Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3332

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/444783 / KG ZA 26-62
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en wijziging ouderschapsplan over zorg- en contactregeling minderjarige kinderen

Partijen, voormalig gehuwd en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over twee minderjarige kinderen, hebben een ouderschapsplan opgesteld waarin afspraken zijn gemaakt over de zorg- en opvoedingstaken. De kinderen verblijven bij de moeder en hebben contactmomenten met de vader, waaronder om de veertien dagen een weekendverblijf en wekelijkse video-belcontacten.

De moeder vordert nakoming van het ouderschapsplan omdat de vader de afspraken structureel niet nakomt, met name het contact via video-bellen. De vader betwist dit en stelt dat hij de afspraken nakomt, behalve incidenteel wegens ziekte of familieomstandigheden, en dat het video-contact niet plaatsvindt omdat hij de kinderen regelmatig persoonlijk ziet.

De voorzieningenrechter constateert dat partijen het woord tegen elkaar houden en dat de Raad voor de Kinderbescherming geen eenduidige vaststelling kan doen. Wel is er overeenstemming over het positieve contact tussen vader en kinderen en het belang van de afspraken. De haal- en brengregeling wordt gewijzigd zodat de vader de kinderen ophaalt en terugbrengt, en het video-contact wordt verplaatst naar maandagavond zonder bemoeienis van de moeder.

De voorzieningenrechter wijzigt het ouderschapsplan overeenkomstig deze afspraken, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst de vordering tot oplegging van een dwangsom af, gelet op het belang van een goede verstandhouding tussen ouders. Kosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Het ouderschapsplan wordt gewijzigd en de nieuwe zorg- en contactregeling vastgesteld, met directe uitvoerbaarheid en zonder dwangsom.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaakgegevens: C/02/444783 / KG ZA 26-62
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Vonnis in kort geding tot nakoming ouderschapsplan over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. A. Hayaty te Den Haag,
tegen
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. P.R. Klaver te Bergen op Zoom,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] , Marokko,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen in conventie en in reconventie geadviseerd.

1.De procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • de op 12 februari 2026 betekende dagvaarding, met de producties 1 t/m 10;
  • de op 6 maart 2026 ontvangen conclusie van antwoord, met daarin een eis in reconventie, met de producties 1 t/m 3.
1.2.
Op 10 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak ter zitting mondeling behandeld met gesloten deuren omdat het belang van de minderjarigen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens die zitting zijn verschenen en gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Hayaty en de heer [persoon] , tolk in de Marokkaans-Arabische taal (met tolkennummer [nummer]);
  • de man, bijgestaan door mr. Klaver;
  • twee vertegenwoordigsters namens de Raad.
1.4.
[minderjarige 1] heeft, gezien zijn leeftijd, het recht om zijn mening in deze zaak te geven. Hij is daarom uitgenodigd om aan te geven of hij behoefte heeft om zijn mening schriftelijk of tijdens een gesprek met de rechter te geven. [minderjarige 1] heeft het antwoordformulier teruggestuurd en daarop aangekruist dat hij niet op gesprek komt en dat hij geen brief schrijft.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn tijdens het huwelijk van partijen geboren.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw.
2.4.
Partijen hebben onder leiding van [jeugdhulp] afspraken gemaakt over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , welke zij hebben neergelegd in een door hen beiden op 31 mei 2022 ondertekend ouderschapsplan. Hierin is, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw (artikel 2.1);
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven eenmaal per veertien dagen in het weekend van vrijdag 16.30 uur tot zondag 18.30 uur bij de man, waarbij de vrouw hen brengt naar de man en de man hen weer terugbrengt naar de vrouw (artikelen 3.1 en 3.2);
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben elke woensdagavond om 18.00 uur via (video)bellen contact met de man en tijdens de vakanties met de vrouw als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar behoefte aan hebben (artikel 3.3);
  • Alle belangrijke zaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen niet eerder dan na overleg tussen partijen genomen worden. De beslissingen waar beide ouders voor verantwoordelijk zijn, worden altijd met de andere ouder overlegd (per telefoon of via persoonlijk overleg) (artikel 3.4).
2.5.
Partijen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Nederlandse nationaliteit en zij wonen en hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.

