Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3340

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/443482 / JE RK 25-2315
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2019 en 2021, voor een periode van zes maanden. De kinderen verblijven sinds januari 2026 in een pleeggezin, maar de Raad en de gecertificeerde instelling (GI) stelden voor om hen te plaatsen in een moeder-kindhuis vanwege de problematiek van de moeder.

De moeder woont in het moeder-kindhuis en volgt een verslavingsbehandeling. De Raad en GI benadrukken de noodzaak van intensieve begeleiding, onverwachte alcohol- en drugstests, en het inzetten van een NIKA-traject om de hechtingsrelatie te verbeteren. De moeder toont positieve ontwikkelingen, is sinds juli 2025 abstinent en staat open voor hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging niet noodzakelijk is omdat het moeder-kindhuis een veilige en stabiele opvoedomgeving biedt. De kinderen kunnen daar samen met de moeder wonen, wat in hun belang is. De rechter wijst het resterende verzoek af en stelt dat de kinderen eerder dan de machtiging eindigt bij de moeder kunnen terugkeren. De vader, die in het buitenland woont, is weinig betrokken.

De GI krijgt opdracht om de doelen van de ondertoezichtstelling aan te passen, met focus op veiligheid, stabiliteit, hechting, verslavingszorg en terugvalpreventie. De beslissing is op 24 maart 2026 genomen en schriftelijk vastgelegd op 7 april 2027.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen en de kinderen kunnen eerder terugkeren naar het moeder-kindhuis.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443482 / JE RK 25-2315
Datum uitspraak: 24 maart 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VAN DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
hierna te noemen: de Raad,
locatie Breda,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. S. van Steenberge te Terneuzen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een voor de rechtbank onbekend adres in het buitenland,
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;
  • het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 17 maart 2026;
  • het bericht van mr. Van Steenberge met bijlagen, ontvangen op 20 maart 2026.
1.2.
Op 24 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat (eerstgenoemde via Teams);
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
Aan mevrouw [persoon] , begeleidster van de moeder uit het moederkindhuis, is bijzondere toestemming verleend om bij de zitting aanwezig te zijn. [persoon] heeft deelgenomen aan de zitting via Teams.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 19 januari 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 januari 2026 en tot 19 januari 2027. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsvervangende omgeving verleend met ingang van 19 januari 2026 en tot 19 april 2026. Het resterende deel van het verzoek van de Raad is aangehouden.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van de laatstgenoemde machtiging in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels beslist op dit verzoek. Ter beoordeling ligt nog voor het resterende deel van het verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsvervangende omgeving te verlenen met ingang van 19 april 2026 en tot 19 juli 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad is van oordeel dat het restant van het verzoek moet worden afgewezen. Gelet op het feit dat de kinderen maar tot mei in het huidige pleeggezin kunnen blijven en dat de kinderen de moeder heel erg missen, vindt de Raad het begrijpelijk dat de GI de kinderen bij de moeder in het