Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3335

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/424583 / FA RK 24-3244
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling kosten DNA-onderzoek en vaststelling vaderschap met afwijzing kinderalimentatieverzoek

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het vaderschap van de man over de minderjarige gerechtelijk vastgesteld. De procedure betrof onder meer de verdeling van de kosten van het DNA-onderzoek dat hiervoor is verricht. De deskundige heeft de kosten definitief begroot op €755 inclusief BTW. De vrouw had reeds €60 betaald voor het verzetten van een afspraak, maar dit bedrag valt buiten de begroting.

De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat in afstammingszaken de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek volledig ten laste komen van de in het ongelijk gestelde partij. Gezien de uitkomst van het DNA-onderzoek en de vaststelling van het vaderschap, wordt de man als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot betaling van de volledige kosten van €755.

Het verzoek van de vrouw om een regeling voor kinderalimentatie vast te stellen is ingetrokken vanwege het onbereikbare gedrag van de man, waardoor de rechtbank dit verzoek niet meer kan behandelen en afwijst. De proceskosten worden tussen partijen verdeeld, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.

De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en informeert partijen over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot betaling van de volledige kosten van het DNA-onderzoek en het verzoek tot kinderalimentatie wordt afgewezen wegens intrekking.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/424583 / FA RK 24-3244
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Nadere beschikking over verdeling kosten DNA-onderzoek
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: voorheen mr. J. van Appia te Amsterdam (onttrokken per 16 mei 2025),
thans zonder advocaat,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023,
hierna te noemen: [minderjarige] .

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven nadere beschikking van deze rechtbank van 3 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het F9-formulier van 2 maart 2026 van mr. Klootwijk.

2.De nadere beoordeling

2.1.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven nadere beschikking van 3 februari 2026. Bij deze beschikking is, voor zover hier nu van belang, het vaderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk vastgesteld. De beslissing over de vaststelling van de kosten van het DNA-onderzoek dat in deze zaak is verricht en over de verdeling van die kosten tussen partijen is aangehouden vanwege onduidelijkheid hierover. Aan partijen is verzocht om uiterlijk op 3 maart 2026 pro forma de rechtbank hierover (nader) te informeren. Daarnaast is aan partijen verzocht om hun standpunt kenbaar te maken over het door hen gewenste verdere procesverloop met betrekking tot het nog voorliggende verzoek van de vrouw om een regeling vast te stellen over het door de man aan de vrouw periodiek te betalen bedrag aan kinderalimentatie betreffende [minderjarige] .
2.2.
In voormeld F9-formulier van 2 maart 2026 heeft mr. Klootwijk, namens de vrouw, onder meer het volgende aangegeven. De vrouw was er niet van op de hoogte dat de kosten van het DNA-onderzoek nog niet in rekening zijn gebracht. De vrouw heeft met betrekking tot het DNA-onderzoek al € 60,= betaald, omdat er een afspraak moest worden uitgesteld. De vrouw stelt daarnaast dat partijen voorafgaand aan het onderzoek hebben afgesproken dat de man de volledige kosten daarvan voor zijn rekening zou nemen. De vrouw heeft tot slot geprobeerd om afspraken te maken met de man over een regeling betreffende kinderalimentatie, maar dit is niet gelukt. De man is namelijk onbereikbaar. Gelet hierop heeft mr. Klootwijk het verzoek van de vrouw betreffende kinderalimentatie ingetrokken.
2.3.
De man heeft na het verstrijken van voormelde pro forma datum (en tot op heden) niet gereageerd.
2.4.
Naar aanleiding van het voorgaande, overweegt de rechtbank als volgt.
Vaststelling en verdeling kosten DNA-onderzoek
2.5.
De deskundige heeft de kosten van het DNA-onderzoek reeds definitief begroot op € 755,= (inclusief BTW). De vrouw heeft al € 60,= betaald, maar dit heeft zij gedaan om een afspraak te verplaatsen. Dit betreft dus kennelijk een bedrag dat buiten de begroting om, dus extra, is gedeclareerd aan de vrouw. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het door de deskundige definitief begrote bedrag. De rechtbank stelt de kosten van het DNA-onderzoek in deze procedure derhalve definitief vast op € 755,= (inclusief BTW).
2.6.
De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek tussen partijen worden gecompenseerd. De deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden in beginsel geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij gebracht. Gelet op de uitkomst van het DNA-onderzoek en de beslissing in deze zaak, namelijk dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verwekker van [minderjarige] is en dat de rechtbank, met het oog daarop, het vaderschap van [minderjarige] reeds gerechtelijk heeft vastgesteld, zal de rechtbank de man als “de in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de volledige kosten van het DNA-onderzoek. Het voorgaande betekent dat de man een bedrag van € 755,= (inclusief BTW) dient te voldoen. Voormeld bedrag dient hij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).
Kinderalimentatie
2.7.
Nu de vrouw haar verzoek tot het vaststellen van een regeling over kinderalimentatie heeft ingetrokken, kan dit verzoek niet meer worden onderzocht door de rechtbank. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
Verdeling proceskosten
2.8.
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure, zal de rechtbank de kosten van partijen in deze procedure tussen hen verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.9.
Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
stelt de kosten van de deskundige vast op € 755,= (inclusief BTW);
3.2.
bepaalt dat de man de kosten van de deskundige moet voldoen, zijnde een bedrag van € 755,= (inclusief BTW), welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan;
3.3.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Sumner, rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.