3.De vorderingen in conventie en in reconventie

3.1.
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
  • de man te gelasten tot nakoming van de in het ouderschapsplan overeengekomen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , op basis waarvan zij in de oneven weken van vrijdag 16.30 uur tot en met zondag circa 18.30 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw hen brengt naar de man en de man hen weer terugbrengt naar de vrouw;
  • de man te gelasten de wekelijkse belmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op woensdagavond 18.00 uur stipt na te komen;
  • de man te veroordelen tot nakoming van dit vonnis op straffe van een dwangsom van € 50,= per dag voor iedere dag dat hij in gebreke blijft, met een maximum van
  • € 10.000,=;
  • de man te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
Namens en door de vrouw is daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De man komt de afspraken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals partijen met elkaar zijn overeengekomen in het ouderschapsplan, structureel niet na. Het komt namelijk regelmatig voor dat de man het contactmoment, al dan niet op het allerlaatste moment, afzegt of dat de vrouw samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , nadat zij via het OV naar de woning van de man zijn gereisd, voor een dichte deur staan. De contacten tussen de man en de kinderen via (video)bellen vinden nooit plaats, terwijl [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar wel behoefte aan hebben. Soms hebben zij gedurende anderhalve maand geen contact met elkaar. Doordat de man de afspraken structureel niet nakomt, verkeren [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortdurend in onzekerheid en worden zij meermaals teleurgesteld. Partijen hebben momenteel enkel via e-mail contact met elkaar. De vrouw kan de man telefonisch niet bereiken. De vrouw vindt dit onwenselijk omdat zij de man in geval van nood direct moet kunnen bereiken. Dat de man aangeeft dat hij meer doet dan dat hij volgens de afspraken uit het ouderschapsplan zou moeten doen, ontslaat hem naar de mening van de vrouw niet van zijn verplichting om de gemaakte afspraken na te komen. Nu de man de afspraken uit het ouderschapsplan structureel niet nakomt, waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden belast, stelt de vrouw dat zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen in conventie heeft. Vanaf het moment dat de vrouw deze kortgedingprocedure aanhangig heeft gemaakt, is de man de zorg- en contactregeling tussen hem en de kinderen correct nagekomen. De regeling over de contacten via (video)bellen komt hij echter nog steeds niet na.
3.3.
Namens en door de man is verweer gevoerd tegen de vorderingen in conventie van de vrouw. De man verzoekt om deze vorderingen af te wijzen.
3.4.
De man verzoekt daarnaast bij vonnis in kort geding in reconventie, samengevat,
  • de vrouw te gelasten om het ouderschapsplan volledig en correct na te komen, althans een voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht;
  • de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.
3.5.
Namens en door de man is daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De man stelt dat hij de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt en neergelegd in het ouderschapsplan, nakomt en dat hij buiten die afspraken om ook contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft. Deze contacten verlopen volgens de man positief. Wel heeft de man incidenteel afspraken moeten afzeggen vanwege ziekte of familieomstandigheden. De man stelt daarnaast dat hij communiceert met de vrouw en dat hij reageert als zij hem wat vraagt. De man betwist dan ook dat de vrouw en de kinderen structureel voor een dichte deur hebben gestaan. De man heeft hier in ieder geval nooit kwade bedoelingen bij gehad. Voor zover er misverstanden zijn ontstaan, is dit volgens de man het gevolg geweest van miscommunicatie. Omdat telefonisch contact tussen partijen regelmatig tot spanningen en frustraties leidt, wil de man enkel via de e-mail met de vrouw communiceren. Dit neemt niet weg dat de vrouw altijd contact met hem kan en mag opnemen als het over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat. De man erkent dat er al langere tijd geen contact is geweest tussen hem en de kinderen via (video)bellen. De man heeft daar echter geen behoefte aan omdat hij de kinderen al meerdere keren per week ziet en hij op de woensdagen (wanneer het belcontact zou moeten plaatsvinden) al met hen meegaat naar kaboutervoetbal. Daar komt nog bij dat de man in het verleden heeft ervaren dat de kinderen tijdens de (video)belcontacten worden gemanipuleerd door de vrouw.