moeder-kindhuis wil plaatsen. De Raad maakt zich echter wel zorgen over de problematiek van de moeder en vindt het belangrijk dat de moeder en de GI aan de slag blijven gaan met een aantal punten. Allereerst is het nodig dat er onverwachte drugs- en alcoholcontroles plaatsvinden bij de moeder. De verslavingsproblematiek is namelijk tot op heden niet structureel succesvol aangepakt. Daarnaast moet er aandacht worden besteed aan de licht verstandelijke beperking (LVB) van de moeder, hetgeen ervoor zorgt dat de moeder moeilijk overzicht kan bewaren. Met het oog op de toekomst, waarbij de moeder weer thuis gaat wonen met drie kinderen, is dit erg belangrijk. Ook vindt de Raad het zorgelijk dat er geen zicht is op de gehechtheidsrelatie van de kinderen en adviseert de Raad om het NIKA-traject in te zetten. Bovendien zijn concrete veiligheidsafspraken en een terugvalpreventie plan van [verslavingszorg] belangrijk om te voorkomen dat de moeder terugvalt in haar verslavingsproblematiek en de kinderen verwaarloost. Tot slot is het nodig dat er voor de moeder rustmomenten zijn om bij te kunnen komen van prikkels en stress. De Raad sluit zich, ondanks deze aandachtspunten, aan bij de lijn die de GI uitzet wat betreft de plaatsing van de kinderen in het moeder-kindhuis.
4.2.
Door en namens de moeder wordt aangegeven dat de moeder wenst dat het restant van het verzoek wordt afgewezen en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar in het moeder-kindhuis komen wonen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] missen de moeder heel erg, wat maakt dat de wens is om de overgang naar het moeder-kindhuis aanstaande donderdag al plaats te laten vinden. Alle praktische zaken zijn daarvoor in orde. Zo kunnen de kinderen na het weekend al naar een nieuwe school. Het logeermoment met de kinderen is goed verlopen en de moeder was in staat de zorg voor de drie kinderen te combineren. De moeder is ook gestart met therapie voor haar verslaving. Er zijn in het moeder-kindhuis veel onverwachte drugs- en alcoholcontroles en deze zijn tot nu toe altijd negatief geweest. De begeleiding in het moeder-kindhuis is op dit moment intensief. Als de moeder er aan toe is, zal ze met de kinderen verplaatsen naar een moeder-kindhuis met minder begeleiding. Na het moeder-kindhuis is de wens van de moeder om met de kinderen terug naar haar woning in [plaats] te gaan. De moeder geeft aan hard te werken voor haar kinderen en zich bewust te zijn van haar oude slechte gewoonten. Ze staat open voor hulpverlening, ook als ze weer in [plaats] woont.
4.3.
De GI is van mening dat het restant van het verzoek moet worden afgewezen en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder in het moeder-kindhuis moeten gaan wonen. Bij een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zullen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar een ander pleeggezin gaan, waarbij geen zekerheid is dat ze daar kunnen blijven. De kinderen missen hun moeder en het moeder-kindhuis is een veilige setting voor hen. Ook weten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat ze niet langer bij de pleegouders kunnen blijven. Verder zijn er veel hechtingsproblemen bij de kinderen. Hier kan het best aan worden gewerkt bij de moeder zelf. De moeder is op dit moment bezig met verslavingszorg. Het is belangrijk dat de verslaving van de moeder goed wordt behandeld. Het traject van de verslavingszorg verdient daarom voldoende tijd. De GI geeft tot slot aan dat het geen zekerheid is dat de kinderen permanent bij de moeder kunnen blijven. Daarvoor is het in ieder geval belangrijk dat de moeder de verslavingszorg afrondt.

