ECLI:NL:RBZWB:2026:3318
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen aanslag leges na weigering omgevingsvergunning
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een aanslag leges opgelegd door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant. De aanslag betreft leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, die uiteindelijk is geweigerd en later door de rechtbank is vernietigd vanwege formele gebreken.
De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat de aanvraag is ingediend en in behandeling is genomen, voldoende grond is voor het opleggen van leges. De vernietiging van de weigering van de vergunning is in dit kader niet relevant. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt omdat de onzorgvuldigheid betrekking heeft op het college bij de weigering, niet op de heffingsambtenaar bij het opleggen van de leges.
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen. De rechtbank erkent de frustratie van belanghebbende, maar stelt dat de leges een vast bedrag zijn voor het in behandeling nemen van de aanvraag, ongeacht de uitkomst. Het college heeft werkzaamheden verricht en zal dat opnieuw moeten doen vanwege de vernietiging. Daarom is de aanslag leges terecht opgelegd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het griffierecht en proceskostenvergoeding af, en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag leges wordt ongegrond verklaard en de aanslag is terecht opgelegd.