De gecertificeerde instelling (GI) heeft op 28 december 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de vader van een minderjarige die onder toezicht is gesteld. Deze aanwijzing betrof het opnemen van contact en medewerking aan hulpverlening voor 19 januari 2026. De vader is echter onbereikbaar gebleven en heeft niet aan de aanwijzing voldaan.
De GI verzocht de kinderrechter om deze schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tijdens de zitting was de moeder aanwezig, die aangaf geen zicht te hebben op de verblijfplaats of betrokkenheid van de vader. De vader was opgeroepen maar niet verschenen.
De kinderrechter oordeelde dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand was gekomen en aan de vereisten van behoorlijk bestuur voldeed. Echter, omdat de termijn voor naleving was verstreken en de vader niet bereikbaar was, had het verzoek tot bekrachtiging geen praktisch belang meer. Daarom werd het verzoek afgewezen.
De ondertoezichtstelling van de minderjarige loopt nog door tot 8 augustus 2026, waarbij de vader en moeder gezamenlijk het gezag uitoefenen. De beslissing is mondeling gegeven op 24 maart 2026 en schriftelijk vastgelegd op 7 april 2026. Tegen deze eindbeslissing is geen hoger beroep mogelijk.