Uitspraak
1.Het verdere procesverloop
- de in deze zaak gegeven beschikking van deze rechtbank van 23 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
- het rapport en advies van 9 februari 2026 van de bijzondere curator;
- het op 17 februari 2026 ontvangen verweerschrift van de vrouw, met bijlagen.
- de man, bijgestaan door mr. Hissink;
- de vrouw, bijgestaan door mr. Leijser;
- de bijzondere curator;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
2.De nadere beoordeling
- hem vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] te verlenen;
- hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] ;
- een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] te bepalen, waarbij [minderjarige] in de ene week bij de man verblijft en zij in de andere week bij de vrouw verblijft, met als wisselmoment op zondagavond en waarbij de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft haar naar de andere ouder brengt.
- De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is tijdens deze relatie geboren.
- Op de geboorteakte van [minderjarige] staat de vrouw als enige ouder vermeld.
- De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
- Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 november 2025, welke is hersteld bij vonnis van 27 januari 2026, is een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] bepaald op basis waarvan de man en [minderjarige] in de even weken van vrijdag 14.30 uur (uit school) tot maandagochtend alsmede in de oneven weken op woensdagmiddag van 12.30 uur (uit school) tot 17.00 uur contact met elkaar hebben, waarbij de man [minderjarige] naar school brengt. Daarnaast zijn partijen verwezen voor het doorlopen van een zorgtraject in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA).
- De man, de vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en zij wonen en hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.
3.De beslissing
dinsdag 28 april 2026 PRO FORMAin afwachting van de schriftelijke (eind)rapportage loket van de zorgregio Midden-Brabant behorende bij het UHA-traject waar partijen reeds naartoe zijn verwezen, met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.14 is overwogen;
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.