5.De beoordeling

Bevoegdheid
5.1.
De Nederlandse rechter is bevoegd om van het verzoek kennis te nemen, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op de verzoeken het Nederlandse recht van toepassing.
Wettelijk kader
5.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op het verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer noodzakelijk is. Er kan daardoor niet worden voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Tijdens de mondelinge behandeling is het de kinderrechter gebleken dat het de bedoeling is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zo snel mogelijk bij de moeder in het moeder-kindhuis gaan wonen. Het moeder-kindhuis is een veilige opvoedomgeving voor de kinderen met voldoende (intensieve) begeleiding en hulpverleningsmogelijkheden voor de moeder. Binnen het moeder-kindhuis kan zicht worden verkregen op en worden gewerkt aan de hechtingsrelatie van de kinderen met de moeder, bijvoorbeeld door middel van de inzet van een NIKA-traject, alsmede aan de (verslavings)problematiek en het goed genoeg ouderschap van de moeder. Het logeermoment van de kinderen bij de moeder is voorts goed verlopen en de moeder was in staat de zorg voor alle kinderen te combineren. Daarnaast zijn de praktische zaken voor de kinderen geregeld. Zo kunnen de kinderen na het weekend al naar een nieuwe school en zijn alle kamers in orde. Het is daarbij wel van belang dat de kinderen stapsgewijs worden voorbereid op deze overgang. De kinderrechter wil voorts de moeder complimenteren voor de stappen die zij heeft gezet. Zij is sinds juli 2025 abstinent van alcohol. De onverwachte drugs- en alcoholcontroles zijn tot nu toe altijd negatief geweest en de moeder staat open voor hulpverlening. Het is positief dat de kinderen weer samen met de moeder kunnen zijn. Gelet hierop wijst de kinderrechter het resterende deel van het verzoek af. Omdat dit in het belang van de kinderen wordt geacht, kunnen zij eerder naar de moeder terugkeren dan de machtiging tot uithuisplaatsing afloopt, te weten op 19 april 2026. Deze beslissing is geen garantie dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] permanent bij de moeder kunnen wonen. De kinderen hebben in hun jonge leven al heel veel meegemaakt en zijn herhaaldelijk van plek gewisseld. Zij hebben baat bij een stabiele leefomgeving. Het zal moeten blijken of moeder die op langere termijn kan bieden. Moeder woont nu namelijk in een veilige beschermde omgeving met veel begeleiding. Dit is wezenlijk anders dan een thuissituatie waarin die intensieve begeleiding er niet is en er sprake is van de realiteit van het dagelijkse leven met alle uitdagingen die daarbij horen. Het is daarom aan de moeder om (ook in de toekomst) de stijgende lijn vast te houden en nu al te werken aan de valkuilen die er eerder toe hebben geleid dat het misging in die thuissituatie. Dit betreft niet alleen de verslavingsproblematiek maar ook de partnerkeuze.
5.4.
De kinderrechter is zich ervan bewust dat de vader sinds zijn emigratie naar de Filipijnen per december 2025 alleen nog op afstand een rol speelt in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hij heeft enkel via videobellen contact met zijn dochters. Dat dit contact er nog is, vindt de kinderrechter positief. Het is wel zorgelijk dat de vader, welke redenen hij daar ook voor heeft, zich op andere vlakken weinig betrokken en meewerkend toont. Zo is er weinig contact met de GI en de Raad en sluit vader ondanks daarvan op de hoogte te zijn niet digitaal aan bij de zittingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit maakt dat bij de hierna vast te stellen doelen, de focus voornamelijk op de moeder ligt.
5.5.
De kinderrechter vindt het van belang dat, gelet op het toekomstige verblijf van de kinderen in het moeder-kindhuis, de doelen voor de ondertoezichtstelling aangepast worden en geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie, waarbij er geen sprake is van middelengebruik en de moeder fysiek en emotioneel beschikbaar is;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren voldoende rust, stabiliteit en voorspelbaarheid, er wordt in hun opvoedbehoeften voorzien en zij kunnen zich richten op de ontwikkelingstaken die bij hun leeftijd passen;
  • Er blijft zicht bestaan op de opvoedvaardigheden van de moeder en de opvoedomgeving die zij biedt. Vanuit de hulpverlening is er aandacht voor het onvoldoende (probleem) inzicht dat moeder heeft in de effecten van haar opvoedvaardigheden en haar opvoedomgeving op de kinderen. Indien de moeder hulp nodig heeft om haar opvoedvaardigheden verder te ontwikkelen, werkt zij daar samen met de hulpverlening aan;
  • De hulpverlening monitort in hoeverre de kinderen last hebben van de zorgen in hun opvoedomgeving en of zij hierin begeleiding (zoals psycho-educatie over scheiding of begeleiding bij hun gehechtheidsrelatie met moeder) nodig hebben en zet dit eventueel in;
  • [verslavingszorg] maakt een terugvalpreventieplan en veiligheidsafspraken met de moeder;
  • De moeder werkt mee aan (onverwachte) alcohol- en drugscontroles en zorgt dat deze negatief zijn;
  • Ouders stellen zich begeleidbaar op en houden zich aan de gemaakte afspraken.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2027.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.