Aangezien de man de overeengekomen zorg- en contactregeling tussen hem en de kinderen structureel nakomt (behalve wanneer er sprake is van onmacht) en de (video)belcontacten al langere tijd niet meer plaatsvinden, stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw onvoldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen in conventie heeft, althans dat deze vorderingen dienen te worden afgewezen. Ook waren partijen op het moment dat de vrouw deze kortgedingprocedure is gestart nog met elkaar in overleg over de onderwerpen in dit geding, waardoor deze procedure niet nodig is (geweest). De man vindt de gevorderde dwangsom niet in het belang van de kinderen omdat voorkomen moet worden dat de verstandhouding tussen partijen verder verhardt en dat de kinderen daarvan de dupe worden. De man ziet tot slot geen meerwaarde in het doorlopen van een hulpverleningstraject, gericht op het verbeteren van de onderlinge communicatie en op de samenwerking tussen partijen, zoals de Raad voorstelt. Partijen hebben namelijk een forse hulpverleningsgeschiedenis (ruim tien jaren). De man wil zich graag richten op wat belangrijk is en wat wel goed gaat: (het contact met) zijn kinderen.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie, zullen deze vorderingen hierna gezamenlijk worden behandeld.
4.3.
De eerste vraag die de voorzieningenrechter heeft te beantwoorden, is of partijen een voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen (in conventie en in reconventie) (artikel 254 Rv Pro). Hoewel het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen in conventie is betwist door de man, zal de voorzieningenrechter, met het oog op de overeenstemming die partijen in deze procedure hebben bereikt, zoals de voorzieningenrechter hierna verder uiteen zal zetten, aannemen dat beide partijen een voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben (dus in conventie en in reconventie).
4.4.
Namens de Raad is ter zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad kan op basis van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, niet vaststellen of de afspraken, zoals partijen hebben gemaakt en neergelegd in het door hen beiden ondertekende ouderschapsplan, al dan niet structureel worden nagekomen. Het is wat dat betreft het woord van de vrouw tegen dat van de man. De Raad benoemt dat er zich altijd situaties zullen voordoen waardoor een contactafspraak, al dan niet op het laatste moment, niet kan doorgaan. Van partijen wordt dan ook enige flexibiliteit verwacht. Van belang is dat partijen, indien zich zo’n situatie voordoet, elkaar hierover op een goede manier en tijdig informeren. De Raad vindt het in ieder geval positief dat beide partijen hebben aangegeven dat dat zij beiden vinden dat de contacten tussen de man en de kinderen op zichzelf positief verlopen en dat zij nog steeds achter de door hen gemaakte afspraken staan. Om te voorkomen dat de kinderen voor een dichte deur komen te staan bij de woning van de man, stelt de Raad voor om de haal- en brengregeling om te draaien, in die zin dat de man de kinderen voortaan bij de vrouw ophaalt en dat de vrouw hen weer terugbrengt naar de man. Nu duidelijk is dat de communicatie en de samenwerking tussen partijen verbetering behoeft, zou het volgens de Raad goed zijn als partijen hiervoor hulpverlening aangaan (mits zij daar beiden voor open staan). De Raad adviseert tot slot aan de vrouw om zich te richten op wat de kinderen nodig hebben in plaats van op een strike nakoming van de afspraken door de man.
4.5.
