De zaak betreft een verzoek van de Stichting Jeugdbescherming West Zeeland (GI) tot verlenging van spoedmachtigingen tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De kinderen zijn sinds juni 2025 onder toezicht gesteld en reeds uit huis geplaatst vanwege onhoudbare thuissituaties en de psychosomatische en psychische klachten van de moeder.
De kinderrechter heeft op 19 maart 2026 reeds spoedmachtigingen verleend voor uithuisplaatsing van de kinderen in passende voorzieningen. Tijdens een zitting op 24 maart 2026 zijn de moeder, de GI en de kinderen gehoord, waarbij de kinderen hun wensen en gevoelens over de situatie hebben gedeeld. De moeder erkent de noodzaak van de uithuisplaatsing en werkt aan haar herstel via opname en medicatie.
De kinderrechter constateert dat er geen nieuwe feiten zijn die aanleiding geven tot herroeping van de eerdere beschikking en acht de verlenging van de machtigingen noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De GI wordt opgedragen de contactmomenten tussen moeder en kinderen zorgvuldig vorm te geven en passende hulpverlening te onderzoeken en in te zetten.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de uithuisplaatsing direct kan worden gehandhaafd, ook bij hoger beroep. De beslissing is op 24 maart 2026 genomen en op 30 maart 2026 schriftelijk vastgelegd.