Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3303

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/02/444952 FA RK 26-734
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking voorlopige voorzieningen over gebruik woning, zorgregeling en partneralimentatie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 23 maart 2026 een verzoek tot voorlopige voorzieningen in een echtscheidingsprocedure tussen man en vrouw. De man verzocht om uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toevertrouwing van de minderjarige en vaststelling van een zorgregeling. De vrouw verzocht eveneens om uitsluitend gebruik van de woning, toevertrouwing van de minderjarige, vaststelling van een zorgregeling, en daarnaast om vaststelling van kinderalimentatie en partneralimentatie.

De rechtbank oordeelde dat ondanks spanningen tussen partijen, de huidige zorgregeling en het gezamenlijk gebruik van de woning het meest in het belang van de minderjarige is. Er was onvoldoende bewijs voor een onhoudbare situatie die exclusief gebruik van de woning door een van de partijen rechtvaardigt. De verzoeken tot uitsluitend gebruik van de woning en toevertrouwing van de minderjarige werden daarom afgewezen.

De zorgregeling werd vastgesteld zoals partijen die sinds november 2025 uitvoeren, met aanvullende bepalingen voor het weekend. De rechtbank wees het verzoek tot kinderalimentatie af omdat de man alle kosten van de minderjarige betaalt. Wel werd partneralimentatie toegewezen aan de vrouw, vastgesteld op €361 per maand, gebaseerd op de inkomensgegevens van 2025 en de behoefte van de vrouw volgens de Hof-norm.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en benadrukt het belang van respectvol samenleven in de woning in het belang van de minderjarige.

Uitkomst: Verzoek partneralimentatie toegewezen, verzoeken exclusief gebruik woning en toevertrouwing kind afgewezen, zorgregeling vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/444952 FA RK 26-734
23 maart 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. N.M. Lindhout-Schot,
en
[de vrouw]
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.M.M. Molkenboer.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 11 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 2 maart 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het op 6 maart 2026 ontvangen verweer op zelfstandig verzoek met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De verzoeken

2.1
De man verzoekt, samengevat,
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem, met inachtneming van hetgeen hij in het kader van de zorgregeling heeft verzocht;
- toevertrouwing van de minderjarige aan hem;
- vaststelling van een zorgregeling.
2.2
De vrouw verzoekt, samengevat,
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel door haar, met bepaling dat de man deze woning niet meer mag betreden, behoudens met haar voorafgaande instemming;
- toevertrouwing van de minderjarige aan haar;
- vaststelling van een zorgregeling;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 506,= per maand, met ingang van de datum van deze beschikking;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 361,= per maand, met ingang van de datum van deze beschikking.

