Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3350

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/445541 / JE RK 26-341
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:260 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds april 2025 onder toezicht staat en bij zijn oma woont. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar de onderlinge verstandhouding is problematisch, met wisselende relaties en zorgen over huiselijk geweld, wat de ontwikkeling van de minderjarige bedreigt.

De moeder is in behandeling bij verslavingszorg, maar haar plaatsing staat onder druk vanwege onvoldoende naleving van afspraken. De minderjarige heeft regelmatig contact met de vader en minder frequent, begeleid contact met de moeder. De GI ziet geen mogelijkheid tot afschaling naar vrijwillige hulpverlening en verzoekt verlenging om de belangen van de minderjarige te waarborgen.

De vader en oma stemmen in met het verzoek, waarbij de oma een formeel punt maakt over de relatieve bevoegdheid van de rechtbank. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert eveneens tot verlenging, benadrukt het belang van het contact tussen moeder en kind en wijst een gezagsbeëindiging af.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkelingsbedreiging onverminderd is en dat de betrokkenheid van de GI noodzakelijk blijft om hulpverlening te waarborgen en de verstandhouding tussen betrokkenen te verbeteren. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt eveneens verlengd. De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en bevestigt haar bevoegdheid ondanks het verzoek van de oma om toekomstige zaken naar een andere rechtbank te verwijzen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445541 / JE RK 26-341
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. G. Demir te Breda,
[de oma vz],
hierna te noemen: de oma (vaderszijde),
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. E.C.A.E. Verschuren te Gilze.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de kinderrechter over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
  • de brief van de GI van 4 maart 2026;
  • de brief van de GI van 11 maart 2026;
  • het stelbericht van mr. Demir van 17 maart 2026;
  • het stelbericht van mr. Verschuren van 17 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de advocaat van de vader;
  • de advocaat van de oma;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • een medewerkster namens de Raad.
1.3.
De raadslieden van de vader en de oma lichten bij aanvang van de zitting toe dat hun cliënten niet naar de rechtbank zullen komen. Zij zijn het eens met het verzoek.
1.4.
Hoewel daartoe correct opgeroepen is de moeder niet bij de zitting verschenen. De kinderrechter zet de zitting voort bij haar afwezigheid.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag.
2.2.
Laatstelijk, bij beschikking van 29 april 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (bij oma vaderszijde) verlengd tot 3 april 2026.
2.3.
Op grond van voormelde machtiging woont [minderjarige] bij de oma (vz).
2.4.
Voor zover hier van belang, heeft de kinderrechter bij beschikking van 3 februari 2026 een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen [minderjarige] en de moeder bepaald, waarbij er tussen hen contact plaatsvindt, eenmaal per zes weken, op voorwaarden zoals in de beschikking in rechtsoverweging 5.3 is weergegeven.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] woont bij de oma, waar zijn perspectief ligt. De basisverzorging van [minderjarige] bij de oma is goed. Ook op school gaat het goed met hem. Hij maakt een ontwikkeling door waarbij er aandacht is voor zijn verstaanbaarheid, motoriek, concentratie en weerbaarheid.
4.2.
Gezien wordt dat er binnen het systeem onrust bestaat. Zo is de relatie tussen de ouders wisselend. Zij lijken elkaar niet los te kunnen laten en houden elkaar hiermee vast in een negatief patroon, wat voorkomt dat zij stappen vooruit zetten. Er zijn zorgen over huiselijk geweld, maar de ouders ontkennen dit. Op dit moment lijkt het contact tussen de ouders te schommelen en daarmee ook het diskwalificeren van het gedrag van de moeder door de vader en de oma. De belangrijke mensen om [minderjarige] heen vormen geen team. Dit wordt al langere tijd geconstateerd. [minderjarige] is in conflict met zijn loyaliteit naar de moeder en de oma. Hier wordt hij door belast.
4.3.
De moeder is in september 2025 met haar behandeling gestart bij [verslavingszorg] in [plaats 3] . Na klinische behandelweken is de moeder gestart met een traject in een moeder-kindhuis met het halfbroertje van [minderjarige] . De laatste berichtgeving vanuit [verslavingszorg] is dat de plaatsing van de moeder op de tocht staat. Zij is niet teruggevallen in gebruik, maar komt afspraken onvoldoende na en communiceert niet goed. [verslavingszorg] is streng en voert een strikt beleid. Wat precies het gevolg is voor de plaatsing van de moeder, is de GI nog niet bekend. [verslavingszorg] brengt hier nog een verslag van uit. Deze ontwikkeling is wel een punt van zorg.
4.4.
[minderjarige] en de vader hebben wekelijks veelvuldig contact met elkaar. Zijn moeder ziet hij eens in de zes weken onder begeleiding van [hulpverlening] . Na de contactmomenten met de moeder kan [minderjarige] pittig gedrag laten zien. Een gedragswetenschapper heeft geadviseerd om hulpverlening in te zetten op het gedrag van [minderjarige] en de oma hierin handvatten te geven. Ook dient in de komende periode verder te worden gewerkt aan de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen. Deze zijn niet behaald.
4.5.
De GI ziet geen mogelijkheden om af te schalen naar het vrijwillig kader. De ouders lijken onvoldoende in staat om samen het gezag uit te oefenen. De GI heeft de Raad in dat kader verzocht om een onderzoek te starten naar een gezagsbeëindigende maatregel, echter de Raad heeft dit afgewezen. Een verlenging van de maatregelen is nodig om de betrokkenheid van de GI te waarborgen. De GI dient de belangen van [minderjarige] te borgen, nu de betrokkenen om hem heen dat samen onvoldoende kunnen en daarmee de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] in stand wordt gehouden.

