Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3300

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/02/439216 / FA RK 25-4408
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht wegens drugsproblematiek en belang minderjarige

Partijen, voormalige partners, hebben een minderjarige samen. De man heeft het eenhoofdig gezag en het kind verblijft bij hem. De vrouw verzocht om een omgangsregeling, terwijl de man zelfstandig verzocht om ontzegging van het omgangsrecht vanwege de drugsproblematiek van de vrouw.

De vrouw erkent haar problematiek en wil hulpverlening aangaan, maar heeft nog geen duurzaam herstel getoond. De man stelt dat omgang schadelijk is voor het kind en dat de vrouw ongeschikt is vanwege haar onbetrouwbaarheid en drugsgebruik, wat ook door hulpverleners is bevestigd.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert afwijzing van het verzoek van de vrouw en toewijzing van het verzoek van de man, gezien het kwetsbare karakter van het kind en de noodzaak van voorspelbaarheid.

De rechtbank oordeelt dat omgang op dit moment in strijd is met het belang van het kind en ontzegt de vrouw het omgangsrecht voor onbepaalde tijd, met de mogelijkheid tot herziening bij gewijzigde omstandigheden. De man zal de vrouw informeren over de ontwikkelingen van het kind, maar een informatieregeling wordt niet vastgesteld.

Uitkomst: De moeder wordt het omgangsrecht met het minderjarige kind ontzegd vanwege haar drugsproblematiek en het belang van het kind bij rust en stabiliteit.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/439216 / FA RK 25-4408
datum uitspraak: 23 maart 2026
beschikking over omgang
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. B.P.A. van Beers in Roosendaal,
tegen
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. C.F.A. Cadot in Roosendaal,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats].
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 22 augustus 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 16 februari 2026 ontvangen verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige].
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 23 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond.
2.2
Uit deze relatie is het volgende, minderjarige kind geboren:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats].
2.3
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.4
Begin 2024 is de relatie verbroken en de samenleving beëindigd.
2.5
In de beschikking van deze rechtbank 9 juli 2024 is beslist dat de man het eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige].
2.6
[minderjarige] verblijft bij de man.

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de vrouw en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van fysiek contact met elkaar gedurende vier uur per week, alsmede één keer per week via videobellen,
- althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank redelijk acht.
3.2
De man verzoekt zelfstandig om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
- de vrouw het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen.
3.3
Op de stellingen van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, ingegaan.