3.De beoordeling

3.1
Vanwege de Indonesische nationaliteit van de vrouw heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
3.2
De man verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem toe te wijzen en legt aan dit verzoek het volgende ten grondslag. De vrouw is vrijwillig uit de echtelijke woning vertrokken. De man verblijft nog met de minderjarige in de echtelijke woning. In november 2025 hebben partijen samen met Veilig Thuis afspraken gemaakt over de zorgregeling. Afgesproken is dat partijen samen voor de minderjarige zorgen vanuit de echtelijke woning. Doordeweeks brengt de man de minderjarige naar school, haalt de vrouw de minderjarige van school, verblijft de vrouw in de echtelijke woning tot de man uit zijn werk komt, blijft de vrouw eten en verlaat de vrouw de echtelijke woning als de minderjarige slaapt. In het weekend is de vrouw dagelijks welkom in de echtelijke woning tot bedtijd van de minderjarige. De afgesproken zorgregeling wordt tot op heden door partijen uitgevoerd. De vrouw mag ook blijven slapen. Partijen hebben soms woordenwisselingen, maar de man betwist dat er sprake van een continu gespannen sfeer tussen partijen en dat hij spullen van de vrouw vernielt. Partijen lachen soms nog samen, zitten ‘s avonds samen op de bank en zijn ook nog wel eens samen uit eten geweest met de minderjarige. De man wil de bestaande zorgregeling handhaven en heeft daarom het gebruik van de echtelijke woning nodig. Hij kan nergens anders gedurende de hele week verblijven. Hij heeft geen vrienden en zijn familie woont verder weg. Hij is voornemens uit de echtelijke woning te vertrekken zodra hij een andere woning heeft gevonden. Hij reageert op iedere huurwoning die bij Woning in Zicht beschikbaar komt, maar tot op heden zonder resultaat.
3.3
De vrouw verzoekt toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar en voert hiertoe het volgende aan. De vrouw is in het verleden meermaals mishandeld door de man. Omwille van haar veiligheid is zij op 21 juli 2025 met de minderjarige uit de echtelijke woning gevlucht en is zij tijdelijk bij haar neef in [plaats] ingetrokken. In november 2025 is zij met de minderjarige weer terug naar [woonplaats] gekomen. Sindsdien verblijft de minderjarige weer in de echtelijke woning. De vrouw verblijft sindsdien in de nacht in een daklozenopvang in [woonplaats] , omdat zij zich niet veilig voelt als partijen samen in de echtelijke woning zijn. Zij is nagenoeg volledig belast met de zorg voor de minderjarige. De man werkt doordeweeks als heftruckchauffeur en in het weekend in een Indonesisch restaurant. De vrouw past op de minderjarige als de man werkt. Zij blijft in de echtelijke woning tot de minderjarige in slaap is gevallen en vertrekt dan naar de daklozenopvang. Zij verblijft enkel in de echtelijke woning voor de minderjarige.
Van haar kan in redelijkheid niet langer worden verlangd dat zij uitvoering blijft geven aan de huidige zorgregeling, waarbij zij geen stabiele en veilige verblijfssituatie heeft en slechts wordt ingezet als oppas. Er zijn veel woordenwisselingen tussen partijen en de man spreekt negatief over haar en beschadigt haar spullen. Zij wil in een veilige en rustige omgeving voor de minderjarige kunnen zorgen. Zij kan op korte termijn niet over andere woonruimte beschikken. De wachttijden voor een sociale huurwoning zijn lang en zij is met haar bijstandsuitkering financieel niet in staat om een particuliere huurwoning te huren. Zij heeft ook geen familie of vrienden waar zij (tijdelijk) terecht kan. De man heeft ruimere mogelijkheden om elders huisvesting te vinden. Hij heeft een aanzienlijk hoger inkomen dan de vrouw. Bovendien heeft hij familie in de omgeving van [woonplaats] wonen.
3.4
De rechtbank stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het gebruik van de echtelijke woning gedurende de echtscheidingsprocedure. De vrouw wil de woning met uitsluiting van de man gebruiken. De man verzoekt ook om het uitsluitend gebruik van de woning, maar wat hem betreft kunnen partijen samen in de woning voor de minderjarige blijven zorgen totdat hij vervangende woonruimte heeft gevonden. Hoewel er spanningen zijn tussen partijen, heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat die spanningen dermate hoog zijn dat er sprake is van een onhoudbare situatie. Ondanks de spanningen zijn partijen er in ieder geval wel in geslaagd om sinds november 2025 samen in de woning voor de minderjarige te zorgen. Veilig Thuis is ook bij het gezin betrokken om de situatie te volgen. Aangezien verder niet gebleken is dat een van partijen direct over vervangende woonruimte kan beschikken, acht de rechtbank voortzetting van de huidige (zorg)regeling het meest haalbare en ook in het belang van de minderjarige. De rechtbank acht het immers in het belang van de minderjarige dat zij voldoende tijd met beide ouders kan doorbrengen en dat zij in deze instabiele periode in haar vertrouwde omgeving kan blijven. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat er geen directe noodzaak is om het uitsluitend gebruik van de woning aan een van partijen toe te kennen. De verzoeken van partijen ter zake het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zullen daarom worden afgewezen.
3.5
Het voorgaande betekent dat het gezamenlijk verblijf van partijen in de echtelijke woning voorlopig nog zal voortduren. De rechtbank realiseert zich dat het veel van partijen zal vergen om hun gezamenlijk verblijf in de woning op een goede manier te blijven voortzetten. Beide partijen zullen er, in het belang van de minderjarige, alles aan moeten doen om de situatie voor de ander en voor de minderjarige leefbaar te houden. Zij zullen dus discussies met elkaar uit de weg moeten gaan en met respect voor de ander het gezamenlijk verblijf in de woning voortzetten. De man zal verder, zoals hij nu ook al doet, zich moeten blijven inspannen om andere woonruimte te vinden. Gelet op de inkomens van partijen is hij de meest aangewezen persoon om een andere woning te zoeken.
