Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3339

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/444939 / JE RK 26-239
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 4.1.3 JeugdwetArt. 1:3 AwbArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot bekrachtiging schriftelijke aanwijzing vader in ondertoezichtstelling

De gecertificeerde instelling (GI) heeft op 28 december 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de vader van een minderjarige die onder toezicht is gesteld. Deze aanwijzing betrof het opnemen van contact en medewerking aan hulpverlening voor 19 januari 2026. De vader is echter onbereikbaar gebleven en heeft niet aan de aanwijzing voldaan.

De GI verzocht de kinderrechter om deze schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tijdens de zitting was de moeder aanwezig, die aangaf geen zicht te hebben op de verblijfplaats of betrokkenheid van de vader. De vader was opgeroepen maar niet verschenen.

De kinderrechter oordeelde dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand was gekomen en aan de vereisten van behoorlijk bestuur voldeed. Echter, omdat de termijn voor naleving was verstreken en de vader niet bereikbaar was, had het verzoek tot bekrachtiging geen praktisch belang meer. Daarom werd het verzoek afgewezen.

De ondertoezichtstelling van de minderjarige loopt nog door tot 8 augustus 2026, waarbij de vader en moeder gezamenlijk het gezag uitoefenen. De beslissing is mondeling gegeven op 24 maart 2026 en schriftelijk vastgelegd op 7 april 2026. Tegen deze eindbeslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing aan de vader wordt afgewezen omdat de termijn is verstreken en de vader niet heeft meegewerkt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444939 / JE RK 26-239
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder,
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter constateert dat de vader is opgeroepen maar niet is verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 8 augustus 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht
gesteld, zulks met ingang van 8 augustus 2023 en tot 8 augustus 2024. De
ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 8 augustus 2026.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2023 is de vader gezamenlijk
met de moeder met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast. In de genoemde beschikking is
ook bepaald dat de vader en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van (begeleid) contact dat moet worden
opgebouwd zoals overwogen in rechtsoverweging 2.10.8 van die beschikking, waarbij de
concrete invulling van die verdeling en de verdeling van de vakantie- en feestdagen aan
partijen en de GI wordt overgelaten.
2.3.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.4.
De GI heeft op 28 december 2025 een schriftelijke aanwijzing aan de vader gegeven. Hierin is het volgende opgenomen:
  • u neemt voor 19 januari 2026 contact op met de jeugdbeschermers rondom het traject van de MASIC zodat deze opnieuw aangevraagd kan worden;
  • u maakt voor 19 januari 2026 een afspraak met [hulpverlening] . Na deze afspraak plant u hier
wekelijks een afspraak mee in en biedt u uw medewerking.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 28 december 2025.
3.2.
De GI verzoekt ook de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek en stelt zich op het standpunt dat zij alle mogelijke inspanningen heeft verricht om de vader te bereiken en hem in beweging te krijgen. De schriftelijke aanwijzing is via het laatst bekende e-mailadres verzonden maar de ontvangst hiervan is niet bevestigd en een postadres ontbreekt. Waar de vader voorheen via dit e-mailadres reageerde, is hij inmiddels volledig uit beeld geraakt en reageert hij noch op de GI, noch op betrokken hulpverlening, waaronder [hulpverlening] . De GI geeft aan dat het verzoek tot bekrachtiging mede is ingediend om aan te tonen dat alle noodzakelijke stappen zijn gezet. Tegelijkertijd begrijpt de GI dat daadwerkelijke voortgang pas mogelijk is wanneer opnieuw contact met de vader tot stand komt. Dit met name nu de hulpverlening al is afgesloten en er eerst duidelijkheid moet komen over de betrokkenheid van de vader.
4.2.
De moeder geeft tijdens de zitting aan dat zij geen enkele duidelijkheid heeft over de verblijfplaats van de vader heeft. Ook heeft zij geen verwachtingen voor wat betreft zijn betrokkenheid. De moeder vindt de situatie belastend nu zij alleen verantwoordelijk is voor alle contacten en procedures. Tegelijkertijd benadrukt de moeder dat het naar omstandigheden beter gaat met [minderjarige] en dat er passende ondersteuning is ingezet, onder meer gericht op emotieregulatie. De moeder hoopt vooral dat er op termijn duidelijkheid en stabiliteit ontstaat.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:263, eerste lid, BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Ingevolge het derde lid kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
De beoordeling
5.3.
De kinderrechter overweegt dat een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. Tevens dient de schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht.
Formaliteiten schriftelijke aanwijzing
5.4.
Op 28 december 2025 heeft de GI de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven. Hierin wordt de vader verzocht om, kort gezegd, voor 19 januari 2026 contact op te nemen met de jeugdbeschermers rondom het traject van de MASIC zodat deze opnieuw aangevraagd kan worden en dat de vader voor 19 januari 2026 een afspraak met [hulpverlening] maakt waarna wekelijks een afspraak moet worden ingepland.
5.5.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 28 december 2025 met inachtneming van bovengenoemde algemene voorschriften van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen en gegeven. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig is voorbereid.
De verdere beoordeling
5.6.
De kinderrechter overweegt verder dat ten aanzien van [minderjarige] sprake is van een situatie waarin noodzakelijke hulpverlening nog niet van de grond is gekomen, mede doordat de vader gedurende langere tijd geen enkele medewerking heeft verleend en onbereikbaar is gebleken voor zowel de GI als betrokken hulpverleningsinstanties. Hierdoor is het inzetten van passende hulp en het verkrijgen van duidelijkheid over de situatie rondom de vader niet mogelijk gebleken. Verder stelt de kinderrechter vast dat de aan de vader gegeven schriftelijke aanwijzing, inhoudende onder meer het opnemen van contact en het meewerken aan hulpverlening voor 19 januari 2026 niet is nagekomen en dat de gestelde termijn inmiddels is verstreken. Daarbij komt dat de verblijfplaats van de vader al langere tijd onbekend is en er geen contact met hem kan worden verkregen.
5.7.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing thans geen praktisch belang meer dient. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
5.8.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de GI af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).