5.Het standpunt van belanghebbenden en het advies van de Raad

5.1.
Namens de vader wordt, samengevat, aangevoerd dat hij kan instemmen met het verzoek. Regievoering van de GI is nodig, gelet op de gestelde doelen. Anderzijds wenst de vader ook toe te werken naar een bestendige situatie waarbij de betrokkenheid van de GI niet meer nodig is. De GI dient in de komende periode in te zetten op de samenwerking tussen alle betrokkenen. Verder staat de vader achter de huidige contacten tussen [minderjarige] en de moeder. De huidige frequentie is structureel en heeft op [minderjarige] een positief effect. Het is aan de moeder om te laten zien dat zij hierin betrouwbaar kan blijven. Ook hier dient de GI regie over te voeren.
5.2.
Namens de oma wordt, samengevat, aangevoerd dat ook zij akkoord is met het verzoek. De oma geeft aan dat de contacten tussen de moeder en [minderjarige] goed verlopen en dat het gedrag van [minderjarige] rondom die momenten minder heftig is geworden. De oma vindt het belangrijk dat er in de komende periode wordt gewerkt aan de communicatie tussen alle betrokken volwassenen om [minderjarige] heen. Dit kan volgens de oma in de vorm van ouderschapsbemiddeling. De oma hoopt dat dit er uiteindelijk toe zal leiden dat er een modus kan worden gevonden en een verlenging van de maatregelen niet meer nodig is. Hoewel de oma zich niet verzet tegen het verzoek, heeft zij nog wel een formeel punt waar zij de kinderrechter aandacht voor wil vragen. Zij verzet zich voor nu niet tegen de bevoegdheid van deze rechtbank, echter wijst zij er op dat het feitelijke verblijf van [minderjarige] gelegen is in het arrondissement van rechtbank Oost-Brabant. De oma verzoekt de kinderrechter hier naar te kijken en in de toekomst zaken over [minderjarige] te verwijzen naar rechtbank Oost-Brabant. Reisafstand speelt hierin voor de oma een rol.
5.3.
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De omgang tussen de moeder en [minderjarige] verloopt op dit moment goed. Dit moet structureel blijven. Dit moet in de toekomst verder worden uitgebreid. De Raad benadrukt dat een perspectiefbepaling hieraan niet in de weg staat. Het doel moet nog steeds zijn dat gekeken wordt naar de contacten tussen moeder en kind en welke rol de moeder kan spelen in het leven van [minderjarige] . Dat het perspectief door de GI is bepaald, wil dus niet zeggen dat hieraan niet gewerkt moet worden. Verder merkt de Raad op dat een gezagsbeëindigende maatregel nu niet op zijn plaats is. De moeder zet positieve stappen. Een verlenging van de maatregelen is nodig om zicht te houden op de contacten tussen de moeder en [minderjarige] alsook om te werken aan de onderlinge verstandhouding tussen alle betrokkenen om [minderjarige] heen, tussen wie hij nu klem zit.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.5.
Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt dat [minderjarige] onverminderd in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hoewel hij op school een positieve ontwikkeling doormaakt en het ook contact met zijn moeder nu op structurele basis plaatsvindt, blijft een punt van zorg dat de betrokkenen om hem heen niet met elkaar samenwerken. Hun onderlinge verstandhouding en communicatie laat niet toe dat zij zonder betrokkenheid van de GI verder kunnen. Gebleken is dat [minderjarige] klem zit tussen zijn moeder en de oma, hetgeen een bedreiging is voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderrechter onderschrijft daarbij het standpunt van de Raad dat de perspectiefbepaling bij de oma, niet betekent dat de moeder geen rol meer heeft in het leven van [minderjarige] . Bekeken moet blijven worden wat de oma nodig heeft om [minderjarige] vrij te laten bewegen tussen de oma en zijn moeder.
6.6.
Met de GI en de Raad is de kinderrechter aldus van oordeel dat de betrokkenheid van de GI nodig blijft om te waarborgen dat voor [minderjarige] de benodigde hulpverlening wordt ingezet, dat de contacten tussen [minderjarige] en de moeder gemonitord blijven worden en dat er hulpverlening wordt ingezet op de onderlinge verstandhouding tussen de vader, de moeder en de oma. Op dit moment lukt het hen samen niet om afspraken te maken over [minderjarige] . Als er geen zicht blijft op de ontwikkeling van [minderjarige] , vreest de kinderrechter dat hij niet de juiste hulp en ondersteuning aangeboden krijgt. Dit brengt het risico met zich dat [minderjarige] hierdoor ontregelt raakt en gedragsproblemen ontwikkelt.