Toevertrouwing van de minderjarige
3.6
Aangezien partijen voorlopig samen gebruik zullen maken van de echtelijke woning en samen in die woning voor de minderjarige zullen blijven zorgen, is de rechtbank van oordeel dat geen van partijen belang heeft bij toevertrouwing van de minderjarige. De over en weer door partijen ingediende verzoeken betreffende de toevertrouwing van de minderjarige zullen daarom worden afgewezen.
Zorgregeling
3.7
De man verzoekt de huidige zorgregeling vast te leggen, waarbij de vrouw de minderjarige doordeweeks van school haalt, in de echtelijke woning verblijft tot de man uit zijn werk komt (rond 18.00 uur), blijft eten en de echtelijke woning verlaat als de minderjarige naar bed is. Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de vrouw in het weekend dagelijks welkom is in de echtelijke woning tot bedtijd van de minderjarige.
3.8
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te leggen, waarbij de man en de minderjarige gerechtigd zijn tot contact met elkaar drie weekenden per maand van vrijdagmiddag na school (14.30 uur) tot zondagavond na het eten (18.00-19.00 uur).
3.9
De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat, zolang partijen nog samen gebruik maken van de echtelijke woning, de zorgregeling wordt voortgezet die nu doordeweeks wordt uitgevoerd. Dit betekent dat de man de minderjarige naar school brengt, dat de vrouw de minderjarige uit school haalt en voor de minderjarige zorgt tot de man uit zijn werk komt en dat partijen, vanaf het moment dat de man uit zijn werk komt, samen voor de minderjarige zorgen tot de minderjarige naar bed is. Om het gezamenlijk verblijf van partijen in de echtelijke woning houdbaar te laten zijn, is het belangrijk dat beide partijen voldoende rust kunnen vinden in de woning en in de zorg voor de minderjarige. De rechtbank acht het daarom aangewezen om in het weekend de man op zaterdag en de vrouw op zondag de gelegenheid te geven om alleen activiteiten met de minderjarige te ondernemen, zonder dat dit over en weer met elkaar hoeft te worden afgestemd. Het staat partijen uiteraard vrij om hiervan in goed onderling overleg af te wijken en andere afspraken te maken.
Onderhoudsbijdrage voor de minderjarige
3.1
Aangezien partijen voorlopig nog samen in de echtelijke woning voor de minderjarige zullen zorgen en ter zitting naar voren is gekomen dat de man alle aan die woning verbonden lasten en de boodschappen betaalt, acht de rechtbank geen grondslag aanwezig voor vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage voor de minderjarige. Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen. De rechtbank benadrukt daarbij wel dat dit betekent dat de man voorlopig alle kosten van de minderjarige blijft betalen.
Onderhoudsbijdrage voor de vrouw
3.11
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
3.12
Bij de berekening van de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage moet eerst worden vastgesteld welk bedrag de vrouw maandelijks nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen, de zogenoemde ‘huwelijksgerelateerde behoefte’. Partijen zijn het erover eens dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw moet worden bepaald aan de hand van de zogenoemde ‘Hof-norm’. De Hof-norm gaat ervan uit dat ieder van partijen 60% van het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) nodig heeft om na het uiteengaan van te leven, omdat partijen hun kosten niet meer met elkaar kunnen delen.
3.13
Partijen gaan voor de becijfering van het NBGI uit van hun inkomens in 2025.
3.14
De man verzoekt voor wat betreft zijn inkomen in 2025 uit te gaan van het op zijn jaaropgaven vermelde bedragen. Doordeweeks werkt hij fulltime bij [bedrijf] en volgens de jaaropgaaf bedroeg zijn fiscaal loon bij [bedrijf] in 2025 € 46.223,=. Daarnaast werkt hij 1 à 2 keer per maand in het weekend gemiddeld 3 uur per keer bij het [restaurant] . Uit de jaaropgaaf van [restaurant] volgt een fiscaal loon in 2025 van € 655,=.
3.15
De vrouw betwist niet dat de man in 2025 bij [bedrijf] een fiscaal loon van € 46.223,= had. Wel betwist zij dat het inkomen van de man uit zijn werkzaamheden bij [restaurant] in 2025 slechts € 655,= bedroeg. Zij stelt dat zij ieder weekend door de man wordt gevraagd om op de minderjarige te passen, omdat hij bij [restaurant] moet werken. Gelet op het beperkte loon dat op de jaaropgaaf 2025 wordt vermeld, gaat zij ervan uit dat de man zijn salaris bij [restaurant] voor een aanzienlijk deel zwart uitbetaald krijgt. Zij verzoekt rekening te houden een inkomen bij [restaurant] dat past bij 5 uur werken per week gedurende 52 weken per jaar tegen een uurtarief van € 15,=.
3.16
De rechtbank zal conform het onweersproken standpunt van de man uitgaan van een fiscaal loon in 2025 bij [bedrijf] van € 46.223,=. De rechtbank zal verder rekening houden met het op de jaaropgaaf 2025 genoemde fiscaal loon bij [restaurant] van € 655,=. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man ook zwarte inkomsten heeft uit zijn werkzaamheden bij [restaurant] . De man heeft deze stelling betwist en de vrouw heeft deze stelling, hoewel dit wel op haar weg had gelegen, niet onderbouwd met stukken. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat een onderzoek naar eventuele zwarte inkomsten niet thuishoort in een voorlopige voorzieningenprocedure die slechts beoogt op zo kort mogelijke termijn een aantal naar hun aard tijdelijke ordemaatregelen te treffen.
