Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3352

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/401277 / FA RK 22-4053
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overeenstemming ouders over zorg- en contactregeling minderjarigen

In deze zaak verzoekte de man de rechtbank om een wijziging van de omgangsregeling met zijn minderjarige kinderen, waaronder een regeling voor contact om de veertien dagen en afspraken over vakanties en feestdagen. De vrouw was het niet eens met deze verzoeken en stelde een eigen regeling voor.

De rechtbank constateerde dat partijen in onderling overleg tot afspraken waren gekomen over de contactmomenten tussen de man en de minderjarigen, waarbij de contacten bij de vrouw thuis plaatsvinden. Beide partijen trokken hun oorspronkelijke verzoeken in en verzochten de rechtbank om de gemaakte afspraken vast te leggen.

De rechtbank besloot daarom dat de man recht heeft op contact met de minderjarigen bij de vrouw thuis en dat hij contact met haar zal opnemen om de contactmomenten af te spreken. Alle overige verzoeken werden afgewezen. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt de onderlinge afspraken over contact tussen de man en de minderjarigen bij de vrouw thuis en wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/401277 / FA RK 22-4053
datum uitspraak: 24 maart 2026
beschikking over een zorg- en contactregeling
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg in Breda,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. M.A. Stoffijn, voorheen bijgestaan door [persoon] in Waalwijk,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017, hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna: [minderjarige 2] .

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 16 december 2022 en alle daarin genoemde stukken;
- het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) na melding UHA van 21 januari 2026
- de F9-formulieren van mr. Stoffijn van 14 januari 2026 en 27 januari 2026 met bijlage;
- de F9-formulieren van mr. Langenberg van 15 januari 2026 en 9 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank onder meer een voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vastgesteld en zijn ouders verwezen naar het UHA voor hulpverlening.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen vastgestelde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] te wijzigen en een omgangsregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige 2] zoals in randnummer 10 van het verzoek verwoord, inhoudende:
  • Eenmaal per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag (na school) tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij de man de minderjarigen vrijdag ophaalt en de minderjarigen zondagmiddag bij de vrouw terugbrengt,
  • Alsmede een regeling ten aanzien van de feestdagen en vakanties:
1. In de Kerstvakantie zijn de minderjarigen de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. Het jaar daaropvolgend zijn de minderjarigen de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
2. Ditzelfde geldt ten aanzien van de meivakantie;
3. De herst- en voorjaarsvakantie verblijven de minderjarigen in het ene jaar in de voorjaarsvakantie bij de man en in het daaropvolgende jaar in de herfstvakantie;
4. De zomervakantie zal bij helfte worden verdeeld, waarbij de man in de even jaren de eerste keus heeft om die vakantie te plannen en in de oneven jaren de vrouw;
5. Op Vaderdag verblijven de minderjarigen bij hem en op Moederdag bij de vrouw;
althans een zodanige regeling vast te stellen als de rechtbank juist en redelijk acht.
3.2
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze af te wijzen.
De vrouw verzoekt zelfstandig te bepalen, dat wordt vastgesteld dat de beschikking van de rechtbank Zeeland - West­Brabant d.d. 7 oktober 2021 en het daarvan onderdeel uitmakende ouderschapsplan d.d. maart 2021 worden gewijzigd, in die zin dat wordt bepaald dat [minderjarige 1] bij de man zal verblijven wekelijks op zondag van 10.30 tot 16.30 uur, waarbij de man voor het vervoer van [minderjarige 1] zal zorgdragen.

4.De beoordeling

4.1
De rechtbank stelt vast dat partijen in onderling overleg afspraken hebben kunnen maken over de contacten tussen de man en de minderjarigen, in die zin dat de man recht heeft op contact met de minderjarigen en hiervoor contact kan opnemen met de vrouw om contact met de minderjarigen te hebben bij de vrouw thuis. Beide partijen verzoeken de zaak schriftelijk af te doen. Beide partijen hebben hun inleidende verzoeken ingetrokken en verzoeken voornoemde afspraak op te nemen in de beschikking.
4.2
Dit betekent dat zal worden beslist als na te melden.

5.De beslissing

De rechtbank
bepaalt dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar bij de vrouw thuis. De man zal hiervoor contact opnemen met de vrouw om deze contactmomenten af te spreken;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Rozendaal, als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.