6.7.
In de komende periode dient verder te worden gewerkt aan de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen, te weten:
- [minderjarige] krijgt van de mensen om hem heen dat wat hij nodig heeft om zich te ontwikkelen naar zijn mogelijkheden;
- [minderjarige] heeft een passend en onbelast contact met zowel zijn moeder als zijn vader;
- Het belang van [minderjarige] is en blijft leidend in de beslissingen die er rondom hem genomen worden (ook als er geen OTS meer zou zijn).
6.8.
In aanvulling hierop is in de komende periode een punt van aandacht wat de ontwikkelingen zijn rondom de plaatsing van de moeder bij [verslavingszorg] , dan wel het moeder-kindhuis. Samen met de GI maakt de kinderrechter zich zorgen over het behoud van haar plek. De kinderrechter roept de moeder op om, hoe moeilijk ook, zich te blijven inzetten en gemaakte afspraken na te komen. Een goede communicatie met begeleiding is hierin erg belangrijk.
6.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen voor de verzochte duur van een jaar. De kinderrechter heeft zich ervan vergewist dat de vader en de oma zich hierin kunnen vinden.
6.10.
Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing kan de kinderrechter hier kort zijn. Deze machtiging zal worden verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. De plaatsing van [minderjarige] bij de oma staat, ook tussen betrokkenen, niet ter discussie. Om ervoor te zorgen dat het verblijf van [minderjarige] bij de oma geformaliseerd blijft, zal de machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Tot slot
6.12.
Zoals tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter verbaast over de vraag van de oma om zaken over [minderjarige] in de toekomst te verwijzen naar rechtbank Oost-Brabant. De kinderrechter in deze rechtbank is al jaren bij [minderjarige] betrokken en volgt zijn ontwikkeling. Sinds 2023 worden er bij de kinderrechter in deze rechtbank procedures over [minderjarige] gevoerd. Bovendien geldt ten aanzien van de bevoegdheid van de kinderrechter het volgende.
6.13.
Op grond van artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen. De aanknoping bij het werkelijk verblijf is daarbij subsidiair. In artikel 1:12 BW Pro staat dat de woonplaats van de minderjarige dezelfde is als de woonplaats van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent. Wanneer de ouders het gezag samen uitoefenen en zij niet in dezelfde woonplaats wonen, zoals bij deze ouders het geval is, dan is de woonplaats van de minderjarige dezelfde als de woonplaats van de ouder bij wie de minderjarige feitelijk verblijft.
6.14.
Van een feitelijk verblijf bij een van de ouders is nu geen sprake vanwege een machtiging tot uithuisplaatsing. Dan geldt dat het kind de woonplaats volgt van de ouder bij wie het laatstelijk heeft verbleven (artikel 1:12 lid Pro 1, tweede volzin, BW).
6.15.
De BRP-gegevens van [minderjarige] tonen aan dat hij per 11 februari 2020 is ingeschreven op het adres van de oma te [plaats 2] , gelegen binnen het arrondissement van de rechtbank Oost-Brabant. Daarvoor woonde [minderjarige] bij de moeder, wat betekent dat [minderjarige] laatstelijk heeft verbleven bij de moeder en hij dus haar woonplaats volgt. Uit de BRP-gegevens van de moeder volgt dat zij sinds 2022 woonplaats heeft in [plaats 1] , gelegen binnen het arrondissement van deze rechtbank, Zeeland-West-Brabant. Dit betekent dat de kinderrechter in deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken van de GI over [minderjarige] .
6.16.
Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter, net als in de voorgaande procedures, geen aanleiding om voor de toekomst zaken te verwijzen naar rechtbank Oost-Brabant.
6.17.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 3 april 2026 tot 3 april 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij oma vaderszijde) met ingang van 3 april 2026 tot 3 april 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 31 maart 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.