Naar aanleiding van wat er tijdens de zitting is gezegd, waaronder het advies van de Raad, heeft de vrouw aangegeven dat het voor haar niet mogelijk is om de haal- en brengregeling om te draaien omdat zij afhankelijk is van reizen via het OV en de reismogelijkheden op de zondagen beperkt zijn in het dorp waar zij woont. De man heeft daarop gereageerd dat hij bereid is om, in het kader van de zorg- en contactregeling tussen hem en de kinderen, het halen én het brengen van de kinderen voor zijn rekening te nemen. De vrouw heeft daarmee ingestemd. Daarnaast hebben beide partijen ermee ingestemd dat de regeling over het contact tussen de man en de kinderen via (video)bellen wordt gewijzigd, in die zin dat dit contact voortaan wekelijks op maandagavond om 18.00 plaatsvindt. De kinderen zullen op dat moment met elkaar, zonder de vrouw, in een ruimte aanwezig zijn. De vrouw zal zich op die momenten niet met de kinderen en de man bemoeien of de kinderen anderszins beïnvloeden. Hetzelfde geldt als de kinderen (bijvoorbeeld tijdens de vakanties) op maandagavond bij de man verblijven en zij via (video)bellen contact hebben met de vrouw. De voorzieningenrechter benadrukt hierbij dat het (video)belcontact, indien gewenst, niet altijd lang hoeft te duren. Het gaat erom dat de kinderen wekelijks even contact hebben met de ouder bij wie zij op dat moment niet verblijven. Nu de kinderen daar kennelijk behoefte aan hebben, zou het jammer zijn als dat niet kan en zal plaatsvinden.
4.6.
Gelet op voormelde overeenstemming tussen partijen, ziet de voorzieningenrechter de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie als dienovereenkomstig gewijzigd en zal zij deze gewijzigde vorderingen toewijzen, in die zin dat zij de ter zitting gemaakte afspraken tussen partijen zal vaststellen onder de wijziging van het door partijen ondertekende ouderschapsplan en de daarin neergelegde afspraken en regelingen.
4.7.
De voorzieningenrechter benadrukt hierbij nog het volgende.
Het is belangrijk dat partijen goed met elkaar blijven communiceren over de kinderen en dat zij het (tijdig) aan elkaar zullen doorgeven als een contactmoment onverhoopt niet kan doorgaan. Daarbij geldt dat partijen altijd in goed onderling overleg afwijkende afspraken met elkaar kunnen maken als zij het daar beiden mee eens zijn. Dit zullen zij, in het belang van de kinderen, ook moeten doen. Naar mate de kinderen ouder worden, zullen hun wensen en behoeften immers voortdurend veranderen. Een verdeling van de zorg- en contactregeling is dan ook nooit in beton gegoten. Ook om die reden is het van belang dat partijen op een goede manier met elkaar zullen blijven communiceren over de kinderen.
4.8.
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de vrouw in conventie is gevorderd. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en door beide partijen moet worden uitgevoerd, en dat een eventueel hoger beroep deze beslissing niet schorst.
4.9.
Gezien de bereikte overeenstemming gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat beide partijen zich aan deze beslissing zullen houden. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden om de man te veroordelen tot nakoming daarvan op straffe van een dwangsom, zoals door de vrouw in conventie is gevorderd. Deze vordering zal daarom worden afgewezen. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat in familierechtelijke zaken in beginsel terughoudend moet worden omgegaan met het opleggen van een dwangsom omdat dit de verstandhouding tussen ouders vaak alleen maar verslechtert.
4.10.
In hetgeen over en weer namens partijen is aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter tot slot geen aanleiding om één van hen te veroordelen in de kosten en de nakosten van dit geding en om daarbij af te wijken van het uitgangspunt in familierechtelijke zaken dat de kosten van partijen tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter zal dit dan ook op onderstaande wijze bepalen.
4.11.
Het meer of anders gevorderde (in conventie en in reconventie) zal worden afgewezen.

5.De beslissing in conventie en in reconventie

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijzigt het op 31 mei 2022 door beide partijen ondertekende ouderschapsplan en de daarin neergelegde afspraken en regelingen voor zover deze zien op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de regeling over het (video)belcontact tussen hen en de man;
5.2.
stelt vast, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
  • dat de kinderen in de oneven weken van vrijdag 16.30 uur tot en met zondag circa 18.30 uur bij de man verblijven, waarbij de man zorgt voor het halen en het brengen van de kinderen in het kader van deze regeling;
  • dat de kinderen wekelijks op maandagavond om 18.00 uur via (video)bellen contact hebben met de man,
een en ander met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverwegingen 4.5 en 4.7 is overwogen;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Bogaert, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Wallerbos als griffier.