4.De standpunten van partijen en het advies van de Raad

Het standpunt van de vrouw
4.1
Ter onderbouwing van haar verzoek en als verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man, heeft de vrouw in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Hoewel de relatie tussen partijen over was, kwam de man sinds oktober 2024 weer veelvuldig bij haar op bezoek. [minderjarige] was daar regelmatig bij. Daarnaast had zij regelmatig contact met [minderjarige] middels videobellen. Sinds half april 2025 komt de man niet meer bij haar langs en heeft zij [minderjarige], op een kortstondig contact met Kerstmis na, niet meer gezien. Zij krijgt van de man ook geen informatie over [minderjarige]. Ze maakt zich zorgen om [minderjarige] en wil graag weer contact met hem. Zij heeft geprobeerd om via de advocaten van partijen in onderling overleg tot een contactregeling te komen, maar dat is niet gelukt. De man stelde dat de hulpverlening vanuit de gemeente Roosendaal, die gericht was op begeleide omgang tussen haar en [minderjarige], eind 2024 is afgesloten. Volgens de man zou mevrouw [persoon] van de gemeente hebben aangegeven dat het niet de bedoeling was dat partijen zelf een omgangsregeling tot stand brengen, maar dat dit via de hulpverlening zou moeten verlopen, zodat beoordeeld zou kunnen worden of (begeleide) omgang in het belang van [minderjarige] zou zijn. Dit alles wordt door de vrouw betwist en is volgens haar ook geen geldige reden om de omgangsregeling helemaal te stoppen. De vrouw is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij contact met elkaar hebben. Zij erkent dat zij in het verleden de afspraken niet altijd nakwam, maar uit niets blijkt dat de omgang die er wel was, belastend of negatief is geweest voor [minderjarige]. Er zijn volgens haar dan ook geen contra-indicaties voor omgang. Bovendien vraagt zij slechts een minimale vorm van contact, welke zo nodig met hulpverlening op gang kan worden gebracht. Zij heeft op dit moment wekelijks contact met een hulpverlener van GGZ en een begeleider vanuit de WMO. Binnenkort wordt zij voor drie weken opgenomen bij Novadic-Kentron voor een detoxbehandeling. De opname vindt plaats zodra er een andere (veilige) woning voor haar beschikbaar is, waar zij na haar behandeling kan gaan wonen. Zij verwacht dat de opname op korte termijn gaat plaatsvinden.
Het standpunt van de man
4.2
De man legt aan zijn verweer tegen het verzoek van de vrouw en aan zijn zelfstandig verzoek tot ontzegging van de omgang ten grondslag dat omgang tussen de vrouw en [minderjarige] schadelijk is voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] en dat de vrouw vanwege haar langdurige drugsproblematiek kennelijk ongeschikt of niet in staat moet worden geacht tot omgang. Hij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. De vrouw is bekend met langdurige drugsproblematiek. Haar drugsgebruik zorgt ervoor dat zij op geen enkele wijze betrokken is bij [minderjarige]. Onder de toezegging van de vrouw dat zij zichzelf onder behandeling zou stellen via Novadic-Kentron is de vrouw kort na het uiteengaan van partijen in de gelegenheid gesteld begeleid contact te hebben met [minderjarige]. Daarbij hebben zowel de man als derden zich ingezet om op locatie begeleide omgangsmomenten te faciliteren. De vrouw kwam echter niet, te laat, onder invloed van drugs of na invloed van de drugs op de begeleide omgangsmomenten. Het soort drugs dat zij in 2024 gebruikte, Flakka, maakt naast onbetrouwbaar ook achterdochtig en paranoïde. Het is voor de man en hulpverlenende instanties niet in te schatten wanneer de vrouw in welke omstandigheid verkeert om zodoende een correcte veiligheidsinschatting te maken. De vrouw heeft er uiteindelijk voor gekozen deze hulpverlening niet aan te gaan en heeft haar drugsgebruik voortgezet. Als gevolg daarvan is haar gezag over [minderjarige] beëindigd en zijn ook de begeleide contactmomenten stopgezet. Om weer een rol te kunnen spelen in het leven van [minderjarige], middels door derden begeleide omgangsmomenten, is nodig dat de vrouw (inzichtelijk maakt dat zij) specialistische hulpverlening heeft doorlopen en een langere periode geen drugs meer gebruikt. De man is niet (langer) bereid mee te werken aan begeleide omgang, zolang de vrouw niet aan voormelde voorwaarden voldoet. Ook nu is er bij de vrouw nog steeds sprake van drugsgebruik en laat zij geen stukken zien van de door haar gestelde hulpverlening. De man heeft er geen vertrouwen in dat de vrouw zich dit keer wel aan de afspraken houdt. Zolang de vrouw niet aan voormelde voorwaarden voldoet, is omgang ook niet in het belang van [minderjarige]. [minderjarige] is kwetsbaar, gevoelig voor spanning en heeft rust en stabiliteit nodig om tot ontwikkeling te komen. [minderjarige] heeft op dit moment hechtingsfiguren/vertrouwde volwassenen om zich heen die stabiel zijn en consequent voor hem beschikbaar zijn. Hoewel de man niet kan objectiveren of [minderjarige] gezien zijn ontwikkelingsniveau nog enige herkenning jegens de vrouw heeft, geldt dat er in het belang van [minderjarige] enkel een rol kan zijn voor de vrouw als zij ook stabiel en consequent kan zijn. Omgang met de vrouw binnen haar huidige omstandigheden brengt risico’s met zich mee voor de ontwikkeling van [minderjarige], die in het belang van [minderjarige] niet genomen mogen worden. De rust, stabiliteit en structuur dienen in zijn leven gewaarborgd te worden.
Het advies van de Raad
4.3
De Raad adviseert het verzoek van de vrouw af te wijzen. De Raad geeft aan dat [minderjarige] een kwetsbaar kind is. [minderjarige] vraagt om extra duidelijkheid en voorspelbaarheid, ook in het contact met de vrouw. De Raad complimenteert de vrouw dat zij toch weer probeert de hulpverlening aan te gaan. Het enkel aangaan van hulpverlening is echter niet voldoende. De vrouw zal moeten laten zien dat haar herstel duurzaam is, voordat begeleid contact tussen haar en [minderjarige] kan plaatsvinden. Zover lijkt de vrouw nu nog niet te zijn. Er moet in het belang van [minderjarige] worden voorkomen dat de situatie met betrekking tot de omgang in 2024 zich herhaalt. Het is wel belangrijk dat wordt gekeken hoe [minderjarige] een plekje kan krijgen in het leven van de vrouw, bijvoorbeeld doordat de man de vrouw informeert over [minderjarige], en dat het beeld van de vrouw levend wordt gehouden bij [minderjarige].

