ECLI:NL:RBZWB:2026:3331

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/434853 / JE RK 25-799
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve vaststelling van zorgregeling voor twee minderjarigen na uithuisplaatsing

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot wijziging van de zorg- en opvoedingstaken voor twee minderjarigen die onder toezicht staan en uit huis zijn geplaatst. De vader heeft het ouderlijk gezag en de kinderen verblijven bij hem. De voorlopige zorgregeling voorziet in wekelijkse omgang met de moeder op dinsdag of donderdag, onder regie van de GI.

Tijdens de zitting op 24 maart 2026 waren de GI, de moeder, de vader en diens advocaat aanwezig. De moeder wenst een ruimere omgang, bij voorkeur in het weekend, vanwege praktische knelpunten doordeweeks. De vader en GI vinden de huidige regeling werkbaar en in het belang van de kinderen. Een van de minderjarigen gaf aan behoefte te hebben aan duidelijkere communicatie met de moeder.

De kinderrechter oordeelt dat de voorlopige regeling goed aansluit bij de behoeften van de kinderen en rust en duidelijkheid biedt. Het voorstel van de moeder is onvoldoende onderbouwd en niet afgestemd met betrokkenen, waardoor wijziging niet wordt toegestaan. De huidige regeling wordt definitief vastgesteld en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De voorlopige zorgregeling wordt definitief vastgesteld en direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/434853 / JE RK 25-799
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 21 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
1.2.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder,
  • de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer
C/02/444902 / JE RK 26-229. Op dit zaaknummer wordt per separate beschikking beslist.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 4 april 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 april 2023 en tot 4 april 2024. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 april 2026.
2.3.
Bij beschikking van 12 december 2023 is een machtiging verleend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 december 2023 en tot 12 maart 2024. De machtiging is daarna telkens verlengd tot uiteindelijk tot 4 juli 2025.
2.4.
Bij beschikking van 21 februari 2024 heeft de kinderrechter de verdeling van de
zorg- en opvoedingstaken zoals overeengekomen in het aan de beschikking van deze
rechtbank d.d. 6 september 2018 gehechte ouderschapsplan gewijzigd en heeft bepaald dat
de zorgregeling er komt uit te zien als volgt:
Voor de duur van de uithuisplaatsing:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven om en om een week bij de vader en een week bij de grootouders mz;
- Het wisselmoment zal plaatsvinden op donderdag na school dan wel na de buitenschoolse activiteit;
- In de week dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders mz verblijven, heeft de moeder omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dinsdag van 15.00 t/m 17.00 uur, donderdag van 15.00 t/m 17.00 uur, vrijdag van 15.00 t/m 17.00 uur en zondag van 13.00 t/m 17.00 uur;
- De omgang van de moeder met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt zolang de GI dit nodig acht plaats in het bijzijn van de grootouders mz;
- Deze regeling treedt in werking op donderdag 29 februari 2024 bij het dan geldende wisselmoment, zodat het verblijf bij de betreffende verzorger alsdan op basis van deze nieuwe regeling plaatsvindt.
Na beëindiging van de uithuisplaatsing:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven om en om een week bij de vader en bij de moeder;
- Het wisselmoment zal plaatsvinden op donderdag na school dan wel na de
buitenschoolse activiteit;
- Deze regeling treedt in werking op de eerste donderdag na beëindiging van de
uithuisplaatsing bij het alsdan geldende wisselmoment, zodat het verblijf bij de
betreffende verzorger alsdan op basis van deze nieuwe regeling plaatsvindt.
2.5.
Bij beschikking van 10 juli 2024 is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, onder het tweede en derde aandachtsstreepje in het deel betreffende de lopende ondertoezichtstelling gewijzigd en als volgt bepaald:
- in de week dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders mz verblijven, de moeder omgang heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dinsdag van 15.00 uur -17.00 uur bij de moeder thuis onder begeleiding van [zorgorganisatie] en op vrijdag van 15.00 uur -17.00 uur de moeder omgang heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder begeleiding van [zorgorganisatie] , zolang de GI dat nodig acht;
- het wisselmoment zal plaatsvinden op vrijdag na de omgangsmomenten met de moeder;
- de regie over de uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt aan de GI toebedeeld;
- De verdeling wordt voor het overige gehandhaafd en de treedt in werking vanaf
23 augustus 2024 bij het dan geldende wisselmoment.
2.6.
Bij beschikking van 21 januari 2026 heeft de kinderrechter de beschikking van 10 juli 2024 gewijzigd en bepaald dat ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de navolgende voorlopige regeling geldt:
- elke week hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omgang met moeder; in de ene week op
dinsdag van 15.00 - 17.00 uur en in de andere week op donderdag van 15:00 – 17:00 uur bij de moeder thuis.
- de regie over de uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] of de wijziging van de dagen/tijdstippen wordt voorlopig in handen van de GI gelegd.
- De definitieve beslissing ten aanzien van het verzoek van de GI is
aangehouden.
2.7.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vader.