3.17
In fiscaal opzicht wordt aan de zijde van de man rekening gehouden met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. De rechtbank becijfert het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2025 dan op een bedrag van € 3.100,= per maand.
3.18
Tussen partijen staat vast dat de vrouw in 2025 geen eigen inkomen had.
3.19
Bij het NBGI moet het kindgebonden budget worden opgeteld. Volgens de berekening van de rechtbank hadden partijen in 2025 recht op een kindgebonden budget van € 154,= per maand.
3.2
Aan de hand van voornoemde gegevens heeft de rechtbank het NBGI van partijen in 2025 becijferd op € 3.254,= per maand.
3.21
Het NBGI moet worden verminderd met de kosten van de minderjarige. Het NBGI van partijen van € 3.254,= per maand, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarige op van € 421,= per maand in 2025. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag.
3.22
Dan resteert er een NBGI van € 2.833,= per maand. Van dat NBGI heeft de vrouw volgens de Hof-norm 60% nodig. Dat betekent dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in 2025 € 1.700,= netto per maand bedroeg. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu € 1.778,= netto per maand.
3.23
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of sprake is van behoeftigheid van de vrouw. Dat is het geval als de vrouw niet voldoende eigen inkomsten heeft om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien en zij deze inkomsten ook in redelijkheid niet kan verwerven.
3.24
De vrouw is aangewezen op een bijstandsuitkering. Dit betekent dat zij geen eigen inkomen heeft. Door de man is in het kader van de onderhavige procedure ook niet gesteld dat de vrouw in staat is om eigen inkomsten te genereren. De rechtbank stelt daarom vast dat de vrouw behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man ter hoogte van € 1.778,= netto per maand.
3.25
Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de man draagkracht heeft om de verzochte onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen. De draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te betalen wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
3.26
De man gaat in zijn draagkrachtberekening uit van het fiscaal loon volgens zijn jaaropgaven 2025 van [bedrijf] en [restaurant] . De vrouw heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Zij heeft wel, net als in het kader van de behoefteberekening, aangevoerd dat aan de zijde van de man ook rekening moet worden gehouden met zwarte inkomsten. Zoals de rechtbank hiervoor onder 3.16 al heeft overwogen, heeft de vrouw dit onvoldoende onderbouwd en acht de rechtbank geen reden aanwezig om in deze procedure rekening te houden met mogelijke zwarte inkomsten van de man. De rechtbank zal de draagkracht van de man daarom baseren op het fiscaal loon volgens de jaaropgaven 2025, te weten € 46.223,= bij [bedrijf] en € 655,= bij [restaurant] .
3.27
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag van € 3.386,= per maand.
3.28
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 603,= per maand.
3.29
Op deze draagkracht strekt in mindering de kosten die de man voor de minderjarige maakt. Aangezien de rechtbank ervan uitgaat dat de man voorlopig alle kosten van de minderjarige blijft betalen, gaat de rechtbank ervan uit dat de man de volledige behoefte van de minderjarige voor zijn rekening neemt. Zoals hiervoor onder 3.21 is vermeld, bedroeg de behoefte van de minderjarige in 2025 € 421,= per maand. Inclusief de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu € 440,= per maand. Uit de door de man overgelegde berekening volgt dat de man in 2026, uitgaande van het inkomen volgens de jaaropgaven 2025, recht heeft op een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 4.875,= per jaar. Dit komt neer op € 406,= per maand. Dan blijft er dus een bedrag van € 34,= per maand over dat voor rekening van de man komt. De rechtbank brengt daarom een bedrag van € 34,= per maand aan kosten van de minderjarige in mindering op de draagkracht van de man.
3.3
Dan resteert er bij de man een draagkracht van € 569,= netto per maand. Aangezien de vrouw verzoekt om vaststelling van een door de man voor haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 361,= per maand, zal de rechtbank de vast te stellen bijdrage beperken tot dit bedrag.
3.31
Partijen zijn het erover eens dat de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage moet worden vastgesteld met ingang van de datum van deze beschikking.
3.32
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw moet voldoen van € 361,= per maand. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw ten aanzien van de door de man voor haar te betalen onderhoudsbijdrage zal worden toegewezen.
3.33
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
bepaalt dat ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, de volgende zorgregeling geldt:
- de man brengt de minderjarige doordeweeks naar school,
- de vrouw haalt de minderjarige doordeweeks uit school en zorgt voor de minderjarige tot de man uit zijn werk komt,
- vanaf het moment dat de man doordeweeks uit zijn werk komt, zorgen partijen samen voor de minderjarige tot de minderjarige op bed ligt,
- de man heeft op zaterdag en de vrouw heeft op zondag de gelegenheid om los van de ander activiteiten met de minderjarige te ondernemen, een en ander met inachtneming van hetgeen onder 3.9 is overwogen;
4.2
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 361,= (driehonderdeenenzestig euro) per maand, aan de vrouw bij vooruitbetaling te voldoen;
4.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
weigert het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.