5.De beoordeling

5.1
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
  • omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
  • de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
  • het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
  • er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.2
Na het uiteengaan van partijen in 2024 is samen met hulpverlening geprobeerd om begeleide contacten te laten plaatsvinden tussen de vrouw en [minderjarige]. Gebleken is echter dat dit traject is stopgezet vanwege onvoorspelbaarheid in het nakomen van toezeggingen om hulpverlening in verband met middelengebruik aan te gaan en onbetrouwbaarheid in het nakomen van afspraken met betrekking tot de omgang. De rechtbank vindt het positief om te horen dat de vrouw nu opnieuw aan haar (drugs)problematiek wil gaan werken, dat zij aangeeft hulpverlening te aanvaarden en dat zij een detox-behandeling bij Novadic-Kentron wil aangaan. Zij krijgt daarmee de gelegenheid om met hulpverlening aan zichzelf te werken en om haar leven weer op de rit te krijgen. Dit traject zal echter naar verwachting de nodige tijd in beslag nemen. Wanneer sprake is van de situatie dat de vrouw middels gespecialiseerde hulpverlening duurzaam stappen heeft gezet richting herstel en het kunnen bieden van duidelijkheid en voorspelbaarheid voor [minderjarige], valt niet in te schatten; de vrouw heeft van de door haar genoemde vormen van voorgenomen hulpverlening / behandeling geen stukken in het geding gebracht. De rechtbank acht het echter nu in het belang van [minderjarige], een jong en kwetsbaar kind met speciale behoeftes, dat hij rust en duidelijkheid ervaart. Nu uit het voorgaande volgt dat de vrouw hem dat op dit moment niet kan bieden, acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de vrouw het recht op omgang wordt ontzegd. De rechtbank acht omgang op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige].
Dit betekent dat het verzoek van de man zal worden toegewezen. De rechtbank merkt hierbij op dat een ontzegging van de omgang altijd een tijdelijk karakter heeft. Dat wil zeggen dat de vrouw bij ongewijzigde omstandigheden in ieder geval na verloop van een jaar de mogelijkheid heeft om zich tot de rechter te wenden met een verzoek een omgangsregeling vast te stellen. Als de omstandigheden wijzigen kan ook eerder een nieuw verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling worden ingediend.
5.3
Om diezelfde redenen als hierboven genoemd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen, afwijzen.
5.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegezegd dat hij de vrouw iedere vier weken een e-mailbericht zal sturen, waarin hij de vrouw informeert over de ontwikkelingen van [minderjarige] en belangrijke aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige]. Verder heeft hij aangegeven dat hij het beeld van de vrouw bij [minderjarige] levend zal houden, door over haar te praten met [minderjarige] en door [minderjarige] foto’s van haar te laten zien. Aangezien partijen geen verzoeken hebben gedaan tot vaststelling van een informatieregeling, leent de toezegging van de man zich niet voor opneming in het dictum. De rechtbank gaat ervan uit dat de man zijn toezeggingen in het belang van [minderjarige] nakomt, zodat – als er in de toekomst weer contact tussen de vrouw en [minderjarige] kan plaatsvinden – er mogelijk enige herkenning zal zijn bij [minderjarige] en de vrouw op de hoogte is van de ontwikkelingen van [minderjarige] waardoor zij beter kan aansluiten bij zijn belevingswereld.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.5
De voorzieningenrechter zal de beslissing, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
ontzegt dat de vrouw met onmiddellijke ingang het recht op omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd;
6.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.