 2025 te [plaats] , in elk geval in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk,
aanwezig heeft gehad
ongeveer 175 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)