3.Het resterende verzoek

3.1.
De GI verzoekt – na wijziging – de door de kinderrechter op 10 juli 2024 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt te wijzigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren:
- elke week hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omgang met moeder; in de ene week op dinsdag van 15.00 - 17.00 uur en in de andere week op donderdag van 15:00 – 17:00 uur bij de moeder thuis.
- de regie over de uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt aan de GI toebedeeld.
3.2.
Thans ligt nog ter beoordeling voor de definitieve beslissing op het verzoek van de GI.

4.De nadere standpunten

4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting het resterende deel van het verzoek in die zin dat de huidige omgangsregeling in de basis werkbaar is en aansluit bij de huidige situatie van de kinderen. Er zijn geen concrete signalen dat een verdere aanpassing noodzakelijk is. Er heeft verder ook geen gezamenlijk overleg met de ouders plaatsgevonden en de ouders hebben geen knelpunten teruggekoppeld. De zorgregeling verloopt overwegend goed. De GI vindt het van belang dat de bestaande lijn wordt voortgezet en dat de huidige vastgestelde zorgregeling definitief wordt vastgelegd.
4.2.
De moeder geeft tijdens de zitting aan dat de omgangsmomenten op zichzelf goed verlopen maar dat zij in de uitvoering knelpunten ervaart door schooltijden, bereikbaarheid en praktische omstandigheden met name bij [minderjarige 2] . De moeder wenst een meer passende en ruimere invulling van het contact bij voorkeur in het weekend zodat er meer rust en tijd is. Volgens de moeder worden de kinderen op die manier minder belast door doordeweekse verplichtingen.
4.3.
Door en namens de vader wordt tijdens de zitting aangegeven dat de huidige zorgregeling goed functioneert en in het belang van de kinderen is. De vader ziet geen noodzaak tot wijziging van de zorgregeling en geeft aan dat de huidige regeling rust en duidelijkheid biedt. Een weekendregeling vindt de vader niet wenselijk mede vanwege de praktische invulling en de thuissituatie bij de moeder. De vader verzoekt de bestaande regeling ongewijzigd voort te zetten en definitief vast te leggen.
4.4.
[minderjarige 1] geeft in het gesprek met de kinderrechter aan dat het contact met haar moeder over het algemeen goed verloopt maar dat zij behoefte heeft aan duidelijkere en tijdige communicatie. [minderjarige 1] vindt het vervelend als haar moeder niet reageert op berichten of afspraken niet duidelijk bevestigt. [minderjarige 1] kiest er bewust voor om discussies hierover te vermijden maar zou het prettig vinden als haar moeder meer initiatief neemt om duidelijker te communiceren.

5.De nadere beoordeling

5.1.
De kinderrechter overweegt dat de huidige voorlopige zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de praktijk goed verloopt en aansluit bij de behoeften van de minderjarigen. Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tevreden zijn over de frequentie en invulling van het contact en dat deze regeling rust en duidelijkheid biedt. Juist deze duidelijkheid vindt de kinderrechter voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelet op hun voorgeschiedenis en kwetsbaarheid van groot belang.
5.2.
De kinderrechter stelt verder vast dat het door de moeder gedane voorstel tijdens de zitting tot wijziging van de voorlopige zorgregeling onvoldoende is onderbouwd en niet is afgestemd met de andere betrokkenen. Voor een wijziging van een zorgregeling is vereist dat de ouders hierover tijdig overleg voeren en zorgvuldig bekijken hoe een aanpassing past binnen het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de betrokken gezinnen. Van een dergelijk proces is geen sprake geweest. Het voorstel van de moeder moet daarom worden gepasseerd.
5.3.
Gelet hierop vindt de kinderrechter het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de huidige voorlopige zorgregeling wordt voortgezet en definitief wordt vastgelegd. Daarbij geldt dat van de ouders verwacht mag worden dat zij met de nodige souplesse omgaan met de uitvoering hiervan indien de omstandigheden daarom vragen zonder dat dit afbreuk doet aan de structuur en duidelijkheid van de zorgregeling. De kinderrechter benadrukt dat rust en stabiliteit voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop staan. Indien in de komende periode nieuwe inzichten ontstaan, moeten de ouders deze eerst zorgvuldig met elkaar en met betrokkenheid van de GI te bespreken. Pas na een eventuele overeenstemming kan een wijziging worden overwogen. Zonder die gezamenlijke basis is er geen ruimte voor een aanpassing van de zorgregeling. De kinderrechter zal daarom de huidige voorlopige zorgregeling definitief vaststellen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De verdere beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt dat ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de voorlopige regeling zoals bepaald in de tussenbeschikking van 21 januari 2026 als definitief zal worden vastgesteld. Deze regeling luidt als volgt:
elke week hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omgang met moeder; in de ene week op dinsdag van 15.00 - 17.00 uur en in de andere week op donderdag van 15:00 - 17:00 uur bij de moeder thuis.
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.