Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3328

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/444362 / FA RK 26-414
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Kroon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging wegens onvindbaarheid betrokkene en ondoelmatigheid uitvoering

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 24 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en volledig uit beeld is.

Betrokkene was tweemaal correct opgeroepen via de Staatscourant, maar verscheen niet bij de zittingen. Zowel de advocaat als de behandelaar hadden geen contact met betrokkene en wisten niet waar hij zich momenteel bevindt. De behandelaar gaf aan dat een zorgmachtiging niet ten uitvoer kan worden gelegd zolang betrokkene onvindbaar is.

De officier van justitie verzocht de rechtbank te beslissen, hoewel hij het standpunt van de advocaat over de ondoelmatigheid van de machtiging onderschreef. De rechtbank oordeelde dat zolang betrokkene volledig uit beeld is, geen verplichte zorg kan worden geboden en de machtiging niet uitvoerbaar is.

Daarom wees de rechtbank het verzoek af zonder inhoudelijke beoordeling van de noodzaak of doelen van verplichte zorg. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen omdat betrokkene onvindbaar is en de machtiging niet uitvoerbaar en niet doelmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444362 / FA RK 26-414
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. R.T.A.G. Keller uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 23 januari 2026;
  • de oproeping in de Staatscourant van 3 februari 2026;
  • het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2026;
  • de oproeping in de Staatscourant van 20 februari 2026;
  • een update van de politiemutaties, ter zitting overgelegd.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft in eerste instantie plaatsgevonden op 11 februari 2026 bij de [accommodatie] te [plaats] . Bij die zitting is betrokkene, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen. De rechtbank heeft daarop de zaak aangehouden, waarbij de rechtbank kortheidshalve verwijst naar het proces-verbaal van de zitting van 11 februari 2026.
1.3.
Op 24 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak voortgezet tijdens zitting met gesloten deuren bij de [accommodatie] te [plaats] . Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord;
- de officier van justitie;
- de advocaat van betrokkene;
- de behandelaar, de heer [persoon] .
1.4.
Hoewel daartoe correct opgeroepen, te weten via de Staatscourant, is betrokkene opnieuw niet bij de zitting verschenen.

2.Wat vaststaat

2.1.
Betrokkene heeft geen bekende woon- of verblijfplaats. Zijn laatst bekende BRP-adres betreft een adres in [plaats] , gelegen binnen het arrondissement van deze rechtbank.
2.2.
Betrokkene is voor beide zittingen opgeroepen via de Staatscourant, maar is niet verschenen.

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden met de volgende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.

4.De standpunten

4.1.
De officier van justitie voert, samengevat, het volgende aan. Vanuit het Openbaar Ministerie is er contact geweest met Bemoeizorg. Bemoeizorg gaf te kennen geen contact meer met betrokkene te hebben gehad. Ook de familie van betrokkene heeft geen contact meer met hem kunnen krijgen. Er zijn wel recente politiemutaties waaruit blijkt dat betrokkene met de politie heeft gebeld op 27 februari 2026 in verband met het willen doen van aangifte vanwege een onterechte uithuiszetting. Sindsdien is van betrokkene niets meer vernomen. De officier van justitie kan het standpunt van de advocaat over de doelmatigheid van de machtiging volgen. Het verzoek zal niet worden ingetrokken, omdat het een aangehouden zaak betreft. De officier verzoekt de rechtbank op het verzoek te beslissen en begrijpt dat dit zal worden afgewezen gelet op de doelmatigheid.
4.2.
De behandelaar verklaart, samengevat, als volgt. Met betrokkene is er in de afgelopen periode geen contact geweest. Niet bekend is waar betrokkene momenteel verblijft en of hij überhaupt nog in Nederland is. Betrokkene is volledig uit contact. Dit maakt dat een zorgmachtiging niet uitgevoerd kan worden en daarmee niet doelmatig is. Zodra betrokkene weer op de radar verschijnt, kan worden gehandeld naar bevind van zaken. Er kan op dat moment een nieuwe zorgmachtiging worden aangevraagd.
4.3.
De advocaat voert, samengevat, aan dat hij geen contact met betrokkene heeft gehad. Ook voor hem is onbekend waar betrokkene nu is. De huidige situatie maakt dat een zorgmachtiging niet doelmatig is, omdat de zorgmachtiging niet ten uitvoer kan worden gelegd. Primair dient het verzoek dan ook te worden afgewezen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank zal het verzoek afwijzen en overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Hoewel betrokkene correct via de Staatscourant is opgeroepen en hij strikt genomen geacht wordt daar kennis van te nemen, is hij tweemaal niet bij de zitting verschenen. Noch de advocaat noch de zorgaanbieder hebben contact met betrokkene kunnen krijgen. Hij is niet in beeld en onduidelijk is waar hij momenteel verblijft. Ook is de vraag of betrokkene zich nog in Nederland bevindt. Onduidelijk is bovendien of en wanneer betrokkene terug in beeld komt. De behandelaar verklaart dat, al zou een zorgmachtiging worden verleend, deze niet ten uitvoer kan worden gelegd.
5.3.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet inhoudelijk toe aan een beoordeling voor en doelen van verplichte zorg in de zin van de wet. Zolang betrokkene volledig uit beeld is kan hem geen verplichte zorg worden geboden, wat maakt dat de zorgmachtiging niet uitvoerbaar is. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen en volgt daarin het standpunt van de advocaat.
5.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. De Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. Vos, als griffier en op schrift gesteld op 1 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.